Op 15 maart 1572, twee weken voor de val van Den Briel, trok de Friese stadhouder Caspar de Robles triomfantelijk Groningen binnen om een bloedige klus te klaren. Een tijdgenoot meldt: 'Toen zijn 37 piraten of vrijbuiters van Vlieland gevankelijk hierheen gebracht. Zij droegen twaalf of dertien koppen van door de soldaten van de stadhouder doodgeslagen geuzen op pinnen met zich mee, over de markt en door de straten.' De gevangengenomen geuzen moesten recht in het gezicht van hun dode collega's kijken. De afgehakte hoofden werden daarna voor de Steentilpoort op de galgen gezet. Daarna waren de gevangenen zelf aan de beurt. Hun doodvonnissen werden voltrokken aan een wipgalg op de Grote Markt.
...

Op 15 maart 1572, twee weken voor de val van Den Briel, trok de Friese stadhouder Caspar de Robles triomfantelijk Groningen binnen om een bloedige klus te klaren. Een tijdgenoot meldt: 'Toen zijn 37 piraten of vrijbuiters van Vlieland gevankelijk hierheen gebracht. Zij droegen twaalf of dertien koppen van door de soldaten van de stadhouder doodgeslagen geuzen op pinnen met zich mee, over de markt en door de straten.' De gevangengenomen geuzen moesten recht in het gezicht van hun dode collega's kijken. De afgehakte hoofden werden daarna voor de Steentilpoort op de galgen gezet. Daarna waren de gevangenen zelf aan de beurt. Hun doodvonnissen werden voltrokken aan een wipgalg op de Grote Markt.Soms hielp De Robles enthousiast een handje mee. Zijn katholieke geloof hinderde hem daarbij niet, integendeel. Hij schreef in een brief van 23 maart 1572 aan Alva, dat de bij de executie aanwezige priester - die overuren moet hebben gemaakt - heel erg zijn best deed, 'zodat de arme van de rechte weg afgedwaalde gevangenen bijna allen als goede katholieken stierven.'Wie waren deze geuzen, die na een leven vol geweld zelf een extreem gewelddadige dood stierven? Waren ze wetteloze piraten, vrijbuiters zonder God of gebod? Waren ze kapers, die in dienst van de soevereine vorst Willem van Oranje schepen prijsmaak-ten en bemanningen gijzelden? Waren ze strijders voor vrijheid of geloof, die prins Willem steunden in zijn strijd tegen de Spaanse koning en zijn dienaren? Waar kwamen ze vandaan, waren ze Zuid-Nederlanders, Friezen of Hollanders of gewoon een bij elkaar geraapte bende lieden uit allerlei streken? Een eenduidig antwoord op deze vragen valt niet te geven, zoals hierna zal blijken. Eigenlijk zit er in elk van de genoemde typeringen wel een kern van waarheid.Zeker is, dat sommige geuzen echte kapers waren, voorzien van officiële kaperbrieven van Willem van Oranje. Zoals Dirck Sonoy of Diederik Snoey (1529-1597) die vanaf 1572 gouverneur van Hollands Noorderkwartier was. Of de gentleman-geus Nicolaes Ruychaver. Geuzenkapiteins als zij ontvingen vanaf 1568 officiële papieren die hun toestemming gaven schepen op de vijand buit te maken. Deze kapers waren aan regels en afspraken gebonden. Geuzenkapiteins als Van Troyen, Menninck en Ruychaver sloten bijvoorbeeld in juni 1570 met een vertegenwoordiger van Willem van Oranje een contract. Bij Borkum zwoeren zij elkaar trouw en spraken af de buit met prins Willem te delen. De overeenkomst gold voor zes weken, 'daerna sal een yegeleyck syn proffyt soecken waer hy best vernemen sal'. Kortom, na afloop was het ieder voor zich en mocht er naar hartenlust geroofd worden.Willem van Oranje verwachtte voordeel te behalen van overeenkomsten als deze, maar dat viel soms tegen. In het najaar van 1569 voer de Waalse edelman Dolhain met acht schepen en honderden opvarenden het Vlie op, om daar ongeveer honderd schepen prijs te maken. Hij vergaarde in de periode september 1569-begin 1570 een fortuin. De opbrengst werd geschat op tweehonderdduizend tot driehonderdduizend daalders (tien tot zestien miljoen euro aan hedendaagse koopkracht). Een deel van dat geld was bestemd voor Willem van Oranje. Alleen bleek het bij de afrekening in rook opgegaan, of liever, tot groot ongenoegen van de prins, onnaspeurbaar verdwenen in de zakken van de geuzenadmiraal. Er was in meer dan één betekenis voor een enorm vermogen gekaapt.Dit alles betrof oorlogsbuit die de geuzen op een min of meer wettige manier in handen hadden gekregen. Maar daar bleef het in dat najaar van 1569 niet bij. Er was ook geweld alleen maar omwille van het geweld. In een 16de-eeuwse kroniek lezen we: ''s Nachts kwamen ze aan land om kerken en kloosters te beroven, brand te stichten, zichzelf bezattend met drank uit de geroofde gouden en zilveren kelken. Deze zeerovers noemde men watergeuzen.' De Hollandse stadhouder Bossu schreef aan Alva: 'Mijnheer Dolhain, de baas van de vluchtelingen, is nog steeds op Vlieland, en zijn o zo dappere mensen hebben de twee kerken op het eiland verwoest'.Er zijn meer voorbeelden van aangerichte verwoestingen. Men leest over gebeurtenissen in maart 1571 op het eiland Texel: 'Op de 26 maart 1571 zijn twee geuzen in De Westen en Den Hoorn de kerken binnengegaan en hebben daar moedwillig de in de eredienst gebruikte voorwerpen vernield, kapot smijtend en meenemend wat zij maar wilden. Het beeld van Sint Maarten in Oosterend werd door een gat in de muur naar buiten gestoken en achter de kerk verbrand.'Wie denkt dat deze euveldaden beperkt bleven tot kerkelijke goederen of dat het geweld alleen of hoofdzakelijk religieus gemotiveerd was, vergist zich deerlijk. In diezelfde maand maart 1571 bijvoorbeeld, moest ook het huis van de schout, admiraal Van Boschuyzen, het ontgelden, net als het 'huis bij de Hoge Berg'. Ook de huizen van de plaatsvervanger van de schout Aernt van Schuylenburg en van Texelaar Gerrit Willemsz. waren doelwitten van de ontketende geuzen.De geuzen waren dus zowel kapers in dienst van Oranje als ongeregelde vechtersbazen en vrijbuiters. Om hen te leren kennen, kan men zich verdiepen in verhoren, afgenomen door de Spaansgezinde overheid, vaak gepaard gaand met marteling. Daarna werden ze meestal terechtgesteld.Een informatieve bron is bijvoorbeeld het Extrakt verhoor van eenige watergeuzen op Vlieland gevange. Het gaat daarin om 27 van de hiervoor genoemde 37 op de Groninger Grote Markt terechtgestelde personen. Hun gevangenneming op 6 maart 1572 staat beschreven in de Informatie by den Raedt der steede Harlingen over de actie van Waalse soldaten tegen het Vlielander geuzennest. Vijf Harlinger schepen brachten een dag eerder een legermacht in dienst van de Friese stadhouder De Robles, naar het eiland. In de Informatie is te lezen dat de Spaanse troepen: 'omstreeks twee uur in de middag van 5 maart 1572 bij Vlieland met de geuzen slaags waren geraakt. Deze hadden hun positie met wel negen of tien met zand gebouwde schansen op het eiland versterkt. De geuzen verdedigden zich met hun geschut zo dapper, dat een aanval over land onmogelijk was. De Waalse troepen konden niet anders dan met hun schepen, langs het strand varen. Af en aan zeilend moesten ze hun kans afwachten.'Die kans kwam de volgende dag. Toen voeren de geuzen met alle oorlogstuig waar ze over beschikten op de Harlinger schepen af. De schippers van de vijf door De Robles' ondercommandant gehuurde schepen verklaarden dat de geuzen zich krachtdadig hadden geweerd, maar de strijd uiteindelijk hadden moeten opgeven. Dertien geuzen verloren letterlijk hun hoofd, de rest werd via Harlingen afgevoerd naar Leeuwarden en Groningen.De in het Extrakt genoemde vrijbuiters vormden een bont gezelschap. Zo komen we Johan Willemsz. tegen, een 'verbannen kerkenschender', iemand die aan de Beeldenstorm van 1566 had meegedaan. Hij bekende deel te hebben genomen aan de plundering van ettelijke schepen bij Amsterdam, een actie die hem en zijn collega's 6.000 gulden opleverde, 200.000 euro aan koopkracht nu.Veel geuzen vertelden in hun bekentenis, dat ze zich zonder dwang bij hun veroveraars hadden aangesloten nadat hun schip was genomen. Zo iemand was Hendrick Arentsz. uit Dokkum, bijgenaamd 'droncken Heyntje'. Arentsz. begon zijn carrière als geus, na gevangengenomen te zijn door de Dokkumer kapitein Jan Abels. Arentsz. was daarna in dienst getreden bij de geduchte geuzenkapitein Jan van Troyen. Die had zich in juni 1570 ernstig verkeken op de Spaanse schepen die hij met twee collega's op het Vlie aanviel. Van Troyen werd bij die gelegenheid gevangengenomen en in december 1570 in Amsterdam opgehangen. Arentsz. moet de dans ontsprongen zijn, want later kocht hij voor een andere kapitein in Emden oorlogstuig. Hij deed dat met toestemming van de autoriteiten in Oost-Friesland, die de geuzen welgezind waren en hen steunden. Arentsz. was betrokken bij zaken als ontvoering en gijzeling en in september 1570 deed hij mee met het prijsmaken van Deventer schepen op het Vlie. In maart 1571 was Arentsz. een van plunderaars van het huis van schout Boschuyzen in Den Burg. Deze opsomming is nog maar een deel van de reeks wandaden van deze 'droncken Heyntje'. Hij zou in maart 1572 de hoogste prijs voor zijn daden betalen.Anderen vochten uit overtuiging, zoals Jan van der Beke. In het verslag van zijn verhoor wordt hij aangeduid als 'een bekende vijand van de koning'. Van der Beke was een belijdend calvinist. Hij was in 1567 lid geworden van de Hollandse gereformeerde kerk in Londen. Met geuzenkapitein Tourlon voer hij naar de Wadden. Op weg daarheen werden vijf schepen met graan prijsgemaakt. Uiteindelijk zou Van der Beke zijn Waterloo vinden op het Vlie, op 6 maart 1572. Kort voor de inname van Den Briel op 1 april 1572 liet ook hij op de Groninger Grote Markt aan de galg het leven.Naast Vlamingen, Hollanders en Friezen maakten ook buitenlanders deel uit van de watergeuzen. Vaak kwamen ze uit Wallonië en vochten tegen streekgenoten in Spaanse dienst. Anderen waren afkomstig uit Engeland, zoals de Engelsman Jan van Deel of Deal uit Newcastle. Die verklaarde dat zijn schip in de barre winter van 1571/72 onder zeil was gegaan naar Vlieland en Wieringen; de bemanning was met een lege maag op zoek naar eten. Op het laatst genoemde eiland werd Van Deel gevangengenomen. Hij werd in de Gevangenpoort in Den Haag verhoord en daarna opgehangen, 'geexcuteert metter coorde'. Van Deel maakte deel uit van de geuzenbemanning van de kapiteins Duyns en Meyns die begin februari 1571 bij Schoorl aan land waren gegaan en een priester en een dorpsbestuurder hadden gedood. Zeven gevangenen werden als gijzelaar meegenomen. De goede lieden van Schoorl kregen de waarschuwing, dat, wanneer binnen zes dagen niet elfduizend gulden rantsoen was betaald, de gevangenen zouden worden opgehangen. Kennelijk werd er geen of te weinig losgeld afgedragen, want een paar dagen later werd de gevangen baljuw van Zijpe door Thomas 't Kint, een Engelse opvarende van het schip van Duyns, opgehangen en toen dat niet tot het gewenste resultaat leidde, doodgeschoten.Uit de bekentenissen van de geuzen rijst het beeld op van een bont gezelschap avonturiers, gelukszoekers en rovers, van wie sommigen 'gewoon' piraat en anderen 'gewoon' zeeman waren. Weer anderen waren gevlucht voor de Spanjaarden vanwege hun keuze voor Oranje, of door hun bekering tot het calvinisme. Een flink aantal was Nederlander, anderen Waal of Duitser of Engelsman. Gezamenlijk vormden zij een geduchte vijandelijke macht waar de Spaansgezinde koningsgetrouwen vaak geen vat op konden krijgen. Toen zij na 1575 de noordelijke zeegaten definitief in handen hadden gekregen, bleken ze op een andere manier van groot belang voor het land: veel geuzen werden schippers op de Oostzeevaart die de Republiek graan en rijkdom zouden brengen.