Gevangenisbaas Rudy Van De Voorde: ‘Ik pleit voor minder en kortere gevangenisstraffen’

© Filip Van Roe
Jeroen de Preter
Jeroen de Preter Redacteur Knack

Ondanks gestaag dalende criminaliteitscijfers zitten onze gevangenissen voller dan ooit. Volgens Rudy Van De Voorde, directeur-generaal voor het gevangeniswezen, valt die paradox alleen te verklaren door de maatschappelijke druk om zo zwaar mogelijk te straffen. ‘Terwijl de gevangenisstraf een wapen is dat je alleen mag inzetten als het echt niet anders kan.’

Een sombere middag aan de vooravond van het nieuwe jaar. In het kantoorgebouw waar we Rudy Van De Voorde ontmoeten, is het akelig stil. ‘Ik denk dat we vandaag de enigen zijn in het gebouw’, zegt hij. Het contrast met ons gespreksonderwerp kon niet groter zijn. Van De Voorde is de baas van het gevangeniswezen, een organisatie die kreunt onder het bijzonder hardnekkige probleem van overbevolking. Onder meer om die reden dreigen cipiers overal te lande met stakingen. Het meest prangend lijkt de situatie in Antwerpen. Zoals uit de fotoreportage op de voorgaande pagina’s blijkt: gedetineerden zitten er opgehokt in aftandse cellen die een menswaardig leven onmogelijk maken.

Geconfronteerd met het probleem – vandaag zitten er in die gevangenis bijna 800 gedetineerden, terwijl er maar plaats is voor de helft – wees minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) onlangs naar de vele arrestaties die volgden op het drugsonderzoek in het kader van Operatie Sky ECC. Die verklaring klopt maar gedeeltelijk. Een eenvoudige zoekopdracht in het media-archief leert dat het probleem allerminst nieuw is. ‘Omdat er begin deze week opnieuw meer dan 600 gevangenen in de Antwerpse gevangenis zaten voor 388 plaatsen,’ berichtte het persagentschap Belga bijna 20 jaar geleden, ‘legden de bewakers gisteren een dag het werk neer.’

Nooit had de wetenschap zo’n grote impact op de politiek als tijdens corona. Ik pleit voor een bestraffingsbeleid dat minstens evenveel zou luisteren naar de wetenschap als naar de tijdgeest.

Directeur Van De Voorde spreekt daarom van ‘een chronische ziekte’, eerder dan van een acute crisis. ‘Ik ben in 1991 voor justitie beginnen te werken. Dit probleem bestond toen al. Het is in al die decennia nooit fundamenteel aangepakt, omdat we in ons land lang bang waren om te beslissen over de bouw van nieuwe gevangenissen.

Vanwaar die angst?

Rudy Van de Voorde: Er werd gevreesd voor een aanzuigeffect: extra capaciteit zou voor nog meer gevangenen zorgen. Het heeft lang geduurd voor het inzicht kwam dat het aantal gevangenen ook zonder extra capaciteit bleef stijgen. Jarenlang is de overbevolking zo toegenomen, en mede daardoor zijn de gebouwen in snel tempo verouderd. Pas aan het begin van deze eeuw is er beslist om gevangenissen bij te bouwen, omdat het niet anders meer kon. De gevangenissen waren niet alleen overbevolkt, ze waren ook helemaal uitgewoond. Het waren bij wijze van spreken stallen geworden.

Dat zijn ze in veel gevallen nog altijd.

Van De Voorde: Grote infrastructuurwerken realiseren is helaas geen evidentie in dit land. De nieuwe gevangenissen in Haren en Dendermonde moesten vijf jaar geleden al in gebruik genomen worden. In werkelijkheid zullen ze pas eind dit jaar opengaan.

De nieuwe gevangenis in Antwerpen wordt pas in 2025 in gebruik genomen. In afwachting pleit de toezichtscommissie van het gevangeniswezen voor meer alternatieve straffen.

Van De Voorde: In theorie zou dat kunnen helpen, maar in de praktijk zien we dat alternatieven als de taakstraf of het elektronisch toezicht – hoe zinvol ze op zich ook mogen zijn – de cijfers niet deden dalen. Integendeel zelfs. Het elektronisch toezicht is eind jaren negentig ingevoerd. Intussen zitten bijna 3000 mensen in dat systeem. Tegelijk zitten de gevangenissen voller dan ooit.

Hoe verklaart u dat?

Van De Voorde: Wellicht speelt daar het fenomeen dat criminologen net widening noemen. Omdat het palet aan lichtere straffen de afgelopen decennia is uitgebreid, worden er nu misdrijven bestraft die vroeger onbestraft bleven. Dat heeft ook te maken met het binaire van het vroegere strafsysteem. Je kreeg een gevangenisstraf of je kreeg er geen. Daartussen was er niets.

Ziet u op de korte termijn een oplossing voor de overbevolking?

Van De Voorde: Nee. Je kunt het probleem niet aanpakken zonder in te grijpen in de wetgeving. En een wetgevend initiatief kost tijd. Minister Van Quickenborne heeft zich voorgenomen om nog deze ambtstermijn het strafwetboek aan te passen. In dat vernieuwde strafwetboek zou een aantal misdrijven niet langer in aanmerking komen voor een gevangenisstraf. Die aanpassing kan zeker een effect hebben, zij het uiteraard alleen op voorwaarde dat het om misdrijven gaat die vandaag een substantiële impact hebben op de gevangenisbevolking.

De overbevolking van de gevangenissen valt moeilijk te rijmen met de criminaliteitscijfers. Die zijn de afgelopen decennia systematisch gedaald.

Van De Voorde: Dat klopt. Jaar na jaar heb ik de commissaris-generaal van de politie met dalende criminaliteitscijfers zien zwaaien. Sociologen zullen het ook bevestigen: de wereld was nooit veiliger dan vandaag. Toch wekken de gevangenissen de indruk dat het tegendeel waar is. Dat brengt ons bij de kern van het probleem. De overbevolking in de gevangenissen is vooral het gevolg van de maatschappelijke druk om zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk in de gevangenis te zetten. Die druk zie je bijvoorbeeld heel duidelijk als een verdachte wordt vrijgelaten onder voorwaarden. Haast automatisch wordt dat gezien als een bewijs van de laksheid van justitie. Het is een bijna pavloviaanse reactie: zodra iemand wordt opgepakt, vinden we dat de verdachte onmiddellijk achter de tralies moet. Voor magistraten is het niet altijd makkelijk om niet toe te geven aan de druk.

GEVANGENIS BEGIJNENSTRAAT, ANTWERPEN. 'In de cel krijg je nauwelijks de kans om te laten zien of je klaar bent voor het leven erbuiten.'
GEVANGENIS BEGIJNENSTRAAT, ANTWERPEN. ‘In de cel krijg je nauwelijks de kans om te laten zien of je klaar bent voor het leven erbuiten.’© Filip Van Roe

U pleit voor minder gevangenisstraffen?

Van De Voorde: Minder, maar ook kortere. Ik zou vooral willen dat we het bestraffingssysteem in zijn totaliteit herdenken. Als wij denken aan misdaad en straf, denken we primair aan een gevangenisstraf. Terwijl de gevangenisstraf het alternatief zou moeten zijn. Het is een wapen dat je alleen zou mogen inzetten als het echt niet anders kan. En ja, we moeten ook de strafmaat herbekijken. De strafmaat is in België, zeker in vergelijking met andere West-Europese landen, bijzonder hoog. Net zoals de prijs die we daarvoor betalen. Een verblijf in de gevangenis maakt heel veel kapot. Niet alleen bij de dader, maar ook bij diens familie, vriendenkring en professionele omgeving. Die bijkomende schade in de gevangenis herstellen, kost heel veel energie en geld, en levert in veel gevallen nauwelijks iets op. We zouden beter wat vaker naar die collateral damage kijken.

Ik pleit er ook voor om ons licht op te steken bij de Scandinavische landen, de gidslanden op het vlak van gevangenisbeleid. De recidive is er veel minder groot, het aantal gedetineerden ligt er relatief gezien een stuk lager en de straffen duren er veel minder lang. Als mijn Zweedse collega over een lange gevangenisstraf spreekt, heeft hij het over een straf die langer duurt dan een half jaar. Wij spreken pas vanaf drie jaar van een lange straf. In Noorwegen is de aanpak vergelijkbaar. In 2011 vermoordde Anders Breivik er 77 mensen. Hij heeft daarvoor de maximumstraf van 21 jaar gekregen. Dat is bij ons ondenkbaar. Er zijn veel argumenten om ons beleid naar het Scandinavische voorbeeld te hervormen, maar in de praktijk is dat dus niet vanzelfsprekend. Je zou daarvoor ook de publieke opinie moeten overnemen.

In welke zin verschilt die?

Van De Voorde: Onze samenleving is tegenwoordig heel sterk gericht op veiligheid. Dat is niet altijd zo geweest. Toen ik criminologie studeerde, was veiligheid nauwelijks een issue in dit land. Een aantal incidenten en fenomenen heeft daar verandering in gebracht. Ik denk aan de zaak-Dutroux, de aanslagen in 2016, en ook meer in het algemeen de wetenschappelijk niet onderbouwde maar wel vaak gesuggereerde link tussen criminaliteit en migratie. Veiligheid is zowat het primaat van onze samenleving geworden. Dat zie je in justitie, maar ook in domeinen als mobiliteit en volksgezondheid. Overal ligt de focus op veiligheid, in die mate dat het kan leiden tot een groter onveiligheidsgevoel en een overdreven risicoaversie. Ik zeg ‘overdreven’, omdat de aversie in het gevangenisbeleid vaak net tot meer risico leidt. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Omdat het beleid steeds stringenter wordt, wordt ze minder dan vroeger toegestaan, en zitten meer gedetineerden hun straf volledig uit. Dat is een gevaarlijke evolutie. Na een voorwaardelijke invrijheidsstelling volgt er een proefperiode, met een strikte opvolging door parket en justitiehuis. Die opvolging is er níét bij iemand die zijn straf tot het einde heeft uitgezeten.

Is er bij iemand die de straf volledig uitzat geen beter zicht op de mate waarin hij of zij klaar is voor re-integratie?

Van De Voorde: Niet echt, nee. Binnen de muren van de gevangenis krijg je nauwelijks de kans om te laten zien of je daar klaar voor bent. Om in het leven buiten de muren te slagen, is het vermogen om jezelf te structuren erg belangrijk. Maar in een gevangenis kun je dat niet leren. De gevangenis structureert het leven voor jou. Natuurlijk kun je van die periode gebruik maken om de gedetineerden een vak aan te leren. In sommige gevallen lukt dat, en levert dat ook een job op wanneer ze weer vrij zijn. Maar daarnaast is er nog een leven waar de gevangenis niet op kan anticiperen. Het gaat hier over mensen die vaak jaren niet meer in hun gezin zijn geweest. Kunnen ze de rol van partner of ouder zonder problemen weer opnemen? Zijn ze in staat om zelf hun leven te structureren, en zullen ze niet tot recidive verleid worden? Dat zijn vragen waarop je het antwoord niet kunt kennen, hoe lang de straf ook duurt. Dus moet je op een bepaald moment die onzekerheden aan de kant schuiven en durven te springen.

Uw pleidooi voor minder en kortere gevangenisstraffen komt overeen met de wetenschappelijke consensus over het gevangenisbeleid. Opmerkelijk genoeg hebben de wetgevers de afgelopen jaren precies het tegenovergestelde gedaan.

Van De Voorde: Daar heb ik tijdens de coronapandemie vaak aan gedacht. Nooit eerder heb ik de wetenschap een zo grote impact zien uitoefenen op de politieke besluitvorming. De wetenschappers bleken niet onfeilbaar, maar zonder hun inbreng was de dodentol ongetwijfeld nog veel groter geweest. Daarmee heb ik niet gezegd dat we bij het hervormen van ons bestraffingsbeleid de wetenschap blindelings moeten volgen. Wel pleit ik voor een beleid dat toch minstens evenveel zou luisteren naar de wetenschap als naar de tijdgeest.

Als er geen plaats meer is in de ziekenhuizen, worden behandelingen uitgesteld. De gevangenissen zijn de enige plek die geen grens mogen stellen. De vraag is of dat vol te houden is.

Politici met het lef om tegen de tijdgeest in te gaan zijn dun gezaaid.

Van De Voorde: Met name in het bestraffingsbeleid zijn er precedenten. Midden jaren negentig hebben de beleidsmakers de doodstraf afgeschaft, een beslissing die er via een referendum wellicht nooit was gekomen. Onvermijdelijk zou een humaner, meer op wetenschap gefundeerd bestraffingsbeleid tegen de haren in strijken. Bij de bevolking is dat een polariserend thema. Maar een politicus is ook verplicht om een correct beleid te voeren en soms voor het volk te gaan staan. Het minste wat je kunt vragen, is dat hij of zij naar alternatieven zoekt voor maatregelen waarvan we weten dat ze nutteloos of in sommige gevallen zelfs contraproductief zijn.

Mildere of alternatieve straffen zullen allicht ook niet in de smaak vallen van de slachtoffers van het misdrijf. Denk aan de nabestaanden van agente Kitty Van Nieuwenhuysen, die furieus reageerden toen de moordenaar tien jaar na de feiten vrijkwam.

Van De Voorde: Ik zie bij beleidsmakers veel angst voor het idee dat ze slachtoffers onrecht zouden aandoen door de daders niet lang genoeg in de gevangenis te houden. Maar misschien wijst die onvrede van de slachtoffers wel op iets anders? Ik ben ervan overtuigd dat je de onvrede voor een belangrijk deel kunt wegnemen door slachtoffers de zorg te geven die ze verdienen. Mensen zijn geneigd om het eigen leed in de balans te leggen met dat van de dader. ‘Die krijgt nog wél een tweede kans’, is dan de klacht. Die afweging is legitiem en menselijk. Maar help je het slachtoffer echt vooruit door te zeggen dat ook de dader elke kans moet worden ontnomen? Je bewijst het slachtoffer pas echt een dienst door hem of haar te erkennen in het slachtofferschap, en aan die erkenning de nodige zorg en begeleiding te verbinden. Hoe minder we het slachtoffer steunen, hoe groter de vergeldingsdrang zal zijn.

U vertelde net dat het probleem van de overbevolking al meer dan dertig jaar bestaat. Zou het kunnen dat het ook niet opgelost raakt door een maatschappelijke vergeldingsdrang? Het gaat hier per slot van rekening over criminelen.

Van De Voorde: Dat niet iedereen daar empathie voor kan opbrengen, is een understatement. Ik herinner me dat de kwestie van de overbevolking ook tijdens de vorige regeerperiode aan bod kwam in het parlement. Een volksvertegenwoordiger had het een schande genoemd dat gedetineerden op de grond moesten slapen. De mailbox van de minister voor wie ik toen werkte (CD&V’er Koen Geens, nvdr) ontplofte met reacties van mensen die vonden dat we daar vooral niet van wakker moesten liggen. ‘In het Noordstation slapen daklozen op een stuk karton’, las je dan. De vraag die ik me daarbij stel, is dezelfde als die bij de slachtoffers. Welke dienst bewijs je een dakloze door zijn situatie in de balans te leggen met die van een gedetineerde? De dakloze heeft in de eerste plaats een dak boven zijn hoofd nodig. Je lost maatschappelijke problemen niet op door voor anderen de situatie te nivelleren naar de ondergrens. Een samenleving die zich ontwikkeld noemt, streeft voortdurend naar een nivellering naar boven.

Bij de cipiers regent het ondertussen stakingsaanzeggingen. Kunt u hen op korte termijn betere tijden beloven?

Van De Voorde: Niet onmiddellijk. Ze worden namelijk geconfronteerd met dezelfde chronische ziekte als de gedetineerden. Op de foto’s die jullie publiceren, zie je de erbarmelijke situatie waarin die gedetineerden moeten leven. Maar dat is natuurlijk ook de situatie waarin onze personeelsleden moeten werken. U zult begrijpen dat de sanitaire crisis het er niet makkelijker op heeft gemaakt. Die crisis heeft energie gevreten bij de hele organisatie en al haar medewerkers.

Alleen als we gedetineerde burgers menswaardig behandelen, kunnen we ze ertoe verleiden om zelf ook de wet te respecteren.

Licht aan het eind van de tunnel kunt u hen niet beloven?

Van De Voorde: Echt structurele oplossingen komen er de eerste maanden niet. Zoals ik al zei: de minister heeft aangekondigd dat hij het strafwetboek wil herzien. Die herziening staat ook in het regeerakkoord. Hij citeert ook geregeld de achttiende-eeuwse filosoof en rechtsgeleerde Cesare Beccaria. ‘De beste straf’, zegt Beccaria, ‘is de lichtst mogelijke straf waaraan men net kan ontkomen.’ Dat stemt me hoopvol. Dat principe staat namelijk haaks op de algemeen maatschappelijke visie dat de zwaarst mogelijke straf de beste is. Wat dat betreft, hoop ik ook op de medewerking van de magistratuur, waarmee ik heel specifiek in Antwerpen in dialoog ben gegaan. Uiteraard moeten de magistraten kunnen doen wat ze denken te moeten doen. Maar het lijkt me niet verkeerd om hen mee te laten nadenken over manieren om iets te doen aan de mismatch tussen het aantal cellen en het aantal mensen dat tot een celstraf wordt veroordeeld. Middelen zijn nooit onbegrensd. Het beleid kan nooit garanderen dat de capaciteit gelijk zal zijn aan het aantal mensen dat magistraten in een cel willen zien. Die garantie bestaat nergens. Als een jeugdmagistraat een minderjarige wil opsluiten terwijl er geen plaats is in het gesloten centrum, dan blijft de deur dicht. Als er geen plaats meer is in de ziekenhuizen, worden behandelingen uitgesteld. De gevangenissen zijn de enige plek in het land die geen grens mogen stellen. De vraag is of dat vol te houden is.

Men wil zich de volkswoede niet voorstellen mocht een gevangenisstraf niet uitgevoerd worden omdat de gevangenis vol zit.

Van De Voorde: En toch moet je iets doen. Al besef ik dat de mogelijkheden beperkt zijn. Ofwel beperk je de instroom, ofwel versnel je de uitstroom, of beide. De magistratuur heeft daar trouwens niet als enige een verantwoordelijkheid. In onze gevangenissen zit ook een groeiende groep mensen die er niet uit weg raken omdat niemand ze wil opnemen. Zedendelinquenten krijg je bij wijze van spreken aan de straatstenen niet kwijt. Hetzelfde geldt voor mensen met zware verslavingen, of psychiatrische patiënten die in de reguliere zorg voor te veel overlast zorgen. En dan is er nog de groep niet-Belgen zonder recht op verblijf voor wie de samenleving geen dak boven het hoofd vindt of die we niet gerepatrieerd krijgen. De vraag is of de gevangenis ook moet dienen voor de huisvesting van al die mensen voor wie we geen andere oplossing vinden.

U werkte ook op dat thema als raadgever voor voormalig justitieminister Koen Geens. Waarom raakte dat probleem ook onder zijn bewind niet opgelost?

Van De Voorde: Wat zeker niet helpt, is de versplintering. Nederland was ooit een gidsland. Die status is het al even kwijt, niet het minst omdat er in het parlement negentien partijen zitten. Ik ben heel erg voor compromissen, maar in regeringen met te veel partijen zie je ook heel erg de beperkingen van het compromis. Water in de wijn doen is niet erg, zolang de wijn die je te drinken krijgt nog wijn is. En het gevangeniswezen verdient straffe wijn. De versplintering zorgt er ook voor dat je regeringen moet maken met tegengestelde ideologieën.

In dit geval: partijen die law-and-order vooropstellen, tegenover partijen die vooral begaan zijn met het lot van de gedetineerde.

Van De Voorde: Op het vlak van law-and-order zie je wel een breuklijn tussen Vlaanderen en Wallonië. In Vlaanderen primeert eerder het discours over law-and-order. Je zult me niet horen zeggen dat zoiets beter is. Het is vooral de vraag wat je onder law-and-order begrijpt. De wet is de wet en die moet je handhaven. Sancties opleggen is belangrijk. Maar de sanctie moet ook effectief en proportioneel zijn.

Dat brengt ons bij de slotvraag. Vanwege de mensonterende situatie in onze gevangenissen wordt ons land slag om slinger veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Veel lijken we ons daar niet van aan te trekken.

Van De Voorde: Ons land moet dwangsommen betalen aan iedereen die kan aantonen dat hij of zij in onze gevangenissen mensonwaardig is bejegend. Die veroordelingen kosten ons best veel geld, terwijl iemand in de gevangenis opsluiten al zo’n dure zaak is. Er zijn dus ook economische redenen waarom we het best wat zuiniger zouden omspringen met de gevangenisstraf. Ik zou in de rechtspraak van het Europees Hof vooral een partner zien. Het kader waarbinnen ons land telkens weer veroordeeld wordt, is een kader dat gecreëerd is op basis van debatten met academici en professionals. Daaruit is naar voren gekomen dat een menswaardige behandeling van gevangenen ook risicobeperkend is voor de hele samenleving. Ons land heeft dat verdrag geratificeerd, dus laten we het ook wat nadrukkelijker verdedigen. Alleen als we gedetineerde burgers menswaardig behandelen, kunnen we ze ertoe verleiden om zelf ook de wet te respecteren. Als we hen constant in een situatie plaatsen die hen versterkt in het idee dat de grondrechten niet op hen van toepassing zijn, zullen ze radicaliseren in hun vijandigheid tegenover het systeem. Het klinkt misschien wat paternalistisch, maar onze primaire opdracht is om aan de gedetineerde burger te laten zien dat het perfect mogelijk is om hier met respect voor de wetten en de normen van dit land te leven. Wij moeten daarbij het rolmodel zijn, en hen zo correct mogelijk behandelen. Alleen zo win je zieltjes.

Rudy Van De Voorde

– 1959: geboren in Dendermonde

– Studie: psychiatrische verpleegkunde en criminologie

– 1980-1991: werkt in een psychiatrisch ziekenhuis

– 1992-vandaag: in dienst bij het gevangeniswezen, waar hij diverse directiefuncties uitoefende, zowel in de gevangenissen als in de centrale diensten

– 2018-vandaag: directeur voor het gevangeniswezen

Partner Content