'Helemaal verzuurd, man. Mijn benen schoten vol.' Tijdens interviews na intensieve wedstrijden, zoals veldrijden, krijg je dit soort uitdrukkingen weleens te horen. Iedereen die af en toe zwaar sport kent het pijnlijk brandende gevoel dat het einde inluidt. Je benen lijken inderdaad vol te stromen met vermoeidheid, wat dat ook mag zijn, en alle kracht vloeit weg. Je wilt nog wel, maar het lukt niet meer.
...

'Helemaal verzuurd, man. Mijn benen schoten vol.' Tijdens interviews na intensieve wedstrijden, zoals veldrijden, krijg je dit soort uitdrukkingen weleens te horen. Iedereen die af en toe zwaar sport kent het pijnlijk brandende gevoel dat het einde inluidt. Je benen lijken inderdaad vol te stromen met vermoeidheid, wat dat ook mag zijn, en alle kracht vloeit weg. Je wilt nog wel, maar het lukt niet meer. Lange tijd voelde men zich erg zeker over de oorzaak van vermoeidheid: melkzuur was de schuldige. Veel sporters denken dat nog altijd: melkzuur blokkeert de spieren en zorgt voor schade, wat enkele dagen later de bekende 'stijve spieren' oplevert. 'Verzuring' was ook de reden waarom men het melkzuur ging meten tijdens trainingen. Want de concentratie in het bloed gaf aan vanaf wanneer vermoeidheid zou optreden en dat was handig om weten om de training op te volgen. Hoe meer melkzuur een atleet kon verdragen, hoe langer hij kon volhouden, zo heette het toen. Maar de inzichten zijn veranderd. We weten nu dat melkzuur niet de oorzaak is van vermoeidheid. Integendeel zelfs. Spieren stapelen geen melkzuur op als ze vermoeid zijn omdat, heel eenvoudig, melkzuur een bron is van energie. Net zoals suiker. Melkzuur is geen hinderlijk afvalproduct, het is een hulpmiddel dat het lichaam aanmaakt om intensieve inspanningen vol te houden. Alle melkzuur dat het lichaam aanmaakt, wordt bijna onmiddellijk weer verbruikt. Er zijn zelfs aanwijzingen dat melkzuur de spiercellen beschermt en beter doet werken tijdens intensieve inspanningen. Kortom, zonder melkzuur zijn hoogintensieve inspanningen niet mogelijk. Ondertussen blijven we melkzuur gebruiken als indicator voor het trainingseffect. Dat hebben we behouden, want hoe meer melkzuur een sporter kan aanmaken, hoe langer en intenser hij kan volhouden. Waar loopt het dan wel mis? Met calcium, zo blijkt. Spieren kunnen niet zonder kalk. Het is de aan- en afvoer van calcium via fijne kanaaltjes in de spiercellen (en -vezels) die de kleine elektrische stroompjes opwekt die hen doet samentrekken. Bij zware inspanningen beginnen die kanaaltjes te lekken, en dat heeft uiteenlopende gevolgen. Er gaat calcium verloren, waardoor de samentrekking van de spiervezels ontregeld raakt. Het calcium komt op plaatsen waar het niet moet zijn en verstoort het energieverbruik in de spiercellen, waardoor meer energie nodig is voor eenzelfde inspanning. Het calcium activeert bovendien andere stoffen, die de spiervezels beschadigen. Het verstoorde calciummechanisme werkt na zware inspanningen nog enkele dagen door, en dat is de reden waarom je in de dagen erna geen kracht meer hebt in je vermoeide spieren. Het dwingt je om tijd te nemen om te herstellen, wat begrepen kan worden als een beschermingsmechanisme tegen overbelasting. Er bestaat een stof die de calciumkanaaltjes (tijdelijk) beschermt tegen lekken. Ze is misschien nuttig voor de behandeling van mensen met een verzwakt hart en werd al getest bij muizen, maar nog niet bij mensen. Misschien duikt ze ooit op in de sport als een vorm van doping, want de muizen liepen alvast 10 tot 20 % langer dan normaal, wat in de sport een gigantisch verschil zou maken. Maar vermoeidheid komt niet alleen vanuit de spieren. De hersenen spelen ook mee. Het is maar logisch dat het grote controleorgaan in ons hoofd ervoor zorgt dat ons leven niet in gevaar komt bij zware inspanningen. Als iemand zegt compleet op te zijn en geen sik energie meer over te hebben, klopt dat natuurlijk niet, want anders zou hij ter plekke doodvallen. Je houdt altijd reserves over. Je kunt altijd nog bewegen en je hart blijft werken, maar niet langer met dezelfde kracht. Iets dwingt je het rustiger aan te doen. Volgens sommigen is dat vooral de vermoeidheid en schade in je spieren. Zij zouden je hersenen vertellen: 'Stop, zo kan het niet verder.' Volgens anderen zijn het de hersenen zelf die prikkels krijgen van overal in het lichaam en beslissen wanneer het genoeg is geweest. Voor- en tegenstanders voeren daar verhitte discussies over. Een van de argumenten is dat maximale inspanningstests vaak niet echt maximaal zijn. Tijdens de test gaan atleten tot het hen zwart voor de ogen wordt, maar tijdens de wedstrijd gaan ze nog een eind dieper, zo blijkt achteraf uit metingen. Waarom wordt het hen op dat ogenblik ook niet zwart voor de ogen, waar halen ze dat kleine beetje extra? Niemand die het weet. Al even opmerkelijk is de vaststelling dat onze spieren nooit maximaal ingezet worden, ook al denk je dat je alles geeft. Tijdens lange inspanningen wordt op elk moment slechts 35 tot 50 % van alle spiervezels ingezet, tijdens korte, maximale inspanningen stijgt dat tot hooguit 60 % . Toch bereikt het gevoel van vermoeidheid dan al een maximaal niveau. Ook op dat vlak houdt het lichaam dus altijd een zekere reserve, ongetwijfeld vanuit een overlevingsreflex en het is weinig waarschijnlijk dat die vanuit de spieren komt. Heel wat factoren wijzen in de richting van het hoofd als centrale controleur van wat wij als vermoeidheid ervaren. Vermoeidheid is een emotie, stellen onderzoekers die deze theorie aanhangen, en emotie is subjectief. Het is een persoonlijke ervaring die door allerhande factoren beïnvloed kan worden. Bijvoorbeeld door naar muziek te luisteren, want wie dat doet, raakt minder snel vermoeid. Of door te knoeien met snelheid en tijd, zo leert onderzoek, want testpersonen hielden langer vol wanneer de tijd op een klok voor hen wat trager liep of de kilometerteller van hun loopband een lagere snelheid aangaf. Cafeïne doet ook iets met het vermoeidheidsgevoel in het hoofd. Het zou dat ook in de spiervezels kunnen doen, maar dan moet je er zodanig veel van innemen dat het giftig wordt. Het is dus duidelijk dat vermoeidheid meer is dan een verschijnsel dat zich uitsluitend in de spieren afspeelt. Voor het in de spieren op is, heeft het hoofd waarschijnlijk allang beslist dat het tijd is om ermee op te houden. Maar je kunt dat brein ook voor de gek houden; dopingdoden hebben ons geleerd hoe gevaarlijk dat is. Maximaal gaan en vermoeid raken, is dus relatief. Motivatie speelt een grote, misschien wel cruciale rol. Maar waarom bijt de ene atleet door en geeft de andere het op? Volgens sommige onderzoekers heeft dat te maken met de persoonlijkheid. Sommige atleten zijn volgens hen erfelijk zo gebouwd dat ze de pijn van vermoeidheid beter doorstaan. De atleten geven pas op wanneer ze erbij neervallen. Toch is die stelling moeilijk te bewijzen. Ze lijkt het complexe probleem van vermoeidheid al te eenvoudig terug te brengen tot slechts 1 aspect, terwijl er zo veel meer zijn: de lichaamstemperatuur, het gehalte koolzuurgas en zuurstof in het bloed, de lichaamstemperatuur, uitdroging, enzovoort. Vermoedelijk houden de hersenen wel degelijk rekening met al die factoren, maar wijzelf raken er nog steeds niet wijs uit.