Van ablutofobie (angst voor baden en wassen) tot coulrofobie (angst voor clowns) en thanatofobie (angst voor de dood): het Wikipedialijstje met fobieën is zeer lang. Wie bang is voor clowns, zal daar in het dagelijkse leven weinig last van ondervinden. Maar wie aan ablutofobie lijdt, doet zichzelf - en zijn omgeving - natuurlijk geen groot plezier.
...

Van ablutofobie (angst voor baden en wassen) tot coulrofobie (angst voor clowns) en thanatofobie (angst voor de dood): het Wikipedialijstje met fobieën is zeer lang. Wie bang is voor clowns, zal daar in het dagelijkse leven weinig last van ondervinden. Maar wie aan ablutofobie lijdt, doet zichzelf - en zijn omgeving - natuurlijk geen groot plezier. Gelukkig zijn er allerlei therapieën voorhanden, en de meest onderzochte is exposure- of blootstellingstherapie. Alleen blijkt die niet overal even populair. Onderzoekers van de Technische Universiteit van Dresden trokken onlangs aan de alarmbel: uit een rondvraag bij 684 gedragstherapeuten bleek dat amper de helft bij angststoornissen kiest voor deze therapie. Voor ons land zijn geen cijfers voorhanden, weet klinisch psychologe Sara Scheveneels (KU Leuven). Zij schreef haar doctoraat over exposure. 'In Nederland zijn de cijfers veel hoopgevender: uit een bevraging uit 2015 blijkt dat bijna 98 procent van de gedragstherapeuten het toepast bij angststoornissen. Het zou zeker zinvol zijn om ook zo'n bevraging te doen in België, zodat we weten waar we staan.' Maar hoe werkt exposure nu eigenlijk? Volgens Scheveneels hebben fobieën en angststoornissen alles te maken met verwachtingen: je bent bang voor honden omdat je verwacht dat ze zullen bijten, je bent bang om te spreken voor publiek omdat je verwacht dat je fouten zult maken en iedereen je dom zal vinden, enzovoort. 'Dat is de reden waarom mensen bepaalde situaties of voorwerpen beginnen te vermijden. Het grote nadeel is natuurlijk dat die verwachtingen daardoor nooit worden getoetst aan de realiteit: als je nooit in de buurt van een hond komt, weet je niet of die echt zal aanvallen. Het concept van exposure is dat je dat wél doet. Zo raken die verwachtingen, die meestal niet kloppen, ontkracht en neemt de angst af. We zien zelfs op hersenscans dat de verbindingen tussen de prefrontale cortex en de amygdala (het angstcentrum) sterker worden na exposure-therapie. Dit is echt dé evidence based-techniek bij angststoornissen.' Tijdens haar doctoraat deed Scheveneels onder meer onderzoek bij studenten die angstig waren voor spinnen en ratten. Zij leerden niet langer weg te lopen van die dieren, maar de confrontatie aan te gaan. Al gebeurt dat natuurlijk niet één-twee-drie. Het is belangrijk dat mensen zelf inzicht krijgen in hun angst. Vervolgens start de confrontatie zelf. Die kan beginnen met een foto van een spin, of een plastic spin. Dan laat je mensen van een afstand naar een (afgesloten!) doos met een spin kijken. Vervolgens komen ze wat dichter en mogen ze de doos eens aanraken. Tot ze uiteindelijk zelf een spin durven aan te raken. Maar patiënten bepalen zelf op welk tempo ze die stappen doorlopen. Het is ook heel belangrijk dat ze nadien thuis blijven oefenen. Als ze opnieuw vervallen in vermijdingsgedrag, kan de angst weer even intens worden als vroeger.' Ook voor therapeuten vraagt het toepassen van exposure soms een extra inspanning. Als psycholoog heb je meestal voldoende aan een bureau met wat stoelen en een sofa, maar voor deze techniek moet je ineens ook spinnen en ratten inslaan. 'Het klopt dat er praktische hindernissen zijn', zegt Scheveneels. 'De sessies duren vaak langer - tot drie uur - en je moet je wel wat voorbereiden. Een bezoekje brengen aan het serpentarium hoort er af en toe bij. Bij sommige stoornissen is het ook belangrijk om naar de patiënt thuis te gaan. Zo werkt exposure ook voor mensen met dwang: zij checken zeer vaak of hun voordeur wel op slot is, bijvoorbeeld. Dat kun je het best in hun eigen omgeving aanpakken.' Maar soms is ook virtual reality een optie, zo blijkt uit recent onderzoek. 'Voor mijn doctoraat heb ik studenten met spreekangst presentaties laten geven voor een virtueel publiek. Ook dat bleek goede effecten te hebben. Praktisch heeft dat natuurlijk een aantal voordelen: je kunt patiënten heel gecontroleerd blootstellen aan verschillende situaties, op maat van hun specifieke angsten. En met een goede VR-bril lijkt het ook heel echt, je vergeet dat het maar iets virtueels is. Al denk ik wel dat je het altijd moet combineren met exposure in vivo, want álle angstige verwachtingen kun je met zo'n bril toch niet testen.'