Opinie

Ernst Koster

‘Welke processen en kenmerken staan centraal bij obsessief-compulsieve gedachten?’

Ernst Koster Professor aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de UGent

Voor de Universiteit Van Vlaanderen staan Ernst Koster en Anouk Vanden Bogaerde stil bij de persoonlijkheidskermerken en de psychologische processen die centraal staan bij obsessief-compulsieve gedachten.

Ron (gefingeerde naam) is een succesvol bouwkundige die al heel wat gebouwen hielp ontwerpen en vormgeven. Hij doet zijn job graag en werkt heel precies en nauwkeurig. Er is echter wel een probleem waar Ron al een hele tijd mee worstelt: Hij heeft veel schrik dat – door een fout in zijn berekeningen – één van ‘zijn’ gebouwen wel eens zou kunnen instorten. Deze gedachte jaagt hem immense angst aan. Dagelijks spendeert hij minimaal één uur aan het nakijken van de berekeningen van oude projecten. Veelal is hij dan even gerustgesteld dat er geen fouten gemaakt zijn, maar soms vindt hij daadwerkelijk foutjes wat dan weer aanleiding geeft tot meer controleren en nakijken. Hij zit vast in een vicieuze cirkel.

We hebben allemaal wel eens last van nare, intrusieve gedachten. Echter, bij Ron zijn deze intrusieve gedachten dermate beangstigend dat hij deze niet meer kan loslaten, dit noemen we obsessies. Deze obsessies geven vaak zoveel ongemak dat ze aanleiding geven tot controlegedrag of zogenaamde compulsies. Deze combinatie van denkwerk en handelen staat bekend als een obsessief-compulsieve stoornis (OCS). Deze stoornis komt voor bij 2-3% van de algemene populatie en gaat vaak gepaard met een zeer grote lijdenslast. Vaak spreken met mensen met OCS niet of weinig over hun problematiek; men is zich vaak bewust dat men excessief bezig is met een bepaald onderwerp én men schaamt zich vaak voor de inhoud van hun nare obsessieve gedachten. Ron vertelt bijvoorbeeld niet over zijn nare gedachten want dan zou men kunnen denken dat hij zijn werk niet goed doet en incompetent is. Zeker bij mensen met intrusieve gedachten over onderwerpen waar er wat taboe over heerst (“wat als ik iemand zou vermoorden?”, “wat als ik een pedofiel ben?”), is er veel schaamte. Omdat hier zo weinig over gesproken wordt, duurt het vaak lang voordat mensen hulp zoeken.

Welke processen en kenmerken staan centraal bij obsessief-compulsieve gedachten?

Hoe komt het dat sommige mensen heel veel last hebben van dergelijke nare gedachten in vergelijking met andere mensen? OCS wordt veroorzaakt door een complex samenspel van biologische factoren, persoonlijkheidskenmerken en een aantal specifieke psychologische processen. Hier bespreken we de persoonlijkheidskenmerken en de psychologische processen die het meest centraal staan.

Persoonlijkheidskenmerken zijn relatief stabiele kenmerken van de persoon. Mensen die perfectionistisch zijn, detecteren gemakkelijker fouten en imperfecties die kunnen resulteren in nare gedachten (“zitten er echt geen melkresten bij het afgewassen babyflesje?”). Een sterk verantwoordelijkheidsgevoel kan eveneens bijdragen tot OCS (“als ik de oven niet heb afgezet dan brandt het huis misschien af en dan is dat volledig mijn schuld”). Tenslotte kan weinig zelfvertrouwen en onzekerheid twijfel in de hand werken (“ben ik nu wel zeker dat ik de deur op slot heb gedaan?”).

Een aantal psychologische mechanismen spelen vervolgens een belangrijke rol bij het ontstaan van dwanggedachten. Een belangrijk mechanisme bij het ontstaan van. Dwanggedachten is de opponent proces theory van sociaal psycholoog Dan Wegner: als we een bepaald doel hebben (bijv. goed voor een baby zorgen) dan installeert dit enerzijds een bewust operatief proces en anderzijds een onbewust monitoring proces. Het operatieve proces maakt dat je voornamelijk aandacht gaat besteden aan hoe je het gestelde doel kan realiseren. Het monitoring proces wordt tegelijkertijd opgestart waarbij er nagegaan wordt of er geen potentiële bedreigingen zijn voor het doel. Dit laatste proces kan ervoor zorgen dat als het operatief proces hapert of stilvalt dat we intrusieve gedachten krijgen die exact het tegenovergestelde zijn van het doel dat we voor ogen hebben. Dit verklaart dat een jonge moeder die de zorg voor haar baby perfect wil doen juist hele nare gedachten kan hebben (“Als er iets gebeurt met mijn baby, is het mijn fout”).

Dan volgt er vaak een ander essentieel mechanisme. De nare intrusie, die helemaal haaks staat op iemands doelen en waarden kan heel veel angst en twijfel ontlokken. De moeder in ons voorbeeld kan denken dat ze wel een hele slechte moeder moet zijn omdat ze een gedachte heeft gehad dat ze haar kind iets zou kunnen aandoen. En dan slaat de twijfel toe: “Zou ik in staat zijn mijn baby iets aan te doen?” en “Hoe kan ik nu zeker zijn dat ik mijn baby niets zal aandoen?” Het probleem met dit type twijfel is dat men geen volledige zekerheid kan vinden: de jonge moeder kan niet uitsluiten dat er niets met haar baby zou kunnen gebeuren. Ook Ron kan niet 100% zeker zijn dat er geen fouten zijn geslopen in zijn berekening waardoor een gebouw zou kunnen instorten en mensen zouden kunnen sterven. Door deze twijfel zijn mensen heel vatbaar voor dwanggedachten waarbij ze zich veel nare scenario’s kunnen voorstellen en potentiële rampen als zeer reëel worden beleefd.

De angst en onzekerheid die voortkomen uit dwanggedachten is vaak moeilijk te tolereren waardoor mensen op allerlei manieren proberen om minder last te ervaren van dit denkwerk. Mensen proberen bijvoorbeeld de nare gedachten te onderdrukken of proberen bewijs te zoeken dat het rampscenario niet zal gebeuren. Helaas zorgen deze strategieën er meestal voor dat de gedachten steeds meer voorkomen. Eveneens gaan mensen gedrag stellen om er maar zeker van te zijn dat de situatie toch veilig is. Ron checkt zijn oude berekeningen en de jonge moeder controleert zorgvuldig al haar handelingen (heeft ze de melkfles wel voldoende gekuist?). Deze handelingen starten vaak relatief onschuldig maar omdat ze enkel kortstondig voor geruststelling zorgen en de onderliggende angst niet wegnemen, nemen deze vaak grotere vormen aan. Hierbij kunnen mensen soms uren kwijt zijn aan het ritualistisch uitvoeren van dwanghandelingen waarbij de dwang zich kan uitbreiden zoals een olievlek.

Wat zijn de behandelmogelijkheden bij dergelijke problemen? De meest effectieve behandeling is cognitieve gedragstherapie, eventueel gecombineerd met medicatie. Er wordt vaak gewerkt met exposure en responspreventie. Binnen deze behandeling is het de bedoeling om de macht van de gedachten te doorbreken door mensen bloot te stellen aan het risico terwijl men langzaam de dwanghandelingen afbouwt. Hierdoor ervaren mensen dat de gevreesde catastrofe zich niet voordoet, en dat de intrusieve gedachte ook maar dat is: een gedachte. Deze behandeling is effectief bij een groot deel van de mensen met OCS.

Wil je meer weten over dwang of de behandeling ervan? Raadpleeg de volgende bronnen:

– Overzicht Vlaamse gedragstherapeuten: www.vvgt.be

– Er bestaat een zeer goede Youtube serie over OCD van Katie D’Ath

– Het boek ‘Vals Alarm’ van Menno Oosterhoff en ‘Alles onder controle’ van Lee Baer zijn aanraders

Ernst Koster is als hoogleraar experimentele psychopathologie verbonden aan Universiteit Gent en hij werkt als klinisch psycholoog in Psychologenpraktijk De Burcht.

Anouk vanden Bogaerde is als gastdocent in de gedragstherapie verbonden aan Universiteit Gent en is zaakvoerder en klinisch psychologe bij Psychologenpraktijk De Burcht.

Lees ook:

Partner Content