Rond het jaar 2000 verkondigden autoriteiten van de American Academy of Pediatrics nog dat kinderen en jongeren extra gevoelig zijn voor oververhitting. Bij een hittegolf kregen ouders en begeleiders de raad om kinderen en adolescenten zeker niet langer dan een kwartiertje het hart uit het lijf te laten lopen, ook al amuseerden ze zich geweldig. Te gevaarlijk, luidde hun opinie toen. Want kinderen zouden hun lichaamstemperatuur minder goed kunnen controleren, minder zweten en sneller gevaarlijk verhit raken.

Achterhaald onderzoek ligt aan de basis van hardnekkige misvattingen.

Fout, al blijven ook nu nog altijd veel mensen daarvan overtuigd. Kromme vergelijkingen met volwassenen en slecht onderzoek ligt aan de basis van deze hardnekkige misvattingen. Het idee dat de warmtehuishouding bij kinderen nog onrijp is en pas bij de jongvolwassenen volledig tot ontwikkeling komt, is ondertussen al jaren compleet achterhaald.

In 2011 hebben de Amerikaanse pediaters hun advies dan ook aangepast. Maar foute overtuigingen verdwijnen, spijtig genoeg, slechts erg traag.

Vergelijkbare kachels

Lange tijd werd gedacht dat de spieren en het bewegingsapparaat van kinderen minder efficiënt werken dan die van volwassenen. Maar de oorspronkelijke studies maakten een typische denkfout. Ze plaatsten bijvoorbeeld kinderen en volwassenen op een loopband en lieten hen beide aan dezelfde snelheid lopen. Bijvoorbeeld aan 8 kilometer per uur.

Maar die inspanning is niet voor iedereen even zwaar. Frêle jongetjes van minder dan 10 presteren dan gemiddeld al aan bijna 75 procent van wat ze maximaal kunnen. De 15-jarigen aan iets meer dan 60 procent, maar volwassenen slechts aan 55 procent. Een immens verschil.

De studies hielden in die beginjaren spijtig genoeg geen rekening met de veel kortere beentjes van de kinderen, waardoor veel meer passen moeten zetten dan de volwassenen. En élke pas kost extra energie.

Kinderen bewegen voor hun afmetingen even efficiënt als volwassenen.

Wanneer je dergelijke fouten wegwerkt door iedereen bijvoorbeeld aan 60 procent van zijn maximaal vermogen te laten lopen, dan blijken kinderen voor hun afmetingen even efficiënt te bewegen als volwassenen, evenredig veel energie te verbruiken en in vergelijking evenveel warmte te produceren. Spieren zetten immers slechts 20 tot 25 procent van de verbruikte energie om in beweging of kracht. De rest komt vrij als warmte. Daarmee is een eerste misvatting onderuit gehaald: kinderen produceren niet meer warmte wanneer ze bewegen dan volwassenen.

Kinderen koelen efficiënter

Kinderen zijn wel gevoeliger voor klimaatsomstandigheden dan volwassenen. Hun reservoir, de lichaamsmassa, is kleiner en ze hebben in vergelijking een ongeveer 20 procent groter huidoppervlak zodat ze via uitstraling meer warmte verliezen aan hun omgeving. Denk even aan een warme drank. In een kop blijft die vrij lang heet, maar giet hem uit over een tafel en alle warmte is binnen de kortste keren verdwenen. Dat speelt dus ook bij kinderen die door hun groter huidoppervlak gemakkelijker afkoelen en kou krijgen.

Er zijn geen bewijzen dat kinderen sneller opwarmen.

Omgekeerd maakt het grotere huidoppervlak kinderen in theorie gevoeliger voor passieve opwarming. Dat effect zou echter alleen kunnen optreden wanneer de omgevingstemperatuur hoger is dan de lichaamstemperatuur. Dus pas wanneer het warmer is dan 38 graden en zulke tropische hitte blijft nog altijd erg zeldzaam in onze streken.

Er zijn echter op dit moment geen bewijzen dat kinderen effectief sneller opwarmen. Studies van de huidtemperatuur van volwassenen en kinderen na inspanningen in een omgevingstemperatuur van 41 en 48 graden toonden geen verschillen aan. Met andere woorden, in een heel warme omgeving warmen kinderen niet sneller passief op dan volwassenen.

Stevige zweters

Sommige kinderen druipen letterlijk van het zweet, terwijl andere er nog relatief droog bijlopen ook al zijn ze even fel bezig. Zulke individuele verschillen zie je ook bij volwassenen, maar gemiddeld zweten kinderen minder dan volwassenen. Volgens oudere studies zelfs tot de helft minder. Aan het aantal zweetkliertjes kan het niet liggen want dat ligt vast rond 3 jaar.

Kinderen zweten ook minder snel dan volwassenen en lijken dus minder gevoelig voor stijgende temperaturen. Ze produceren ook kleinere zweetdruppeltjes. Sommigen spreken daarom van een 'onderontwikkeld zweetmechanisme' dat een inhaalbeweging zou maken tijdens de puberteit onder de invloed van hormonen als testosteron. Maar dat is niet bewezen.

Het aantal zweetkliertjes ligt al vast rond de leeftijd van 3.

De cruciale vraag is of die lagere zweetproductie nadelig uitdraait voor kinderen. Het antwoord daarop is onduidelijk. Kleinere druppeltjes zweet vloeien minder snel samen en verdampen gemakkelijker waarbij ze warmte onttrekken aan het lichaam. Wegstromende beekjes zweet zien er wel indrukwekkend zijn, maar ze leveren nauwelijks enige koeling op. Zweet koelt vooral wanneer het verdampt. In die zin zijn kinderen dus misschien beter af, maar dat blijkt niet uit studies. Uiteindelijk lijken kinderen tijdens inspanningen in dezelfde mate af te koelen door verdampend zweet als volwassenen.

Efficiënte straalkacheltjes

Spelende of sportende kinderen voelen wel vaak erg warm aan, maar dat mag ons niet misleiden. We zijn immers veel minder geneigd om zweterige volwassenen te knuffelen dan een kind dat enthousiast van zijn spel komt aanlopen. Kinderen zijn wel meer efficiënte straalkacheltjes dan volwassenen. Van zodra de lichaamstemperatuur oploopt, stuurt het lichaam meer bloed naar de bloedvaten onder de huid die zich ook nog eens breed openzetten. Via straling raken we zo warmte kwijt aan de omgeving. Het is een belangrijk koelingmechanisme dat beter werkt naarmate de omgevingstemperatuur lager is. Bij kinderen werkt dit mechanisme beter dan bij volwassenen. Zij kunnen meer bloed afleiden naar hun onderhuidse bloedvaten. Waarom deze interessante eigenschap verdwijnt met het opgroeien, is onduidelijk.

Gulzigere drinkers

Wat geldt voor de volwassen bevolking, geldt ook voor kinderen: een heleboel drinken te weinig. Maar het is fout om daaruit te besluiten dat kinderen meer risico's lopen dan volwassenen. Sportieve kinderen, zo heeft men gezien, drinken bij warm weer spontaan meer dan volwassenen. Ze drinken vaak zo goed dat er nauwelijks sprake is van uitdroging. Er is dus geen reden meer om nog langer aan te nemen dat kinderen hun dorst minder goed zouden aanvoelen en daardoor een groter gevaar lopen op uitdroging en een hitteslag.

Kinderen drinken spontaan meer dan volwassenen.

Volwassenen drinken meer wanneer ze een sportdrank of een gezoete drank voorgeschoteld krijgen. Bij kinderen speelt dat blijkbaar minder. Ze lijken even goed en evenveel van water te drinken als van sportdrank of andere gezoete drank. We spreken hier wel van spontaan drinkgedrag, bijvoorbeeld bij kinderen die op zomerse dagen ravotten in een tuin, in een bos, op een strand enzovoort.

Tijdens competitieve activiteiten kan dit misschien anders zijn, maar hierover bestaat nog geen onderzoek. Bovendien horen kinderen geen zware sportwedstrijden te spelen in omstandigheden die hun gezondheid in gevaar kunnen brengen. Als er al wedstrijden gespeeld worden, moeten die zodanig georganiseerd zijn dat de spelertjes kunnen drinken wanneer ze willen.

Neen, geen groter risico voor een hitteslag

Het ultieme argument dat kinderen zogezegd meer risico lopen op een hitteslag, is het ontbreken van gegevens in die zin. De hogere sterftecijfers voor kinderen tijdens hittegolven blijkt alleen te slaan op de allerkleinsten, namelijk op kinderen jonger dan 4 jaar. En dat heeft alles te maken met hun afhankelijkheid van volwassenen, met verwaarlozing en met chronische aandoeningen waaraan deze slachtoffertjes leden. Dergelijke omstandigheden hebben niets te maken met gezonde kinderen die spelen of sporten onder een stralende zon, zelfs wanneer het heel, heel warm is.

Kinderen kunnen even goed tegen de hitte als volwassenen.

Maar er is nog meer: er zijn in de medische literatuur zelfs geen meldingen bekend van ernstige hitteslagen bij kindatleten. Er kan wel eens een kind onwel worden op warme dagen, maar dat doen kinderen ook wanneer het minder warm is.

Besluit

Kinderen kunnen dus even goed tegen de hitte als volwassenen, op voorwaarde dat ze op hun eigen tempo bezig mogen zijn. Ze presteren ook even goed in de hitte. Maar volwassenen mogen niet van hen eisen dat ze even snel kunnen stappen of fietsen. Volwassenen dienen hun tempo in alle omstandigheden aan te passen aan wat de kinderen aankunnen. Kleinere mensen hebben het nu eenmaal moeilijker om grotere bij te houden. Een volwassene van 1,6 meter moet al flink doorstappen, soms zelfs een lichte looppas aanhouden om een stevige stapper van 2 meter lengte bij te houden. Als dat al geldt voor volwassenen, dan geldt het nog sterker voor kinderen die nog kleiner zijn.

Dat kinderen even goed tegen de hitte kunnen als volwassenen en spontaan voldoende drinken, garandeert niet dat er geen problemen kunnen opduiken. Volwassenen blijven altijd verantwoordelijk voor de kinderen die aan hen toevertrouwd zijn. Ze horen hen in het oog te houden en tijdig in te grijpen wanneer iets mis dreigt te lopen. Maar we moeten hen geen andere maatregelen opleggen dan volwassenen. En hen zeker niet binnen te houden of spelen en sporten te verbieden bij warm weer. Ze bewegen zo al te weinig. Laat staan dat we het nog erger zouden maken.