Geen paniek: het is geen schande als u Albert Cossery (1913-2008) niet kent. Met zeven romans en een verhalenbundel in een loopbaan van meer dan zeventig jaar is zijn oeuvre vrij beperkt. Interviews gaf hij nauwelijks, hij dook liever anoniem de Parijse nacht in. Toch verdient hij een veel breder lezerspubliek. Uitgeverij Jurgen Maas doet een aanzet. Na De luiaards in de vruchtbare vallei en Grote dieven kleine dieven is met De trotse bedelaars de derde Nederlandse vertaling van Cossery in drie jaar tijd verschenen.
...

Geen paniek: het is geen schande als u Albert Cossery (1913-2008) niet kent. Met zeven romans en een verhalenbundel in een loopbaan van meer dan zeventig jaar is zijn oeuvre vrij beperkt. Interviews gaf hij nauwelijks, hij dook liever anoniem de Parijse nacht in. Toch verdient hij een veel breder lezerspubliek. Uitgeverij Jurgen Maas doet een aanzet. Na De luiaards in de vruchtbare vallei en Grote dieven kleine dieven is met De trotse bedelaars de derde Nederlandse vertaling van Cossery in drie jaar tijd verschenen. Die nieuwste uitgave (oorspronkelijke titel Mendiants et orgueilleux, 1955) wordt algemeen beschouwd als Cossery's beste roman. Het verhaal speelt zich af in de arme volkswijken van Caïro, al wordt de stad niet bij naam genoemd. De hoofdpersonages zijn Gohar, een voormalige universiteitsprofessor die overleeft als brievenschrijver en boekhouder van een bordeel, en Nour El Dine, een homoseksuele rechercheur die belast is met het onderzoek naar de moord op een jonge prostituee en hopeloos verliefd is op Samir, die hem afwijst. Rond hen beweegt zich een groep van kleurrijke figuren, zoals de straatarme en luie kantoorklerk El Kordi, de aartslelijke dichter Yéghen en de bordeelhoudster en dramaqueen Set Amina. Cossery weigert hen als slachtoffers af te beelden. Zij leven in een parallelle wereld met eigen waarden en codes. Doorheen het dagelijkse doen en laten weeft de auteur tegelijk een lofzang op de onthechting en het nietsdoen én een spotlied op een wereld van luxe en consumptie waarin de rijken de armen onderdrukken. Niet dat Cossery voorbestemd was tot armoede en luiheid. Zijn Grieks-orthodoxe familie van vaderskant was afkomstig uit de Syrische stad Al-Qusayr en verhuisde aan het einde van de negentiende eeuw naar Egypte. De familienaam Qusayri werd verfranst tot Cossery. De Cossery's leefden van de opbrengst van hun gronden en hoefden dus niet te werken om een comfortabel leven te kunnen leiden. Dat nietsdoen heeft Albert tot een levenskunst uitgewerkt. In zijn befaamde pamflet Het recht op luiheid schreef Paul Lafargue in 1883 al: 'In de kapitalistische maatschappij is de arbeid de oorzaak van alle geestelijke verwording, van alle organische misvorming.' Het was Lafargues antwoord op 'het recht op arbeid' dat tijdens het revolutionaire jaar 1848 een belangrijke eis van het socialisme en het communisme geworden was. Cossery beweert boek na boek niets anders: arbeid doodt lichaam en geest. Op de vraag wat hij met zijn boeken wilde bereiken, antwoordde hij dat hij hoopte dat zijn lezers de volgende dag niet zouden gaan werken. Dat Cossery zestig jaar lang als schrijver-monnik in een Parijse hotelkamer woonde, is het ultieme bewijs van zijn verzet tegen het dogma van arbeid als levensvervulling. De jonge Albert groeit op in een Caïro waar de Britse invloed zeer groot is. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is Egypte een Brits protectoraat. In 1922 wordt het een onafhankelijk koninkrijk, maar de Britten blijven de touwtjes strak in handen houden. Hoewel er bij de Cossery's Arabisch wordt gesproken, krijgt Albert een Franstalige opvoeding. Het gebruik van het Frans wordt door de Egyptische elite als een antikoloniaal gebaar beschouwd. Via zijn oudere broers komt hij in contact met het werk van Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Stendhal en Fjodor Dostojewski. Dat hij schrijver zal worden, staat voor hem al vroeg vast. Vanaf 1938 maakt hij deel uit van de surrealistische groep Art et liberté , die zich verzet tegen de veroordeling van de hedendaagse kunst door de nazi's. Verzet zal een kernwoord blijven voor Cossery, maar het drukt zich bij hem in de eerste plaats literair uit: 'Ik kan geen zin schrijven die niet een bepaalde dosis rebellie bevat. Anders interesseert het me niet. Ik ben altijd verontwaardigd over alles wat ik om me heen zie.' Die verontwaardiging zal hij stileren tot literaire kleinoden. Van 1939 tot 1945 werkt hij als steward op een schip van de Egyptische koopvaardij. In 1945 gaat hij definitief in Parijs wonen. Na verloop van tijd neemt hij zijn intrek op een kamer in Hotel La Louisiane in de Rue de la Seine, Saint-Germain-des-Prés. Hij blijft er tot aan zijn dood wonen. Afgezien van een kortstondig huwelijk met een actrice hebben we daarmee de belangrijkste feiten van Cossery's leven wel gehad. Hij staat nooit voor het middaguur op, flaneert door zijn quartier - de elegante charmeur en opvallend geklede dandy is een graag geziene figuur in Saint-Germain-des-Prés. Cossery observeert het Parijse leven vanaf de terrassen en schrijft over 'de door God vergetenen' in Caïro, zoals de titel luidt van zijn roman uit 1941. Want ondanks zijn verblijf in de Franse hoofdstad zijn het de verschoppelingen in zijn geboortestad die zijn literaire verbeelding blijven bevolken. Hij verkeert in de Parijse avant-gardekringen van de jaren vijftig en zestig met schrijvers en kunstenaars als Albert Camus, Alberto Giacometti, Boris Vian, Jean Genet, Juliette Gréco en Lawrence Durrell. Cossery zal nooit de Franse nationaliteit aanvragen. Hij ziet zichzelf als een Egyptische schrijver die in het Frans schrijft, maar in het Arabisch denkt. Volgens kenners is hij erin geslaagd om de muziek van het Egyptische dialect in het Frans te laten meeklinken. Zijn humor en bijtende spot op iedereen die machtig en rijk was, leverden hem de bijnaam 'de Voltaire van de Nijl' op. Henry Miller schrijft in 1945 al een bijzonder lovend stuk over Cossery en zet zich in voor de publicatie van diens werk in Amerika. Miller ziet in Gossery's romans dieptes van wanhoop, ontaarding en berusting bij de onderklasse die Maksim Gorki en Fjodor Dostojewski in hun werken niet konden bereiken. 'Cossery geeft stem aan de stemlozen. Natuurlijk spreken ze niet zoals de marxistisch geïndoctrineerde beroepsagitatoren. Hun taal is kinderlijk, eenvoudig en soms zelfs onnozel, maar zwanger van betekenissen die de machtigen zullen laten schudden en beven wanneer ze die betekenissen begrijpen.' Miller besluit: 'Dit soort boeken gaat aan revoluties vooraf of verwekt ze.' Het enthousiasme van Miller heeft in Amerika zeker deuren geopend voor Cossery, maar hij slaat de bal toch enigszins mis qua interpretatie. In zijn romans kijkt Cossery inderdaad in de afgrond van de armoede, maar hij ziet daar niet alleen negativiteit en uitzichtloosheid, maar ook en misschien vooral humor en spot met de machthebbers en de mogelijkheid tot onthechting van het materiële. Het wereldbeeld van Cossery is dualistisch, net zoals de stad die hij in De trotse bedelaars beschrijft. De kantoorklerk El Kordi gaat op een bepaald ogenblik, zeer tegen zijn zin, naar de moderne Europese wijk, 'dat bolwerk van onderdrukking': 'Al die bedrijvige mensen die eruitzagen of ze juist aan een ramp ontkomen waren en op wier chagrijnige gezichten niets anders dan alledaagse zorgen stonden te lezen, kwamen hem buitengewoon vijandig voor. Hij vond hun gedrag ziekelijk en overdreven, en de massale grauwe eentonigheid werd door niets onderbroken. Deze lawaaierige, drukke menigte miste iedere vorm van humor, normaal gesproken zo karakteristiek voor de mens. Maar deze massa was onmenselijk.' Daartegenover staat de achterbuurt met haar leeglopers, kleine criminelen, anarchisten, semirevolutionairen en mislukte artiesten in groezelige cafés langs modderige en vuile straatjes. Dat is voor Cossery een alternatieve wereld. In zijn afwijzing van moderniteit en vooruitgang die de mens alleen maar van zichzelf, van de anderen en van het leven vervreemden, gaat Cossery zelfs zover dat hij het analfabetisme prijst: 'Analfabetisme bood een ware overlevingskans in een wereld die was voorbestemd om bloedig ten onder te gaan. (...) Het bloeddorstig gezag had geen enkele macht over mensen die nooit kranten lazen. De angst had geen greep op hen. Wonder boven wonder was de achterbuurt als enige streek in het land niet onder het geweld bezweken. Overal elders heerste de meest ongelofelijke waanzin.' Daarom ziet hij een groot gevaar in de radio, die in alle huiskamers binnendringt en met zijn al dan niet betrouwbare informatie voor onrust en verwarring zorgt. Cossery schreef De trotse bedelaars in 1955. De bovenstaande passage over angst zou naar de Koude Oorlog kunnen verwijzen. Er is ook sprake van de 'bom' die in één keer een hele stad kan vernietigen en dus iedere andere misdaad, zoals de moord op een prostituee, in de schaduw stelt. Gohar, tot op zekere hoogte Cossery's spreekbuis, 'wist dat angst niet inherent is aan het menselijke lot, maar met opzet wordt gecreëerd door bepaalde machten die duidelijkheid en eenvoudige argumenten op alle mogelijke manieren bestrijden. Voor die machten zijn eenvoudige ideeën doodsvijanden. Ze kunnen namelijk slechts gedijen bij gratie van obscurantisme en chaos!' Cossery kiest radicaal voor de havenots, maar - daarin had Henry Miller gelijk - hij houdt zich ver van een concrete politieke analyse. Slechts zelden raakt de cosseriaanse antiheld verstrikt in een politieke strijd. Hij houdt te veel van de simpele genoegens van elke dag om voor een betere wereld te vechten: een goed gesprek, hasj, verliefd worden, een gedicht schrijven... Het engagement van Cossery is filosofisch. Dat gaat niet helemaal op voor zijn nog niet vertaalde roman Une ambition dans le désert (1984), de enige roman die zich niet in Egypte afspeelt, maar in een fictief land in de Perzische Golf. Dat het land geen olie in de bodem heeft, is voor de held van het verhaal, Samantar, een zegen die het volk beschermt tegen de dolgedraaide consumptie. Dan schrikken een aantal revolutionaire aanslagen het land op. Samantar ontdekt dat ze door de eerste minister georganiseerd worden om de aandacht te trekken van de grootmachten, die voorheen maar weinig interesse hadden in een Golfstaat zonder olie. Het lijkt alsof Cossery de Eerste Golfoorlog van 1991 voorvoelde. Het gaat Cossery in de eerste plaats niet om een politieke maar om een individuele levenshouding. De levenskunst van de dandy en de flaneur. Baudelaire is nooit ver weg. De ware aristocratie is onthecht van consumptie, geweld en ijdelheid. Cossery ging er prat op dat hij zo goed als niets bezat en in een bijna lege hotelkamer woonde. De kunstwerken die hij van zijn artistieke vrienden kreeg, verkocht hij als hij geld nodig had. Die levensstijl staat lijnrecht tegenover de notie van autoriteit, zowel die van de staat als die van het eigen ego. Voor Cossery was dat een oosterse manier van denken, die duidelijk afstand neemt van de westerse ratrace. Zijn helden handelen niet uit ressentiment, maar reageren met spot en verfijning. De verbeelding van Cossery is een mengeling van verfijnd en grotesk, van surreëel en absurd. Zo zijn de buren van Gohar een onwaarschijnlijk koppel: een reus van een vrouw en een man zonder armen en benen. Iedere morgen draagt de vrouw hem op haar schouders naar een straathoek om daar te bedelen en iedere avond haalt ze hem opnieuw op. Gohar is getuige van een vreselijke ruzie over vermeend overspel van de man. Als hij na de ruzie de vrouw hoort kreunen van genot, kan hij niet anders dan 'de superioriteit van de man' constateren. Cossery redt zich hier nog op het nippertje met zijn groteske verbeelding, maar er kunnen bij momenten kritische vragen gesteld worden bij zijn vrouwbeeld. 'Het is kiezen of delen: of de vooruitgang of je gemoedsrust. Wij hebben voor onze gemoedsrust gekozen', zo luidt het ondubbelzinnig in de roman. In een beeldrijke en muzikale taal maakt Cossery korte metten met ambitie en carrière, met zelfmanagement en maakbaarheid, met het vooruitgangsdenken. Daartegenover zet hij onthechting, observatie, verfijning, genot en humor. De figuur van de kunstenaar als dandy staat ogenschijnlijk haaks op de eigentijdse activist, al is hij wellicht diens passieve keerzijde. Voor Cossery is de schrijver 'iemand die naar de markt gaat, die naar alles kijkt, die niets koopt of verkoopt en toch met volle handen naar huis terugkeert'. Scherper kunnen materiële onthechting en geestelijke verrijking niet verwoord worden.