Sommige kinderen eten alles, andere lusten bijna niets. Openheid voor nieuwe smaken komt niet uit de lucht vallen. Die ontwikkelt zich al voor de geboorte, zodra de smaakpapillen de nodige verbindingen hebben aangelegd met de smaakcentra in de hersenen. Dat proces vangt aan rond de zesde maand van de zwangerschap en loopt door tot in de vroege kindertijd. Kinderen staan meer open voor de smaakstoffen die ze in die periode aangeboden krijgen.

Dat baby's via de borstvoeding veel smaken leren herkennen, vinden we vanzelfsprekend, maar dat dat ook al voor de geboorte gebeurt, is minder bekend. Het mechanisme is nagenoeg hetzelfde als bij moedermelk: smaakstoffen migreren vanuit de voeding via het bloed naar het vruchtwater, waarvan baby's geregeld wat inslikken. Dat kinderen voor de geboorte met smaken in aanraking komen, betekent niet dat ze die later zullen appreciëren. Het maakt wel dat ze zich er iets soepeler voor opstellen. Als kinderen de kaap van 2 jaar gerond hebben, wordt het veel moeilijker om een afkeer van bepaalde voedingsmiddelen nog te overwinnen. Maar de ontwikkeling van de smaak evolueert in de loop van het leven en blijft dus een avonturentocht.

Dat kinderen voor de geboorte met smaken in aanraking komen, betekent niet dat ze die later zullen appreciëren. Het maakt wel dat ze zich er iets soepeler voor opstellen., istock
Dat kinderen voor de geboorte met smaken in aanraking komen, betekent niet dat ze die later zullen appreciëren. Het maakt wel dat ze zich er iets soepeler voor opstellen. © istock

Genetische hardware

De hardware die je meekrijgt, speelt ook een rol in de smaakvorming. Op dat vlak ontstaan de laatste tijd snel nieuwe inzichten, die belangrijk kunnen zijn om kinderen gezonde en gevarieerde voedingspatronen bij te brengen. Alles draait om de bouwplannen voor de smaakreceptoren die in onze genen opgeslagen liggen. Onderzoekers zijn nog maar net begonnen met het in kaart brengen van het smaakgenoom en hebben er nog geen flauw idee van waar dat hen zal brengen. In principe kan dat behoorlijk ver gaan, want mensen beschikken gemiddeld over ongeveer 10.000 smaakknoppen van 50 tot 100 smaakcellen elk, met daarop een verscheidenheid aan receptoren.

Tegelijk zien we dat de smaak, in tegenstelling tot de reuk, weinig bijbrengt aan smaaknuances. Misschien omdat de rol van de smaak zich vooral beperkt tot het snel kunnen beslissen of een voedingsmiddel veilig is. Op alles wat te zout, te zuur of te bitter is, reageren we instinctief met walging of afwijzing.

De genen van de smaakreceptoren vertonen subtiele nuances. Dat leidt ertoe dat sommige mensen een smaak als onverdraaglijk sterk ervaren, andere hem doenbaar of zelfs lekker vinden en nog andere hem helemaal niet opmerken, met alle gradaties tussenin. De gevolgen daarvan zijn nog niet duidelijk, maar het lijkt weinig waarschijnlijk dat een smaak die je niet kunt waarnemen een grote weerslag heeft op je voedingsgewoonten. Een sterke genetische afkeer van specifieke smaken kan dat wel hebben, bijvoorbeeld door je voedingsvariatie sterk te vernauwen, maar het is nog onduidelijk of die afkeer in de loop van het leven wijzigt. Misschien verklaart het wel waarom volwassenen en oudere mensen bittere smaken vaak waarderen, terwijl kinderen ze bijna altijd weigeren.

Bovendien mogen we smaakreacties niet afzonderlijk bekijken. Ze lijken ook samen te hangen. Een grote gevoeligheid voor bitter gaat bijvoorbeeld vaak samen met een grote voorkeur voor zoet. Is dat een aangeleerde gewoonte om de bittere smaken te maskeren of blokkeert zoet de bitterreceptoren in de smaakknoppen? Niemand die het weet, maar al die onbekende factoren maken de opvoedende taak van de ouders er niet eenvoudiger op.

Bruikbare richtlijnen

Het woord superproever roept spontaan het idee van fijnproever op. Maar het slaat op iets totaal anders: een sterke gevoeligheid voor smaken. Dat is geen positieve eigenschap, want voor superproevers gaan smaken vlug onaangenaam overheersen, waardoor ze sneller stoppen met eten. Dat ze veel meer smaakknoppen hebben dan gemiddeld speelt waarschijnlijk een belangrijke rol. Het zijn vaak moeizame eters, die slechts wat nippen van gerechten. Gemiddeld zijn ze slanker dan mensen met een minder fijn smaakgevoel, en dat is dan weer positief.

Het is uitkijken naar het tijdstip waarop deze nieuwe inzichten bruikbare richtlijnen voor de praktijk opleveren. Ondertussen is de vuistregel dat je kinderen het best zo vaak mogelijk en zo vroeg mogelijk in hun leven van allerlei voedingsmiddelen laat proeven. Ze hoeven niet eens veel te eten; slechts proeven zet hen al een eind op weg. Dat geldt in zekere zin ook voor moeders tijdens de zwangerschap: ze hoeven geen grote hoeveelheden te verstouwen, gevarieerd eten is veel beter.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Sommige kinderen eten alles, andere lusten bijna niets. Openheid voor nieuwe smaken komt niet uit de lucht vallen. Die ontwikkelt zich al voor de geboorte, zodra de smaakpapillen de nodige verbindingen hebben aangelegd met de smaakcentra in de hersenen. Dat proces vangt aan rond de zesde maand van de zwangerschap en loopt door tot in de vroege kindertijd. Kinderen staan meer open voor de smaakstoffen die ze in die periode aangeboden krijgen. Dat baby's via de borstvoeding veel smaken leren herkennen, vinden we vanzelfsprekend, maar dat dat ook al voor de geboorte gebeurt, is minder bekend. Het mechanisme is nagenoeg hetzelfde als bij moedermelk: smaakstoffen migreren vanuit de voeding via het bloed naar het vruchtwater, waarvan baby's geregeld wat inslikken. Dat kinderen voor de geboorte met smaken in aanraking komen, betekent niet dat ze die later zullen appreciëren. Het maakt wel dat ze zich er iets soepeler voor opstellen. Als kinderen de kaap van 2 jaar gerond hebben, wordt het veel moeilijker om een afkeer van bepaalde voedingsmiddelen nog te overwinnen. Maar de ontwikkeling van de smaak evolueert in de loop van het leven en blijft dus een avonturentocht. De hardware die je meekrijgt, speelt ook een rol in de smaakvorming. Op dat vlak ontstaan de laatste tijd snel nieuwe inzichten, die belangrijk kunnen zijn om kinderen gezonde en gevarieerde voedingspatronen bij te brengen. Alles draait om de bouwplannen voor de smaakreceptoren die in onze genen opgeslagen liggen. Onderzoekers zijn nog maar net begonnen met het in kaart brengen van het smaakgenoom en hebben er nog geen flauw idee van waar dat hen zal brengen. In principe kan dat behoorlijk ver gaan, want mensen beschikken gemiddeld over ongeveer 10.000 smaakknoppen van 50 tot 100 smaakcellen elk, met daarop een verscheidenheid aan receptoren. Tegelijk zien we dat de smaak, in tegenstelling tot de reuk, weinig bijbrengt aan smaaknuances. Misschien omdat de rol van de smaak zich vooral beperkt tot het snel kunnen beslissen of een voedingsmiddel veilig is. Op alles wat te zout, te zuur of te bitter is, reageren we instinctief met walging of afwijzing. De genen van de smaakreceptoren vertonen subtiele nuances. Dat leidt ertoe dat sommige mensen een smaak als onverdraaglijk sterk ervaren, andere hem doenbaar of zelfs lekker vinden en nog andere hem helemaal niet opmerken, met alle gradaties tussenin. De gevolgen daarvan zijn nog niet duidelijk, maar het lijkt weinig waarschijnlijk dat een smaak die je niet kunt waarnemen een grote weerslag heeft op je voedingsgewoonten. Een sterke genetische afkeer van specifieke smaken kan dat wel hebben, bijvoorbeeld door je voedingsvariatie sterk te vernauwen, maar het is nog onduidelijk of die afkeer in de loop van het leven wijzigt. Misschien verklaart het wel waarom volwassenen en oudere mensen bittere smaken vaak waarderen, terwijl kinderen ze bijna altijd weigeren. Bovendien mogen we smaakreacties niet afzonderlijk bekijken. Ze lijken ook samen te hangen. Een grote gevoeligheid voor bitter gaat bijvoorbeeld vaak samen met een grote voorkeur voor zoet. Is dat een aangeleerde gewoonte om de bittere smaken te maskeren of blokkeert zoet de bitterreceptoren in de smaakknoppen? Niemand die het weet, maar al die onbekende factoren maken de opvoedende taak van de ouders er niet eenvoudiger op. Het woord superproever roept spontaan het idee van fijnproever op. Maar het slaat op iets totaal anders: een sterke gevoeligheid voor smaken. Dat is geen positieve eigenschap, want voor superproevers gaan smaken vlug onaangenaam overheersen, waardoor ze sneller stoppen met eten. Dat ze veel meer smaakknoppen hebben dan gemiddeld speelt waarschijnlijk een belangrijke rol. Het zijn vaak moeizame eters, die slechts wat nippen van gerechten. Gemiddeld zijn ze slanker dan mensen met een minder fijn smaakgevoel, en dat is dan weer positief. Het is uitkijken naar het tijdstip waarop deze nieuwe inzichten bruikbare richtlijnen voor de praktijk opleveren. Ondertussen is de vuistregel dat je kinderen het best zo vaak mogelijk en zo vroeg mogelijk in hun leven van allerlei voedingsmiddelen laat proeven. Ze hoeven niet eens veel te eten; slechts proeven zet hen al een eind op weg. Dat geldt in zekere zin ook voor moeders tijdens de zwangerschap: ze hoeven geen grote hoeveelheden te verstouwen, gevarieerd eten is veel beter.