Verlies van reuk en smaak kan een van de eerste aanwijzingen zijn dat je met het coronavirus bent geïnfecteerd. In de vele studies die symptomen van coronabesmettingen analyseren, varieert het aandeel besmette mensen die verlies van reuk en smaak rapporteren tussen de 40 en liefst 85 procent. Het wordt als een van de meest betrouwbare indicatoren voor een besmetting beschouwd, ook omdat het verlies zich vrij snel manifesteert.
...

Verlies van reuk en smaak kan een van de eerste aanwijzingen zijn dat je met het coronavirus bent geïnfecteerd. In de vele studies die symptomen van coronabesmettingen analyseren, varieert het aandeel besmette mensen die verlies van reuk en smaak rapporteren tussen de 40 en liefst 85 procent. Het wordt als een van de meest betrouwbare indicatoren voor een besmetting beschouwd, ook omdat het verlies zich vrij snel manifesteert. Als het coronavirus in geur- en smaakcellen binnendringt, lokt het een ontsteking uit waardoor die cellen hun piepkleine haartjes (cilia) afstoten die geur- en smaakmoleculen detecteren. Het verklaart waarom het verlies van reuk en smaak vaak heel plots is. In de meeste gevallen groeien de haartjes na het verdwijnen van de infectie weer aan, waardoor na gemiddeld een tiental dagen reuk en smaak terugkomen. Maar bij een klein aantal mensen houdt het verlies maandenlang aan. De vrees bestaat dat er dan permanente schade aan geur- en smaakvermogen kan zijn. Ook de oren kunnen worden aangetast door het coronavirus, hoewel het niet duidelijk is hoe dat precies gebeurt. Een overzichtsstudie in International Journal of Audiology concludeert dat 7,6 procent van de onderzochte coronapatiënten met gehoorverlies te kampen krijgt, en 14,8 procent met tinnitus (ononderbroken fluittonen in het oor). In de meeste gevallen verdwijnen de symptomen na het onder controle brengen van de infectie. De ogen lijken niet te lijden onder het coronavirus. Af en toe een lichtrode kleur kan op een ontsteking wijzen, maar die zou het zichtvermogen niet hinderen. Toch waarschuwen Peter Raus (VUB), oogarts en vicevoorzitter van de European Board of Ophthalmology, en zijn collega's er in het vakblad BMJ Open Ophthalmology voor dat de ogen een rol kunnen spelen in de coronapandemie. Bij 27 procent van de door hen onderzochte coronapatiënten troffen ze sporen van het coronavirus aan in de tranen. Dat was een stuk meer dan de 11 procent die in de schaarse eerdere studies, vooral uit China, geregistreerd werd. Mogelijk speelt de staalafnamemethodiek een rol in het verschil, want het is niet zo makkelijk om voldoende traanvloeistof te verzamelen om er sluitende diagnostische analysen op uit te kunnen voeren: de gemiddelde huilbui produceert slechts een milliliter traanvocht. Er zijn ook geen specifieke tests om naar virusdeeltjes in tranen te zoeken. Andere tests moesten daarvoor worden aangepast. Volgens Raus zijn de ogen, en specifiek het traankanaal, een onderschatte factor als mogelijke besmettingshaard voor het coronavirus - ze worden niet afgedekt door mondmaskers: 'De eerste klokkenluider in China die waarschuwde voor wat er met het coronavirus op komst was, was een oogarts. De man stierf zelf aan een infectie, mogelijk omdat hij besmet was geraakt tijdens zijn werk als oogarts. Het lijkt aannemelijk dat de aerosolen, die als de belangrijkste vector voor het coronavirus in de lucht worden beschouwd, via het traankanaal een lichaam kunnen infecteren. Het lijkt een stuk minder aannemelijk dat virusrestanten in het traanvocht van binnen in het lichaam komen. Het verkeer door het nasolacrimaal kanaal, waardoor tranen naar de achterkant van de neus kunnen stromen, loopt te veel in één richting om een infectie van de ogen vanuit de neus te kunnen verklaren. Het kan wel zorgen voor de verspreiding van virusdeeltjes uit de ogen naar de neus en de rest van het lichaam. Via traanvocht op de handen, bijvoorbeeld na wrijven in de ogen, zou een besmette persoon het virus ook aan anderen kunnen doorgeven.' Goed nieuws is dat het oogvocht virusdeeltjes kan verwijderen voor ze een lichaam infiltreren. Minder goed nieuws is dat cellen in het oogweefsel de ACE2-receptor kunnen dragen, die het coronavirus bij voorkeur gebruikt om cellen te infecteren. De onderzoekers vonden virusdeeltjes in de tranen van mensen met zowel milde als zware infecties, dus er is op het eerste gezicht geen link tussen de ernst van de infectie en de concentratie van virusrestanten in tranen. Toch willen Raus en zijn collega's hun inspanningen voortzetten. Ze hebben een nieuwe studie in de steigers staan, waarmee ze willen nagaan of traanvocht als een soort biomarker voor een corona-infectie kan worden gebruikt. 'Het is handiger om mee te werken dan bloedserum', stelt Raus. 'Tranen zijn gemakkelijker te bewaren dan serum en behouden tijdens transport hun eigenschappen. Er zijn indicaties dat een analyse van tranen zou volstaan om superspreaders van het virus te detecteren, zodat we hen tijdig zouden kunnen waarschuwen dat ze erg besmettelijk zijn.' Raus wijst erop dat er in tranen zo'n veertienhonderd verschillende peptiden (korte eiwitten) zitten, waarvan de meeste geen afvalproducten zijn. De Griekse filosoof Aristoteles dacht dat tranen een soort excretie waren, net als urine, maar dat klopt niet. Tranen zitten vol stoffen die bedoeld zijn om in de buitenwereld actief te zijn, onder meer met een signaalfunctie. Hun inhoud zou een afspiegeling zijn van wat er in ons bloed circuleert - de concentratie van afweerstoffen tegen het coronavirus in tranen is in ieder geval vergelijkbaar met die in het bloedserum. Er zouden nog interessante biomarkers uit tranen gehaald kunnen worden. Raus geeft het voorbeeld van de diagnostiek van de merker NT-proBNP uit de cardiologie, die gebruikt wordt om hartfalen aan te tonen. De evolutionaire biologie van het ontstaan van tranen en huilen is intrigerend. Baby's huilen aanvankelijk hartverscheurend. Ze dempen hun volume pas na een aantal maanden, als ze tranen kunnen produceren - in een prehistorische context met veel roofdieren was lawaai maken te mijden. In de adolescentie maakt huilen om overwegend fysieke redenen (pijn of honger) geleidelijk aan plaats voor huilen om emotionele redenen, in eerste instantie vooral negatieve. Pas later in het leven gaan mensen - vooral empathische mensen - meer huilen om redenen die als positief kunnen worden ervaren, zoals verjaardagen en huwelijken. Mensen zijn voor zover bekend de enige dieren waarbij tranen een psychologische component hebben gekregen. Mogelijk zijn ze aanvankelijk ontstaan om oogproblemen tegen te gaan, maar hebben ze geleidelijk een tweede functie gekregen in het rekruteren van aandacht en hulp. De koppeling van het traankanaal aan de ogen, die voor veel mensen belangrijk zijn om de intenties van anderen in te schatten, zou de link in de hand hebben gewerkt. Tranen zijn ook moeilijk te faken, waardoor ze als een 'eerlijk' signaal worden beschouwd.