Opinie

Geert Schuermans

‘Lagere middenklasse krijgt klappen. Maar de kruik gaat te water tot ze barst’

Geert Schuermans Auteur van 'De achterblijvers. Hoe de vloer onder de lagere middenklasse wegzakt'

‘We gaan de situatie van de achterblijvers niet oplossen met voedselpakketten, afbetalingsplannen of bijpassingen uit een energiefonds’, schrijft auteur Geert Schuermans.

Historisch gezien, zorgde ons sociaal model ervoor dat België een grote, schokbestendige middenklasse heeft. Vandaag zien we dat dit pantser van sociale bescherming ernstige barsten vertoont. De OCMW’s geven aan dat ze een toestroom van hulpvragen te verwerken krijgen. Daarbij valt op dat ze niet enkel mensen in armoede over de vloer krijgen, maar ook steeds meer gezinnen uit de lagere middenklasse. Hetzelfde verhaal bij de Belgische Federatie van Voedselbanken. Nooit eerder kregen zij zo veel volk over de vloer, gemiddeld wel 177.238 mensen per maand. Ook hier gaat het vaak om mensen die strikt genomen niet in armoede leven. Deze staat van onzekerheid zorgt individueel voor drama’s, maar ook als samenleving dreigen we een hoge prijs te betalen.

Eén op drie

Als oorzaken voor de urgentie van deze situatie wijzen we naar de coronacrisis, en nog recenter naar de energieprijzen die door het dak gaan. Maar dat is te eenvoudig. Begin 2019 kwam denktank Minerva al met het rapport ‘Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België’ naar buiten dat voor de groeiende mazen in ons sociaal vangnet waarschuwde. Zelf volgde ik in 2020 voor mijn boek ‘De achterblijvers. Hoe de vloer onder de lagere middenklasse wegzakt‘ vijf gezinnen in deze bevolkingsgroep. Allen getuigden ze van een permanente onzekerheid waarin ze al jaren leven. Eén tik is voldoende om hen de dieperik in te storten.

Lagere middenklasse krijgt klappen. Maar de kruik gaat te water tot ze barst.

Voor sommigen was dat een scheiding, voor anderen een ongeluk, nog anderen werden ziek. Uit elk verhaal blijkt een sociaal systeem dat in gebreke blijft. Als we het over de lagere middenklasse hebben, spreken we trouwens over huishoudens met een maandelijks inkomen tussen de 60 procent en 80 procent van het mediaaninkomen. Concreet gaat dat voor een alleenstaande over een inkomen tussen de 1.300 en de 1.700 euro per maand. Als we bovenstaande definitie gebruiken bestaat deze uit bijna twee miljoen mensen. Tel daar de mensen in armoede bij en je hebt het over een derde van de bevolking.

Ongelijkheid

De OCMW’s proberen de huidige toevloed op te vangen via schuldbemiddeling en bijdrages in de energiefactuur. Maar ondanks al deze bewonderenswaardige inspanningen is het duidelijk dat een individuele aanpak dweilen met de kraan open is. Een veel te grote groep ziet de vruchten van decennia groei aan zich voorbij gaan, en leeft door de stijgende levensduurte in een permanente staat van onzekerheid. Misschien moeten we het daarom niet enkel over armoede maar ook wat vaker over ongelijkheid hebben. Ongelijkheid gaat over de manier waarop onze samenleving de totale beschikbare middelen verdeelt. Door te veel enkel op de onderste groep te focussen verdwijnt het totale verdelingssysteem uit beeld. De situatie van de ene groep staat niet los van die van de andere. De onderkant is verbonden met de toplaag en alles daartussen.

De machtsvraag

Die focus hebben we nodig om werkelijke oplossingen voor dit probleem te bedenken. Een overheid, op Vlaams, federaal en liefst op Europees niveau, zou zelf kunnen tussenkomen op de energiemarkt, zodat op zijn minst de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Hetzelfde verhaal voor de huizenmarkt die voor de lage inkomensgroepen stilaan onbetreedbaar wordt. Een massale investering in sociale woningen is hier nodig om de rol van de markt in te perken. Toch lijken dit soort oplossingen die aan het vrijemarktdenken tornen, nog steeds onbespreekbaar bij het gros van onze politici en opiniemakers. Is het toeval dat zij zich zelden of nooit in de groep achterblijvers bevinden en bijna altijd over minstens één universitair diploma beschikken? Over tal van thema’s, zoals gender en etniciteit, woedt het maatschappelijk debat en komt de factor macht in beeld. Dat is goed, want broodnodig. Maar daarom is het des te zorgwekkender hoe dit een taboe blijft om de machtsvraag te stellen als het over sociaaleconomische ongelijkheid gaat. In onze hoofden is financiële ongelijkheid nog steeds vooral het gevolg van individuele keuzes en economische natuurwetten.

Verdwenen perspectief

Maar de kruik gaat te water tot ze barst. In het kader van ‘De achterblijvers’ geef ik geregeld lezingen over het thema. Daarin vertel ik hoe de gezinnen in mijn boek misschien niet allemaal extreemrechts stemmen, maar wel stuk voor stuk afgehaakt hebben als het over politiek gaat. Terwijl het publiek een tijd geleden nog minzaam knikte bij deze vaststelling, valt me nu de rumoerige bijval op. “Zij niet alleen. Wij hebben allemaal afgehaakt”, riep iemand deze week nog wat hem een stormachtig applaus opleverde. In zo’n situaties probeer ik uit te leggen dat onze politieke klasse voor het overgrote deel bestaat uit hardwerkende, geëngageerde mensen.

Dat is geen populair standpunt, ook niet als ik populisme-expert Sarah de Lange citeer door eraan toe te voegen dat de doorgedreven professionalisering van de politieke partijen ervoor gezorgd heeft dat het perspectief van mensen aan de onderkant volledig verdwenen is. Marketeers, juristen en stafmedewerkers maken de dienst uit. Dat zijn allemaal mensen met een hoger diploma. Je vindt er haast niemand die geen langere opleiding genoten heeft. Echte solidariteit betekent dat je opkomt voor degenen die anders zijn dan jezelf, maar in de feiten blijft het blijkbaar moeilijk om het belang van je eigen groep te overstijgen.

Kwaadaardig

Mijn publiek onthaalt zulke nuance meestal op hoongelach. Mensen zijn er stilaan van overtuigd dat politici op hen neerkijken en beslissingen nemen hoewel ze goed weten dat ze daarmee de lagere inkomensgroepen treffen. Ik mis het cynisme om dat te geloven, en wil onze beleidsmakers blijven verdedigen. Alleen wordt het moeilijk niet in kwaadaardigheid te geloven als een minister van Wonen in volle wooncrisis aangeeft dat hij graag een half miljard bestemd voor sociale woningen aan privé-investeerders cadeau wil doen. Of een Vlaamse minister van Werk die in de huidige sociale context de degressiviteit van onze – al veel te lage – werkloosheidsuitkeringen op tafel legt.

Het roer moet om

Uiteraard zijn het niet enkel voorvallen op auteurslezingen. Overal voel je de electorale alarmsignalen. De stembusgang in 2024 dreigt een democratisch bloedbad te worden waar vooral extreemrechts garen bij zal spinnen. Zullen wij, hoogopgeleiden, en vaak progressieve kiezers die welvaren bij het huidige socio-economische beleid, dan weer boos en verbaasd zijn? Eigenlijk hebben we dat recht niet, tenzij we nu mee aangeven dat het roer om moet. We gaan de situatie van de achterblijvers niet oplossen met voedselpakketten, afbetalingsplannen of bijpassingen uit een energiefonds. Er zijn systemische ingrepen nodig. Politici en economen die blijven volhouden dat overheidsingrijpen op de vrije markt geen optie is, hebben de verantwoordelijkheid om aan te geven hoe ze dan wel voor de lage inkomensgroepen een menswaardig bestaan zullen garanderen.

Opnieuw een vrijblijvend pleidooi voor meer vrije markt is daarbij geen optie. De voorbije decennia hebben bewezen dat dit niet voor gans de bevolking werkt. Niet voor niets definieerde Einstein waanzin als steeds hetzelfde doen en toch andere resultaten verwachten.

Geert Schuermans is auteur van ‘De achterblijvers. Hoe de vloer onder de lagere middenklasse wegzakt’.

Partner Content