De Europese Commissie stelde samen met de OESO - de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling - gezondheidsprofielen op voor elke Europese lidstaat plus IJsland en Noorwegen. Daarin wordt ingezoomd op zaken als de algemene gezondheidstoestand van de bevolking, de levensverwachting, de doeltreffendheid van het gezondheidsbeleid en het type zorgstelsel.

Eerst het goede nieuws: de Belgische gezondheidszorg doet het over het algemeen goed. De levensverwachting is hoger dan ooit, de acute zorg in ziekenhuizen is adequaat en dankzij de verplichte zorgverzekering is bijna de hele bevolking gedekt door gezondheidszorg.

Sociale ongelijkheid

Maar op een aantal gebieden presteert België heel wat minder goed dan de meeste West-Europese landen. Vooral op vlak van sociale gelijkheid is dat zo. De levensverwachting in België is met 81,6 jaar hoger dan het Europese gemiddelde, maar de laagst opgeleide mannen en vrouwen leven naar verwachting wel tot vijf jaar korter dan de hoogst opgeleide. Die kloof is bij de hoogste in West-Europa.

De verklaring is onder meer te vinden bij de blootstelling aan zogenaamde risicofactoren als roken, drinken en overgewicht. In 2018 rookte bijvoorbeeld meer dan een vijfde van de volwassenen met ten hoogste een diploma middelbaar onderwijs. Bij wie een hoger onderwijsdiploma had, was dat slechts tien procent. Bij obesitas gaat het om ongeveer dezelfde percentages.

De genoemde risicofactoren zijn gelinkt aan een aantal van de voornaamste doodsoorzaken in ons land: hart- en vaatziekten en longkanker.

Toegang tot de dokter

Een en ander kan ook te maken hebben met de toegankelijkheid tot de zorg. Hoewel nagenoeg elke Belg gedekt is door de verplichte zorgverzekering geven mensen in het laagste inkomenskwintiel (de laagste 20 procent, red.) veel vaker aan niet naar een arts te gaan als gevolg van de kostprijs, de afstand of wachttijden. In 2017 was dat voor ongeveer 7 procent van die inkomensgroep het geval, tegenover amper 0,1 procent van de Belgen in het hoogste inkomenskwintiel.

Het verschil in onvervulde medische behoeften tussen de armste en rijkste landgenoten is het grootste van alle West-Europese landen en ligt ook boven het Europese gemiddelde.

Voor tandzorg is het verschil zelfs nog groter: 11 procent van de Belgen in de laagste inkomensgroep had in 2017 een onvervulde behoefte aan tandzorg, tegenover 0,4 procent bij de hoogste inkomens.

Betere preventie

De grote verschillen zijn te merken in het gezondheidsgevoel van Belgen. In 2017 gaf ongeveer driekwart aan in goede gezondheid te verkeren, veel meer dan het Europese gemiddelde van ongeveer 66 procent. Maar Belgen met een hoger inkomen geven veel vaker aan in goede gezondheid te verkeren dan landgenoten in het laagste inkomenskwintiel: in 2017 was dat zelfs 90 tegenover amper 60 procent, een veel groter verschil dan in bijna alle andere West-Europese landen en ook hoger dan het EU-gemiddelde.

Volgens de Europese Commissie moet ons land voornamelijk inzetten op een betere preventie, bijvoorbeeld antirookcampagnes. De vroegtijdige sterfgevallen die te voorkomen zijn door betere preventie is hoger dan in de meeste andere West-Europese landen. Naast roken zijn ook zelfdoding, ongevallen en aan alcohol gerelateerde ziekten beter te voorkomen.