Voor de allereerste jagers-verzamelaars was het betrekkelijk simpel: ze verzamelden en jaagden hun maaltijd bij elkaar en waren daarvoor afhankelijk van de waan van de dag én van elkaar. Werkten ze niet samen, dan had niemand genoeg eten. De zaken veranderden langzaam maar zeker toen die jagers-verzamelaars landbouwers werden. 'Tot ongeveer 4.000 voor Christus was ook die landbouw heel collegiaal georganiseerd en hadden ze elkaar nodig om te overleven', weet dokter Staf Henderickx van Geneeskunde voor het Volk. 'Maar zodra er overschot kwam, ontstond een zogenaamde redistributie-economie, waarbij de opbrengsten (her)verdeeld werden. En zag je hoe mensen door het zich toe-eigenen van voedsel en later landbouwgronden de macht in handen kregen.'
...

Voor de allereerste jagers-verzamelaars was het betrekkelijk simpel: ze verzamelden en jaagden hun maaltijd bij elkaar en waren daarvoor afhankelijk van de waan van de dag én van elkaar. Werkten ze niet samen, dan had niemand genoeg eten. De zaken veranderden langzaam maar zeker toen die jagers-verzamelaars landbouwers werden. 'Tot ongeveer 4.000 voor Christus was ook die landbouw heel collegiaal georganiseerd en hadden ze elkaar nodig om te overleven', weet dokter Staf Henderickx van Geneeskunde voor het Volk. 'Maar zodra er overschot kwam, ontstond een zogenaamde redistributie-economie, waarbij de opbrengsten (her)verdeeld werden. En zag je hoe mensen door het zich toe-eigenen van voedsel en later landbouwgronden de macht in handen kregen.'Zo ontstond een tweedeling. Aan de ene kant had je de elite die voldoende toegang tot voeding had en dus gevarieerd en gezond kon eten. Daarnaast was er het volk, dat vaak onvoldoende en weinig gevarieerd te eten kreeg. Die standenmaatschappij zag je onder andere bij de latifundia - grote landbouwbedrijven met slavenarbeid - bij de Romeinen en het feodale systeem in de middeleeuwen. Na de Tweede Wereldoorlog was er een periode met veel vrije boeren. Volks- en moestuinen waren tot in de jaren 80 heel normaal. Tot mensen de rekening maakten. De tijd, de kosten van het zaaigoed en de inspanning wogen niet op tegen de goedkopere groenten die de supermarkt kon leveren. Ontwikkelingen in machines, brandstof, transport, meststoffen en pesticiden leidden ertoe dat voeding een industrie werd. De voedselproductie en -consumptie kwamen steeds meer onder controle van de multinationals. 'De tweedeling tussen elite en volk zie je vandaag nog', beklemtoont dokter Henderickx. 'Nu zijn het de grote multinationals die alle grond en dus macht naar zich toe trekken. Er zijn nog altijd 1 miljard mensen die een tekort aan gezonde voeding hebben. De verdeling van voedsel verloopt nog altijd niet rechtvaardig.'De planten en dieren die de mens zo veel eeuwen voor Christus domesticeerde, maken nog altijd 90 % van ons dieet uit. Maar de manier waarop we aan dat voedsel komen, verschilt wel hemelsbreed van toen. We zijn veranderd van producenten in consumenten van de voedingsindustrie. Dat heeft zijn voordelen: we kunnen voeding vandaag goedkoper, makkelijker en beter produceren. Maar het heeft ook duidelijke nadelen. De industrie denkt in termen van winst, veeleer dan in termen van kwaliteit. Ze produceert niet wat nodig is, maar wat het best verkoopt. De monoculturen die vandaag gehanteerd worden, zijn bovendien kwetsbaarder voor extreme weersomstandigheden en ziekteplagen, wat zich kan vertalen in prijsstijgingen. Gronden worden uitgeput. De voedingsindustrie raakt ook steeds meer in de ban van de chemie. Pesticiden, smaak-, kleur- en bewaarstoffen worden gretig gebruikt om voeding aantrekkelijker, langer houdbaar en makkelijker en goedkoper te produceren te maken. Maar dat heeft gevolgen voor de voedselveiligheid en vertaalt zich in affaires zoals de dioxinecrisis en onlangs de fipronileieren. 'De beurs investeert ook sterk in voeding. Er wordt veel meer geld in gestoken dan de voeding eigenlijk waard is. Dat kan een gevaarlijke bubbel creëren, met alle gevolgen van dien als die ontploft', waarschuwt dokter Henderickx. Dat alles heeft uiteraard ook een impact op het milieu. Er gaat bijvoorbeeld gigantisch veel water naar de voedselproductie. Een rapport van de American Water Works stelt dat 70 % van de waterconsumptie naar de landbouw gaat. Een derde van dat water gaat naar vlees- en zuivelproductie. Voor een kilo biefstuk zijn 90 badkuipen water nodig. 'In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn voedselmastodonten - zeker op de lange termijn - minder rendabel voor de voedselproductie dan een kleiner familiebedrijf', stelt dokter Henderickx. 'Die kleinere boeren kennen hun stiel en de plaatselijke natuur. Hun landbouw is meer aangepast aan het ecosysteem en kan soepeler en correcter reageren op problemen. Deze boer is ook meer alert om zijn grond niet uit te putten.'Er komt verzet tegen de agro-industrie. Het besef groeit dat boeren en consumenten bondgenoten zijn. Staf Henderickx: 'Als consumenten duidelijk belang hechten aan lokaal, duurzaam en biologisch zullen de producenten volgen. Maar mensen hebben de neiging pas in actie te schieten als ze zelf veel nadeel ondervinden. Fipronil en dioxine waren niet genoeg. De vraag is dus hoe groot een voedselcrisis moet zijn om een echte omslag in de voedselproductie te realiseren.'