Mineralen zijn net als vitaminen substanties in diverse voedingsproducten die we in kleine hoeveelheden nodig hebben voor een goede gezondheid. Mineralen zijn anorganische stoffen: ze komen voor in de natuur - in gesteente, in de grond - en komen via planten en dieren in onze voedselketen terecht. Een subgroep van mineralen zijn de spoorelementen. Het onderscheid is gebaseerd op de hoeveelheid die we dagelijks nodig hebben: van spoorelementen slechts microgrammen, van mineralen grammen. Voorbeelden van mineralen zijn calcium, kalium, natrium en magnesium, voorbeelden van spoorelementen zijn chroom, jodium, zink en selenium.
...

Mineralen zijn net als vitaminen substanties in diverse voedingsproducten die we in kleine hoeveelheden nodig hebben voor een goede gezondheid. Mineralen zijn anorganische stoffen: ze komen voor in de natuur - in gesteente, in de grond - en komen via planten en dieren in onze voedselketen terecht. Een subgroep van mineralen zijn de spoorelementen. Het onderscheid is gebaseerd op de hoeveelheid die we dagelijks nodig hebben: van spoorelementen slechts microgrammen, van mineralen grammen. Voorbeelden van mineralen zijn calcium, kalium, natrium en magnesium, voorbeelden van spoorelementen zijn chroom, jodium, zink en selenium. Tekorten aan mineralen en spoorelementen komen in de westerse samenleving zelden voor. Selenium, of seleen, is een spoorelement waarvan een volwassen man of vrouw ongeveer 70 microgram per dag nodig heeft. Het zit in veel voedingsmiddelen: vis, vlees, volkorenproducten, noten, zuivel en groenten. Seleniumtekorten zijn uiterst zeldzaam bij ons. Toch wordt selenium vaak toegevoegd aan multivitamine- en multimineralenpreparaten en wordt het ook afzonderlijk als supplement verkocht. Het is zelfs een van de populaire voedingssupplementen om kanker te voorkomen. Selenium werkt als antioxidant. Dat betekent dat het vrije radicalen - dat zijn substanties die ons lichaam schade kunnen berokkenen - kan neutraliseren. Vrije radicalen ontstaan bijvoorbeeld door te roken of door overmatige blootstelling aan zonlicht. Onze voeding zit overigens vol antioxidanten. Veel vitaminen en spoorelementen zijn antioxidanten. Dat ze beschermen tegen kanker is nooit aangetoond, en een teveel van deze antioxidanten blijkt zelfs schadelijk. In dit verhaal is selenium een speciaal geval. In het verleden hebben enkele grote studies aangetoond dat selenium het risico op prostaatkanker en blaaskanker kan verminderen. Om die reden kreeg selenium een antikankeretiket en werd het een populair voedingssupplement voor kankerpreventie. Tot 2009 werd selenium zelfs aanbevolen door artsen aan mannen met prostaatkanker om progressie van de tumor te voorkomen. Een placebogecontroleerde studie had uitgewezen dat selenium het risico op prostaatkanker met 63% verminderde (Nutritional Prevention of Cancer-studie, 1994). De studie werd in 2009 opnieuw uitgevoerd (SELECT-studie 2009) en kon het gunstige resultaat niet bevestigen. Eerder integendeel: de mannen die extra selenium slikten, bleken in deze studie een ietsje groter risico op prostaatkanker te hebben. Kankerexperts beslisten toen om selenium niet langer aan te bevelen. De verklaring voor de tegenstrijdige resultaten werd gevonden in de toedieningsvorm van selenium. Terwijl men in de jaren 90 geseleniseerde gist gebruikte als supplement, is men later overgestapt naar een zuiverder vorm van selenium, selenomethionine. De gist bleek op lange termijn namelijk toxisch. De huidige supplementen bevatten enkel nog selenomethionine, waarvan de effecten alvast niet vergelijkbaar zijn met die van geseleniseerde gist, laat staan met die van selenium uit de voeding. Iets gelijkaardigs werd vastgesteld voor selenium en blaaskanker. Mensen met een hoge concentratie selenium in het bloed hebben minder risico op blaaskanker. Dus kun je veronderstellen dat seleniumsupplementen het risico op blaaskanker verminderen. Ook dat blijkt helemaal niet te kloppen, integendeel. Mensen die extra seleniumsupplementen slikken, ontwikkelen net wat vaker blaaskanker in vergelijking met mensen die dat niet doen. Seleniumsupplementen werden in tal van wetenschappelijke studies onder de loep genomen. De conclusie is eensluidend: niet slikken, want ze bieden geen enkel voordeel, maar mogelijk wel een nadeel. Er bestaat ook Belgisch onderzoek, van arts en wetenschapper Maria Goossens (Kankercentrum, Sciensano), die haar doctoraal proefschrift wijdde aan selenium en blaaskanker. Zij onderzocht of er een verschil bestaat tussen de opname van selenium via groenten en de opname via supplementen. Uit haar onderzoek blijkt dat personen met een hoge seleniumspiegel als gevolg van de inname van seleniumsupplementen een hoger risico lopen op het ontwikkelen van blaaskanker, terwijl dat niet geldt voor mensen die de supplementen niet slikken. Heb je daarentegen een hoge seleniumspiegel omdat je extra groenten eet, dan daalt je risico op blaaskanker: hoe meer groenten, hoe kleiner je risico. Spoorelementen, zoals selenium, kunnen zich helemaal anders gedragen als je ze inneemt in een pilletje dan als je ze inneemt via de voeding. Helemaal onlogisch is dat niet. De stoffen hebben zeer krachtige effecten, die in 2 richtingen kunnen werken. Via de voeding kun je nooit overdoseren, maar met supplementen moet je extra voorzichtig zijn. Het idee dat je ongezonde eetgewoonten kunt compenseren door supplementen te slikken, gaat ook helemaal niet op. Lukraak supplementen - zowel vitaminen als mineralen - slikken voor je gezondheid is dus geen goed idee. Behalve voor selenium werden ook al voor andere spoorelementen en vitaminen ongunstige effecten aangetoond op de gezondheid, vooral als je ze te hoog doseert. Onderzoek leert dat gezonde eetgewoonten de levensverwachting en -kwaliteit verbeteren, terwijl supplementen dat niet doen. Vraag steeds advies aan je arts of apotheker: supplementen zijn enkel bedoeld voor bepaalde risicogroepen of bij een aangetoond tekort.