...

Volgens het paleodieet doen we er goed aan terug te keren naar de voedingsgewoonten van onze voorouders. Want in haar 2 miljoen jaar lange voorgeschiedenis heeft onze genetische bibliotheek zich aangepast aan de voedingsmiddelen die voorhanden waren. Volgens de voorstanders van het paleodieet waren dat vooral (mager) vlees, vis, planten (groenten?), fruit, wortelen, knollen, eieren en noten. Alles wild uiteraard, want we spreken van het tijdperk waarin de landbouw nog niet uitgevonden was.De opkomst van de landbouw betekent voor de aanhangers van het paleodieet overigens een eerste breuk met het verleden, waarna het verkeerd begon te lopen met de voeding, onder meer door het gebruik van granen en melk. Maar na de industriële revolutie ging het pas echt fout, met de opkomst van geraffineerde producten zoals bloem, suiker en olie, de doorgedreven veeteelt en landbouw en het grote verbruik van zout. Al die veranderingen zijn té recent voor genetische aanpassingen en dat zou de epidemie van overgewicht en een hele rist chronische aandoeningen verklaren. Er zit waarheid in die visie, maar ze is helaas ook oversimplistisch.We laten ons te vaak leiden door romantische beelden, bijvoorbeeld van de neanderthaler als heroïsche jager in een door sneeuw en ijs geteisterd Europa. De wereld zit complexer in elkaar.De voorhistorische mens at vooral mager vlees, is een van de hardnekkigste overtuigingen van de paleodieetaanhangers. Het is echter maar de vraag of dat werkelijk zo was. Uit een Israëlische studie blijkt dat de mens zijn energiebehoefte niet kan dekken met mager vlees. Een voeding die voor meer dan 50 procent op vlees berust, leidt tot een overbelasting van lever en nieren, en uiteindelijk tot uithongering. De primitieve mens raakte, volgens de Israëli's, alleen via extra vet in de voeding dagelijks aan voldoende energie. Planten brachten immers ook te weinig energie aan, omdat de primitieve mens ze nog rauw at.Wild kan bovendien afhankelijk van het seizoen behoorlijk vet vlees opleveren, nog een reden om de mythe van het magere vlees in twijfel te trekken. Kariboes bijvoorbeeld leggen voor de winter een flinke vetvoorraad aan. De voedingswaarde voor de mens bestaat bij hun maximale vetvoorraad tot 67 procent uit vet en slechts voor 33 procent uit eiwitten. Vet is trouwens een uitstekende energiebron, en het lijkt dus onwaarschijnlijk dat onze voorouders de randjes wegsneden. Er zijn eerder bewijzen van het tegendeel: ze braken botten open voor het vetrijke merg. Dat een deel van onze voorouders veel vet at, betekent natuurlijk niet dat wij nu hetzelfde moeten doen. Daarvoor verschilt het vet van wilde grazers te veel van dat van het hedendaagse gekweekte vee.Het is ook maar de vraag of het prehistorische dieet werkelijk zo schraal was aan koolhydraten. De Amerikaanse voedingsantropologe Alyssa Crittenden wijst er bijvoorbeeld op dat honing vermoedelijk ook in de prehistorie voor veel volkeren een belangrijke voedingsbron was. Dat suggereren toch de vele tot 40.000 jaar oude rotsschilderingen die het roven van honing van wilde bijen afbeelden.Hedendaagse plukker-jagervolkeren consumeren soms ook grote hoeveelheden honing. Bij de Hadza in Tanzania bijvoorbeeld dekt honing, hun hoogst gewaardeerde voedingsmiddel, tot 15 procent van de dagelijkse energiebehoefte. Omgerekend komt dit voor de gemiddelde Belg neer op 60 tot 120 gram per dag. Honing wordt nochtans bijna nooit vermeld in historisch voedingsonderzoek, vermoedelijk omdat men er nauwelijks sporen van terugvindt op archeologische sites. Dat geldt trouwens ook voor andere bronnen van zoetigheid, zoals dadels, vijgen, bessen, enzovoort. We kunnen echter rustig aannemen dat de schrandere prehistorische mens er gretig van at wanneer hij kon.De groep van voedingsmiddelen die het zwaarst aangevallen wordt in het paleodieet zijn 'moderne' granen zoals tarwe en rijst. Ze worden net niet als vergif gebrandmerkt. En toch. Volgens recent onderzoek was het gebruik van zetmeelhoudende planten, waaronder de zaden van wilde grassen, minstens 30.000 jaar geleden al vrij verspreid over heel Europa, tot zelfs in het relatief koude Rusland.De mens is ondertussen ook uitstekend uitgerust om zetmeel te verteren. Dat blijkt onder meer uit de grote genetische verscheidenheid, waarbij volkeren die veel koolhydraten eten meer genetische aanpassingen vertonen dan volkeren die vooral van dierlijke producten leven, zoals de Inuït en de Masai. Die genetische aanpassing lijkt al meer dan 200.000 jaar oud en heeft zich versneld doorgezet naarmate de mens meer van die hoogenergetische plantendelen is gaan eten. Het lijkt dus wat kortzichtig om ons voor de omschakeling in de voeding naar graangewassen alleen op die korte periode van 40.000 tot 10.000 jaar geleden in het Midden-Oosten te concentreren.Horen we het paleodieet dan maar aan de kant te schuiven als niets meer dan een leuk fantasietje? Zo ver hoeven we zeker niet te gaan, maar we mogen ons ook niet laten verleiden door al te eenvoudige voorstellingen van voorhistorische voedingspatronen. Het wordt immers steeds duidelijker dat de mens zich uitstekend wist aan te passen aan de zeer uiteenlopende voedingsbronnen die in de loop van zijn ontwikkelingsgeschiedenis voorhanden waren.Kortom, er zijn heel veel verschillende paleodiëten die we onmogelijk kunnen versmallen tot één paleodieet. Te veel geraffineerde voedingsmiddelen zijn niet optimaal voor de gezondheid. Daar twijfelt niemand meer aan. Maar granen een vergif noemen voor de mens, gaat te ver. We besteden waarschijnlijk veel beter meer aandacht aan de intrinsieke kwaliteiten en totale hoeveelheid van wat we momenteel eten dan aan de verdeling tussen eiwitten, koolhydraten en vetten, zolang we de excessen maar vermijden. Matigheid in alles en veel variatie lijken nog steeds een correcte leidraad voor een gezonde voeding.