Ludo Bekkers

‘Hoe een overtuigde Vlaming de 20e eeuwse kunst in België vormgaf’

Ludo Bekkers Kunst- en fotografierecensent

Walther Vanbeselaere, oud-conservator van het KMSKA in Antwerpen, was en is nog steeds een monument. Portret van een overtuigde, maar koppige Vlaming met een eigenzinnige visie op moderne kunst.

Een goed museum is ook vaak het portret van zijn directeur/conservator dat verwijst naar zijn persoonlijkheid en zijn inzichten in de oude kunst maar nog meer in de kunst van de tijd toen hij/zij in functie was.

Walther Vanbeselaere (Zevekote, 1908- Antwerpen, 1988), hoofdconservator van het KMSKA (Antwerpen) die er actief was van 1948 tot 1973 is daar een goed voorbeeld van. Een keuze uit zijn beleidsopties is nu te zien in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. Het is in feite een hommage aan de man die adviseur was van het echtpaar Dhondt-Dhaenens zowel voor de architectuur van het privémuseum als voor de aankoop van werken.

Rel

De figuur van Walther Vanbeselaere was in zijn tijd al een monument. Hij was koppig in zijn opvattingen en eigenzinnig in zijn beleid. Als een overtuigd Vlaming en christen heeft hij bijvoorbeeld de collaborerende Albert Servaes ongeremd verdedigd ondanks heftig verzet van zowel nationale als plaatselijke overheden en instanties. Hij deelde met de kunstenaar zijn mystieke interpretatie van het geloof en was overtuigd van zijn artistieke kwaliteiten. Hij kocht werken van hem die hij van de toeziende Bijzondere Commissie van het museum niet mocht ophangen. Het werd een rel die zich uitstrekte tot op nationaal niveau. Maar hij hield stand en tot slot, na jaren, haalde hij zijn gram. Het Servaes-incident had alles te maken met Vanbeselaeres voorliefde voor de Vlaamse Expressionisten die hij beschouwde als kunstenaars die het Vlaamse gedachtegoed vertegenwoordigden en die derhalve pasten in een museum dat hij voor ogen had.

In een televisiegesprek poneerde hij ‘dat van ons museum het belangrijkste museum van nationale kunst in dit land moest gemaakt worden. Wanneer er nu een vreemdeling naar België komt, vindt hij in de erezalen van de 19e en 20ste eeuw van het museum onze sterkste namen met een voortreffelijke keuze van eerste rang’.

Dat hij dat principe tot na de jaren vijftig volhield werd hem niet in dank afgenomen door de jongere generatie van kunstcritici. Dat hij geen oog had voor de eerste golf van Belgische abstracten (Victor Servranckx, Jozef Peeters, Michel Seuphor e.a.) die al in de jaren twintig aan de slag waren, werd hem evenmin in dank afgenomen door de vooruitstrevende kunstkenners. Hij bleef er doof en blind voor. Citaat uit een vraaggesprek : ‘Het feit dat de abstracten bij ons geleidelijk na 1945 zijn doorgebroken, is het bewijs dat onze diepste aard niet abstract gericht is (…) Men heeft pogingen gedaan om te bewijzen dat de abstracte kunst ook in Vlaanderen vanaf 1910 belangrijk is geweest. Vergelijk dat maar eens met het Vlaams expressionisme. Dan blijft er kwantitatief nagenoeg niets over dat tegen het buitenland standhoudt. In onze schilderkunst is er één enkel abstract schilder consequent geweest : Servranckx. Voor de rest is het gestamel gebleven dat door sommigen, vooral de jongeren van na 1950, werd opgeschroefd (…) Ik beweer dat het abstracte ons niet ligt. Als er sterke krachten komen, zullen ze weer de dialoog met de werkelijkheid beginnen.’

Nochtans lezen we in een brief aan een vriend/kunstschilder dat een vakgenoot (War Van Overstraeten) ook furieus gekant is tegen al wat abstractie is, als artiest is dat zijn recht en ook zijn plicht om het te zeggen als dat zijn overtuiging is. ‘Als historicus kijk ik toe, stel vast en zwijg over mijn standpunt. Een conservator moet voor alles openstaan.’

Dat vernieuwde standpunt concretiseerde hij rond 1955 toen hij begon met het aankopen van niet figuratieve werken (o.a. Ben Nicholson, Jozef Peeters, Victor Servranckx) en surrealisten (Magritte en Delvaux). Subjectief kon men aanvankelijk heel wat bezwaren vinden tegen zijn starre houding bij de collectievorming van zijn museum maar objectief moet men toegeven dat hij rechtlijnig was maar pas laat (té laat) zijn horizon verlegde.

V-bom

Walther Vanbeselaere. Verzamelaar voor de staat
Walther Vanbeselaere. Verzamelaar voor de staat© Museum Dhondt-Dhaenens

Vanbeselaere bleef niet gespaard van malheuren tijdens zijn directeurschap. Het museum had lange tijd geen kunstverlichting al vond hij dat geen bezwaar want kunstwerken moeten bekeken worden in de omstandigheden waarin ze gemaakt werden. Om die reden sloot het museum zijn zalen in de wintertijd om drie uur. En op 13 oktober 1944 trof een Duitse V-bom de buurt rond het museum waardoor de glazen dakkoepels, de plafonds, de muurbekleding en een aantal schilderijen werden beschadigd. Het was een zware klus voor de hoofdconservator om de herstellingskosten (toen geraamd op, omgerekend, 57.200 euro), door de rijksadministratie op te laten ophoesten.

Tijdens zijn 25-jarige leiding die hij aan het KMSKA gaf, veranderde de wereld en ook die van de kunst en het museumwezen grondig. Met vertraagde pas volgde Walther Vanbeselaere die evolutie. Hij kreeg veel kritiek zowel van binnenhuis (de Bijzondere Commissie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen) die ambtshalve en actief voorgezeten werd door wijlen burgemeester Lode Craeybeckx, vurig voorstander van de actuele kunst, maar ook van buitenhuis door jonge kunstcritici en progressieve kunstverzamelaars. Maar, als een rots in de branding ging de halsstarrige maar ook aimabele kunsthistoricus zijn weg.

Dat hem nu een tentoonstelling wordt gegund met werken uit de verzameling van het KMSKA is een laat en terecht eerbetoon. De plaats is goed gekozen want hij heeft het echtpaar Dhondt-Dhaenens met hun privémuseum met raad en daad bijgestaan.

Tentoonstelling Walther Vanbeselaere. Verzamelaar voor de staat, 1948-1973, Deurle, Museum Dhondt-Dhaenens, nog tot 1 oktober.

Partner Content