Mark Van de Voorde

‘Ik geloof rotsvast in het zelfherstel van de samenleving’

Mark Van de Voorde Onafhankelijk publicist en gewezen raadgever van Herman Van Rompuy, Yves Leterme en Steven Vanackere.

‘Vandaag is in onze samenleving angst de mobiliserende kracht, maar angst is destructief en uiteindelijk ook zelfvernietigend’, schrijft Mark Van de Voorde.

Verzet is geen deugd van de meerderheid. Voor verzet is de moed van de tegendraadsheid nodig. Moedig is de massa niet, de massa is gedwee. Tegendraads moedig en moedig tegendraads zijn enkel enkelingen. In de slipstream van hun woorden van verzet volgen minderheden met daden van protest.

Protest is de macht der machtelozen. Maar wanneer machtelozen door te protesteren macht tonen, kan het verdrongen protest en het vergeten verzet van de massa worden gewekt. Minderheden schrijven op die wijze geschiedenis. Dat verandert de samenleving.

Ik geloof rotsvast in het zelfherstel van de samenleving.

Wanneer? Dat weten we niet. Vooral in tijden als de onze, waarin verdelende extremen het bemiddelende midden opslokken en de tegenstellingen opjuinen in plaats van overbruggen. Vooral in tijden als de onze, waarin de behoefte aan veiligheid de waarde van vrijheid geringschat, vijandbeelden het portret van broederlijkheid overschilderen, kloven tussen arm en rijk de gelijkheid doen vergeten.

Er is dus meer dan moed nodig om het vol te houden. Er is hoop nodig. ‘Ik probeer hoop te houden, want zonder hoop ben ik niet in staat om de wereld te veranderen’, zegt de Amerikaans-Duitse filosofe Susan Neiman (De Groene Amsterdammer, 4 juli 2019).

Om te hopen moet je dromen koesteren: I have a dream, Yes we can, Wir schaffen das. Naïef, flauw, flets, lullig …, zegt de cynicus. Is dat zo? Als in de samenleving dromen verdwijnen, verschijnen nachtmerries. Nachtmerries wekken geen hoop op maar angst. Dromen wekken hoop op.

Angst en hoop zijn niet toevallig dé twee emoties die mensen politiek kunnen mobiliseren. Het zijn de emoties die ons doen opstaan: hoop om de hand aan de ploeg te slaan, angst om op de vlucht te slaan.

Vandaag is in onze samenleving angst de mobiliserende kracht, maar angst is destructief. Angst wekt haat op en zint op wraak. Angst mobiliseert, maar verbindt niet. Angst is ook niet toekomstgericht, hij verbeeldt zich een verleden. Je kunt niet achterwaarts dromen van de toekomst, allerminst als dat verleden een mythe is.

Angst is een emotie die een samenleving – net als een mens – niet lang vol kan houden zonder ziek te worden.

Hoop moet de angst verdrijven, angst verdrijft nooit zichzelf. Daarom is hoop mijn plicht. Ik bewaar, koester en voedt dus mijn dromen van een samenleving waarin mensen elkaar sterken in plaats van jennen, van een politiek waarvan het motto niet verdeel-en-heers maar verdeel-en-geef is, van een economie die erop is gericht ‘dat allen deel zouden hebben aan het succes’ (motto van Ludwig Erhard, vader van ons Rijnlandse model dat volgens neoliberale economen en ook sommige werkgeversorganisaties op de schop moet).

De tijdgeest is niet mee, maar tijdgeesten zijn draaiende winden. Dat is mijn eerste reden om te hopen. Bovendien, een tijdgeest van angst is een hevige windstoot. Rukwinden duren niet. Angst is een emotie die een samenleving – net als een mens – niet lang vol kan houden zonder ziek te worden. Angst is niet alleen destructief, hij is ook zelfvernietigend.

Mijn tweede reden om de hoop op te houden is dat de samenleving zelfhelend is. Of om het te zeggen met de woorden die op het Tweede Vaticaans Concilie werden neergeschreven, ‘ligt het lot van de mensheid in handen van hen die erin slagen om de komende generaties motieven te geven om te leven en te hopen’ (Gaudium et Spes). Ik geloof rotsvast in het zelfherstel van de samenleving.

Ik heb altijd geloofd in het vermogen van de samenleving om wat scheef was gegroeid, weer recht te trekken. Zolang een beschaving niet stervende is, bezit ze een zelfgenezende kracht. De zelfgenezende kracht van de samenleving is het spirituele immuunsysteem van haar culturele wortels.

Zolang een beschaving niet stervende is, bezit ze een zelfgenezende kracht.

Ik zie het ook gebeuren. Europa recht zijn rug, weliswaar met de nodige strubbelingen. De Europese verdeeldheid maakt stilaan plaats voor een nieuwe dynamiek van Europees zelfbewustzijn en Europese integratie. Populisten die de nadruk legden op de verschillen, ondergingen bij de Europese verkiezingen hun eerste tegenslagen.

In Tsjechië groeit het protest tegen de corrupte premier Babis. In Polen slinkt de populariteit van de illiberale PiS-partij. Onrecht blijft nooit duren. En verder: in Turkije dolf Erdogan het onderspit bij de nieuwe verkiezing voor Istanbul; in Hongkong boog chief executive en Beijings handpop Carie Lam voor het protest.

Mijn derde reden om de hoop niet op te geven is de vaststelling dat in onze samenleving de schaamte over het eigen (wan)gedrag niet is verdwenen. Dat is belangrijk, want schaamte is de eerste stap naar moreel handelen. Het is ook de schaamte die ons tot fatsoenlijke mensen maakt.

Hoe paradoxaal ook, de ‘getuigenissen’ van mensen die bij de jongste verkiezingen voor Vlaams Belang stemden, zijn illustratief. Op de vraag waarom begon elk antwoord met: ‘Ik ben geen racist, maar…’ Ook elke sneer naar vreemdelingen begint daarmee. In wezen excuseert men zich voor zijn gedrag. Gedrag is immers een kwestie van herkenning: ‘Wij zijn niet zo!’ Mensen weten dus wat hoort en niet hoort. Waar het nu op aankomt, is dat we hen mee kunnen nemen in de opstand van de fatsoenlijken.

Mijn vierde en laatste reden om te blijven hopen: ik ben katholiek (wat betekent: de wereld omvattend en allen liefhebbend). Als christen heb ik de spirituele aanleg tot hopen, ik moet ‘verantwoording afleggen van de hoop die in ons is’ (Petrus 3, 15).

Deze bijdrage verscheen eerder in de Zomerreeks – Hoop 2019 van het politieke maandblad Samenleving & Politiek.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content