Opinie

Serge Rooman

‘Lokale verankering is de humus van kleinschalige detentie’

Serge Rooman Waarnemend gevangenisdirecteur in de instelling in Merksplas

‘De samenleving heeft nood aan concrete kleine succesverhalen waar gedetineerden op een zichtbare wijze een bijdrage leveren aan de samenleving’, schrijft Serge Rooman van de gevangenis in Merksplas in een pleidooi voor meer kleinschalige detentie. ‘Daar kan het geschonden vertrouwen beginnen te herstellen.’

Verschillende Vlaamse gemeenten staan in rep en roer. Nieuwsberichten over mogelijke locaties van een kleinschalig detentiehuis voor kortgestraften stuiten steevast op een duidelijke “niet in mijn achtertuin”. In Meise sloeg het nieuws in als “een bom” aldus de burgermeester die er verder alles aan zou doen om het tegen te houden (VRT 15/2). Ook in Kortrijk was er georganiseerd verzet (een petitie) om het voormalig woon- en zorgcentrum Lichtendal als detentiehuis in gebruik te nemen. Wellicht zal dit niet het laatste protest zijn.

Allerhande tegenargumenten bereiken de media en hebben slechts één zaak gemeen: het zijn pogingen om op zo kort mogelijke termijn zo veel mogelijk mensen uit de lokale omgeving (het dorp of de stad) gevoelsmatig te overtuigen om tegen de inplanting van een detentiehuis te zijn. Kortzichtige sensatie wordt daarbij niet geschuwd. Criminelen zouden opgesloten worden in viersterren hotels met hangtoiletten. In Kortrijk zullen ouders voortaan met de nachtmerrie leven om hun kinderen te moeten laten studeren in de nabijheid van mogelijks gedetineerden. Ook de rustige landelijke omgeving blijkt niet verenigbaar te zijn met het concept van een detentiehuis, enz.

Lokale verankering is de humus van kleinschalige detentie.

Afstand en nuchterheid in dit debat zijn broodnodig. En dit brood is het meest zeldzame goed in de huidige hetze rond de inplanting van detentiehuizen. De nuchtere werkelijk leest als volgt.

Wat in dit debat bijna iedereen ontgaat, is dat deze kortgestraften in het huidige regime ongestraft en onzichtbaar in de samenleving aanwezig zijn. Men ziet hen niet omdat men het niet weet. De vraag is dan wat men prefereert. Een begeleidde kleinschalige re-integratie die zichtbaar is of de situatie van de straffeloosheid op een onzichtbare wijze bestendigen. Lokale politici die hier mee op de golf van de emotionele afkeer springen, moeten minstens kunnen uitleggen waarom ze de “onzichtbare optie van de straffeloosheid” verkiezen boven een kleinschalig detentiehuis.

Zolang korte straffen pas zeer laat of quasi onbegeleid worden uitgevoerd, zal het gevoel van straffeloosheid blijven toenemen. De uitvoering van de korte straffen is een belangrijke hefboom (niet de enige maar wel een belangrijke) om dit algemeen maatschappelijk gevoel te keren. Wie een gevangenisstraf krijgt en daar op korte termijn de consequentie niet van ondervindt, ervaart dat als straffeloosheid en doet gewoon verder. Wie als slachtoffer dit vaststelt, ervaart straffeloosheid en verliest bovendien zijn vertrouwen in de rechterlijke orde. Tot slot worden magistraten wanhopig en cynisch als ze vaststellen dat de kleine gevangenisstraffen amper in de gevangenis worden uitgevoerd. Als we deze negatieve vicieuze cirkel van straffeloosheid willen doorbreken, zullen we korte straffen moeten uitvoeren.

Korte straffen betreffen veelal mensen in het begin van hun detentietraject voor feiten waarvoor een korte straf nog in aanmerking komt. Er is met andere woorden nog ruimte om deze mensen te begeleiden richting een “niet crimineel leven”. En dit lukt het best in een context die ver af staat van wat wij een klassieke grote gevangenis noemen. Een zo normaal mogelijke context met zichtbaar aanwezige begeleiding die zowel een onderbreking van het thuismilieu is als een nieuw “doorstartteam”, kan doen wat een gevangenis niet kan: ondersteunend vertrouwen en opvolging geven. Kleinschalige detentiehuizen komen hier het best voor in aanmerking.

Lokale kleinschalige spelers (gemeente en lokale organisaties) kunnen een cruciale rol spelen in deze “doorstartsituatie” van kortgestraften. In overleg met de gemeente en lokale organisaties kunnen op een kleinschalige manier gedetineerden worden ingeleid in een “genormaliseerd” leven, hetzij via lokaal vrijwilligerswerk, hetzij via allerhande activiteiten in de gemeente. De dialoog tussen gevangenis en samenleving kan in deze kleinschalige omgeving concreet en zichtbaar vorm krijgen. De inplanting van detentiehuizen past daar naadloos in. De samenleving heeft nood aan concrete kleine succesverhalen waar gedetineerden op een zichtbare wijze een bijdrage leveren aan de samenleving. Het geschonden vertrouwen kan beginnen te herstellen. Lokale politici moeten hier hun verantwoordelijkheid opnemen en aan het algemeen belang denken. Dit vraagt zeker meer dan 5 minuten politieke moed. Het vraagt sereniteit en goed communiceren maar laat dat juist de kwaliteiten van goede politici zijn.

In de gemeente Merksplas waar ik gevangenisdirecteur ben, heeft men reeds betekenisvolle stappen op weg naar lokale verankering gemaakt: gedetineerden zijn er tewerkgesteld bij het groenbeheer van het voormalig koloniedomein, gedetineerden werken binnen het kader van het herstelfonds als vrijwilliger op de kleine boerderij, er zijn de jaarlijkse vragen en antwoorden tussen de gedetineerden en de leerlingen van het 5de leerjaar uit de gemeenteschool die aan de buitenmuur van de gevangenis worden opgehangen, er zijn “meet en greets” met dorpsbewoners en gedetineerden, tijdens de coronacrisis maakten gedetineerden mondmaskers voor de gemeente, enz. Deze lokale verankering is de humus waarop kleinschalige re-integratie vruchtbaar kan gedijen. Dan alleen wordt de win win voor samenleving en gedetineerden zichtbaar. De inplanting van een detentiehuis is geen doodvonnis maar het begin van een werkbare oplossing.

Partner Content