'Hombre tan curioso'

Friese Europeaan avant la lettre

Thoth, Bussum 2018

127 blz., ? 14,99 ISBN 978 90 686 8762 0

Het is bekend dat Filips II een aversie had voor de Lage Landen, maar voor Viglius van Aytta (1507-1577) maakte hij een uitzondering. Een frappante, opmerkelijke figuur, luidde zijn oordeel. Die waardering had de Friese boerenzoon allicht te danken aan het feit dat hij decennialang heel loyaal en plichtsbewust het Spaanse regime heeft gediend toen de XVII Provinciën afgleden naar een burgeroorlog. Een erudiete, scherpzinnige, humanistisch geschoolde geest als Viglius ademde de Klassieke Oudheid uit met zijn passie voor atlassen, kaarten, boeken en penningen. Ware het niet dat hij in 1542 koos voor een meer aardse passie: geldgewin. Hij trad in dienst van keizer Karel als topmagistraat. Onder Filips II bleef Viglius een gehoorzaam dienaar, die tevergeefs pleitte voor billijkheid, zijn levensmotto, in de aanpak van de protestanten. De pracht en praal van de katholieke kerk stoorde hem, maar consequent was hij in zijn levenswandel zeker niet. Hoe valt het anders te rijmen dat hij vanaf 1563 zijn openbare ambten combineerde met het lucratieve proostschap van het Sint-Baafskapittel in Gent? Lang voor zijn dood reserveerde hij een grafkapel in de St-Baafskerk met bijhorend drieluik van Frans Pourbus waarop hijzelf driemaal figureert. Behalve het grote schandaal dat zijn inhaligheid verwekte, bleek ook zijn academisch meesterwerk over Theophilus' parafrase van Iustinianus' Institutiones haastwerk te zijn. Voor deze verzorgde gelegenheidspublicatie, uitgegeven naar aanleiding van de inhuldiging van Viglius' standbeeld in Leeuwarden, is een Latijnse spreuk toepasselijk: De mortuis nil nisi bene.