Ongeveer 1 procent van onze bevolking kampt met epilepsieaanvallen, maar een derde van de patiënten reageert amper op de bestaande behandelingen. Wetenschappers zoeken naarstig naar een nieuwe aanpak.
...

Ongeveer 1 procent van onze bevolking kampt met epilepsieaanvallen, maar een derde van de patiënten reageert amper op de bestaande behandelingen. Wetenschappers zoeken naarstig naar een nieuwe aanpak. Een ploeg rond neuroloog Paul Boon (UGent) beschrijft in het vakblad Epilepsia de resultaten van preklinisch onderzoek van een nieuwe techniek bij muizen: chemogenetica. Bij die vorm van gentherapie worden cellen in de hersenen zo aangepast dat ze gevoelig worden voor een lage dosis van een geneesmiddel. Omdat de dosis zo laag is, heeft ze nergens anders in het lichaam een effect. Dat beperkt de kans op bijwerkingen. De finale bedoeling is om cellen in de hersenzone waar de epileptische aanvallen ontstaan, gevoeliger te maken voor medicatie. Zo zou de activiteit van die hersencellen onderdrukt worden, waardoor de aanvallen verminderen. De resultaten van proeven op de muizen werden als 'spectaculair' omschreven. Dat doet het beste verhopen. Epilepsie komt ook in Afrika voor. Infectioloog Bob Colebunders (Instituut voor Tropische Geneeskunde) onderzoekt er met zijn team specifieke vormen van de aandoening, zoals rivierepilepsie en knikkebolziekte. Dat levert een rist publicaties op, onder meer in International Health en Pathogens. De grote gemene deler in de verhalen zijn besmettingen met een draadworm die rivierblindheid veroorzaakt. Een besmetting als kind zou later in het leven epileptische aanvallen kunnen uitlokken. De strijd tegen de worm vertaalt zich dus ook in een vermindering van het aantal epilepsiegevallen.