Wie zich in de dagen van het Ottomaanse Rijk op de Middellandse Zee waagde, viel niet zelden in handen van Turkse zeerovers, wier dreiging tot de Atlantische oceaan, soms tot de Noordzee reikte. Veel losgeld was nodig om de gevangenen, die vervolgens als levende buit waren verkocht op de slavenmarkten van Barbarije (Noord-Afrika), naar Europa terug te brengen. Koplopers in het vrijkopen waren de paters Trinitariërs, die via broederschappen ook voor Vlaanderen opereerden.
...

Wie zich in de dagen van het Ottomaanse Rijk op de Middellandse Zee waagde, viel niet zelden in handen van Turkse zeerovers, wier dreiging tot de Atlantische oceaan, soms tot de Noordzee reikte. Veel losgeld was nodig om de gevangenen, die vervolgens als levende buit waren verkocht op de slavenmarkten van Barbarije (Noord-Afrika), naar Europa terug te brengen. Koplopers in het vrijkopen waren de paters Trinitariërs, die via broederschappen ook voor Vlaanderen opereerden.Het krachtigste christelijke antwoord op de zeeroverij van Barbarije lag op Malta en hanteerde dezelfde methodes. Het corso (vandaar corsairs, corsaires, Korsaren) werd er geleid door de ridders van de Johannieterorde en was vooral gericht op het nemen van gevangenen bestemd als galeislaven; door roeiers voortgedreven galeien vormden immers tot in de 18de eeuw de hoofdmoot van de vloten van Frankrijk, Italië en de paus, één van de redenen waarom met name Frankrijk de Maltese piraterij heimelijk financierde. Tussen de vloten van Barbarije en Malta - niet meer dan pionnen in een ingewikkeld internationaal politiek en commercieel schaakspel - evolueerden Engelse en Hollandse koopvaarders die zich met alle geweld een toegang wilden verschaffen tot de handelsmarkten van de Levant, naast onvervalste Spaanse en Italiaanse zeeschuimers: allen zwierven rond op zee op zoek naar een prooi. Schepen kapen, kuststreken overvallen, bewoners gijzelen - het schiep een klimaat van terreur van de Middellandse Zee tot de Atlantische Oceaan. Vanaf de 15de eeuw werden de Algierse kapers ook ingezet als onderdeel van de Ottomaanse vloot. Na de zeeslag bij Lepanto (1571) leverden moslims en christenen echter niet langer openlijk slag met elkaar, de strijd werd een alledaagse realiteit, een guerrilla op zee, waarbij de grens tussen het Kruis en de Halve Maan allesbehalve scherp was te trekken. Avonturiers van divers pluimage dachten vooreerst aan hun eigen profijt. Na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) domineerden christelijke overlopers, de beruchte renegaten, de Turkse vrijbuiterij, met Algiers als hoofdplaats. De meeste renegaten kwamen uit de Nederlanden, zoals Mourad Raïs, afkomstig uit Haarlem, of Simon De Danser uit Dordrecht. Niet enkel zeeschuimers zochten gewin, ook kooplui uit Frankrijk, Engeland en Holland zonden agenten naar de markten van Algiers en Tunis, waar de piratenbuit aan dumpingprijzen werd verkocht, om die opnieuw naar Europa te verschepen en daar met grote winst te verkopen.In Europa riepen predikers op om de vele christenslaven uit de kerkers en de galeien - als roeiers het ergste lot - te bevrijden, door een luguber beeld van hun lijden te schetsen. Daarbij werd zedig verzwegen dat minstens evenveel gevangen Turken en Moren in Spanje, Malta en Italië - op de slavenmarkt van Livorno - werden verkocht. Het vrijkopen van de christenen werd een industrie apart, lucratief voor een legertje bemiddelaars. Specialisten in het negotiëren en afkopen waren de paters Trinitariërs van l'Ordre de la Très Sainte Trinité et des captifs, kort voor 1200 in Frankrijk gesticht onder impuls van de kruistochten 'tot vrijkoping van de door de Moren gevangen christenen'. Het zwaartepunt lag rond de Middellandse Zee, met talrijke kloosters in Zuid-Frankrijk, Spanje en Italië; er kwamen tevens gemeenschappen in Engeland, Ierland, in Wallonië en in het graafschap Vlaanderen, in Dowaai, Hondschote, Convorde bij Steghers, en Morbecque (alle in Frans-Vlaanderen). De kloosterlingen stonden onder de bescherming van de Heilige Drievuldigheid en moesten haar verering bevorderen; daarom stond alles er in het teken van het getal drie, zo diende er één derde van de inkomsten te worden besteed aan de vrijkoping. In de loop van haast zes eeuwen zouden ze naar schatting 90.000 christenen hebben bevrijd. Grote concurrenten van de Trinitariërs waren de Spaanse Mercedariërs, terwijl ook uit Italië en Noord-Europa missies naar Barbarije trokken; daar werkten zij samen met joodse en andere kooplieden die als bemiddelaars fungeerden bij het betalen of het ruilen met moslimslaven.Bleef hun lot hoe dan ook weinig benijdenswaardig, in de regel werden christenslaven niet gefolterd of mishandeld zoals het in Europa werd afgeschilderd; daarvoor hadden ze te veel potentiële waarde. Een klein aantal wist zichzelf vrij te kopen: zij die over goedbetaalde vaardigheden beschikten, zoals chirurgijns, of zij die de toelating hadden gekregen om een eigen zaakje te starten. In Algiers besteedde een herbergier zelfs zijn inkomsten om zijn lotgenoten vrij te kopen. Sommigen kregen tijdelijk de vrijheid om het losgeld voor henzelf en hun kameraden te gaan verzamelen. De meesten waren nochtans aangewezen op het thuisfront. Communicatie met Europa werd niet belemmerd, maar de verbindingen waren traag, sommige brieven bereikten nooit hun bestemming, meestal sleepte de zaak vele jaren aan voor er een oplossing kwam. Soms kon de familie door het losgeld geruïneerd worden, moest zij alle bezit verkopen en schulden maken.Uitwisseling met Turkse gevangenen was een andere manier om de vrijheid te herwinnen, maar werd tegengewerkt door speculanten die hun winsten zo zagen verdwijnen. In de loop van de 17de eeuw ging het persoonlijke gewin het meer en meer halen op de godsdienstijver; het bevrijdingswerk groeide uit tot een erg ingewikkelde zaak, waar steeds meer tussenpersonen bij te pas kwamen. Die probeerden 'de loskoop te rekken of te verhinderen, zodat zij het geld langer kunnen uitbuiten en hun winst kunnen verdubbelen, waarbij zij allerlei duivelse streken uithalen om hun doel te bereiken,' schreef pater Gracian vanuit Tunis. Ook de Europese regeringen gingen zich almaar meer met het vrijkopen inlaten door middel van gezantschappen en consuls ter plaatse. (zie G/Geschiedenis 2019 nr. 1, blz. 52-53) Vele loskopen kwamen tot stand met de hulp van westerse kooplui of van renegaten met goede zakenrelaties aan beide kanten van de Middellandse Zee. Respectabele handelaars - die zich net als bij het opkopen van de piratenbuit in een erg dubieuze positie bevonden - berekenden een vast commissieloon voor hun goede diensten. Hun schijnbare bekommernis ten spijt hadden zij er alle belang bij dat het systeem overeind bleef. De machtige Italiaanse familie Lomellini bracht een bescheiden drie procent in rekening voor elke transactie; anderen waren minder scrupuleus en deinsden niet terug voor pure oplichterij, waarbij het geld werd geïncasseerd en de slaaf bleef waar hij was.Midden 17de eeuw werden de Trinitariërs in Vlaanderen ingeschakeld via broederschappen, een geliefde vorm van devotie. In menige parochie werd een Broederschap van de Heilige Drievuldigheid opgericht, vooral in West-Vlaanderen - in Brugge, Kortrijk (1642), Veurne en Oostende (1644), Ieper (1652) en tal van kleinere steden. Door de vele gevangen zeelui waren de kosten voor de vrijkoop in Oostende dusdanig hoog dat er soms een beroep werd gedaan op andere confrerieën. Eén der actiefste broederschappen startte in Gent in 1641 door toedoen van bisschop Triest, die gelijk fikse bezichzelf verscheidene filialen in het bisdom opgericht. Een gekoesterd document was de breve van paus Clemens IX uit 1669, waarin de statuten werden goedgekeurd. Die bepaalden de plichten der bestuursleden, de werking van de administratie en de manier waarop de inkomsten dienden te worden besteed. Het bestuur moest elk jaar hernieuwd worden en de deken moest steeds 'eenen kerckelijcken Heere' zijn. De twaalf andere bestuursleden werden geacht 'van goeder naeme ende reputatie' te zijn. Alle leden moesten dagelijks een aantal gebeden opzeggen, bepaalde plechtigheden volgen, zelf naar vermogen giften storten 'ter verlossinghe der gevanghene christenen slaven' en een wit schapulier met het blauw-rode Trinitariërskruis dragen.Het droevige lot van de gevangen geloofsgenoten sprak sterk tot de volkse verbeelding en de giften stroomden toe uit de vele parochies in het bisdom, waar een filiaal van de broederschap bestond. In de Gentse Drievuldigheidskapel stonden twee offerblokken: één voor het onderhoud en de opsmuk van de kapel en een tweede voor de slaven. Alle geld uit het 'slavenblok' moest steeds ingewisseld worden tegen zilveren munten, nodig voor de vrijkoop. De confrerie had ook 'een busse aan de baergie (de trekschuit) naar Brugghe'. Vaste schenkers waren de twee begijnhoven en het klooster der Ursulinen.De publiciteit werd vakkundig verzorgd. Op de kerkmuren verschenen aanplakbrieven met de tekst van de pauselijke bullen, of met een overzicht van de te verdienen aflaten, aankondigingen van kerkelijke diensten, en vaak ook de lijsten van gevangen of verloste slaven. Ook het vrijkopen zelf werd organisatorisch vrij goed aangepakt. Met de confrerieën van Brugge en Oostende werd nauw samengewerkt. De confreers hadden hun vertrouwelingen, onder meer in Rijsel en Dowaai, die informatie over gevangenen doorgaven. Aan die personen werden wisselbrieven overgemaakt, telkens wanneer er een vrijkoop in het vooruitzicht werd gesteld. Ze stonden in contact met de paters Trinitariërs aldaar die inlichtingen verkregen van hun confraters uit Napels, Venetië of Marseille. De Franse paters kwamen zelf af en toe naar Gent, en trokken ook zelf naar Algiers en Marokko, missies die niet zonder gevaar waren. In de 17de-eeuw-se rekeningen, bewaard in de archiefkamer van de Sint-Jakobskerk, wordt een twintigtal verlosten bij naam genoemd, 83 zijn anoniem vermeld, voorts is er nog zes keer sprake van een groepje. Het totale aantal dat in die periode naar Gent werd gebracht, mag dus worden geschat op minstens 120. Zeker een tiental daarvan kwam volledig op kosten van de broederschap vrij. In de 18de eeuw werden nog een tweehonderdtal bevrijde slaven ingehaald, tot de afschaffing van de confrerie in 1786. Volgens de rekeningnota's kwamen de meesten uit Algiers, Tripoli, Salé, of algemener uit Barbarije, Marokko of Turkije. De vroegste melding dagtekent uit 1657: 'betaald voor Lambrecht Neyt, verloste slaeve uyt Turckijen de somme van een pont twaelf schellingen...'Wanneer de verlosten in Oostende, Brugge of Antwerpen aankwamen, reisden een paar confreers hen tegemoet; per koets of boot werden ze vervolgens naar Gent gebracht. Ook vreemdelingen, meestal Nederlanders of Duitsers, werden opgevangen en mochten enkele dagen in een herberg logeren op kosten van de confrerie; zo nodig kregen ze nieuwe kleren en schoenen. In triomf werden ze naar de Sint-Jakobskerk geleid, alle klokken luidden, in een stoet stapten hellebaardiers en trompetters, kinderen verkleed als engeltjes en de gelukkigen met verbroken ketens. Gelijkaardige 'slavenprocessies' vonden plaats in andere Vlaamse steden. Een en ander was uiteraard de beste promotie voor nieuwe milde giften. De allerlaatste vrijgekochte Vlaamse slaaf was waarschijnlijk Simon De Grave uit Ieper in 1783, voor wie het bisdom 1.633 gulden betaalde.