De gevangenschap sloopte de bon-vivant Casanova. 's Zomers leed hij onder een ondraaglijke hitte, 's winters hadden de ijzige vingers van de kou hem in hun greep en heerste er per etmaal 19 uur van volstrekte duisternis. En dan die vermaledijde ratten! Groot als konijnen! Vlooien deden zich tegoed aan zijn bloed, aambeien ondergroeven zijn rust. Eenzaamheid en verveling hielden hem permanent gezelschap. Toen rijpte in hem een besluit. Hij zou wagen wat nog geen gevangene van de inquisitie voor hem gelukt was: Casanova nam zich voor te ontsnappen uit de Loden Kamers, de beruchte kerkers van de republiek Venetië.
...

De gevangenschap sloopte de bon-vivant Casanova. 's Zomers leed hij onder een ondraaglijke hitte, 's winters hadden de ijzige vingers van de kou hem in hun greep en heerste er per etmaal 19 uur van volstrekte duisternis. En dan die vermaledijde ratten! Groot als konijnen! Vlooien deden zich tegoed aan zijn bloed, aambeien ondergroeven zijn rust. Eenzaamheid en verveling hielden hem permanent gezelschap. Toen rijpte in hem een besluit. Hij zou wagen wat nog geen gevangene van de inquisitie voor hem gelukt was: Casanova nam zich voor te ontsnappen uit de Loden Kamers, de beruchte kerkers van de republiek Venetië.Hoe hij ooit in deze onverkwikkelijke situatie beland was, bleef hem zelf een raadsel. Hij was zich van geen misstap bewust. Daarom ontbraken ook bange voorgevoelens toen op de vroege ochtend van de 26ste juli 1755 de messer grande, de Venetiaanse politiechef, zijn slaapkamer betrad en hem toevoegde: 'Kleedt u zich aan en komt u mee!' Meer niet. Ook later kreeg Casanova geen reden voor zijn arrestatie te horen. Maar hij liet zich niet opjagen. Zoals het een heer van stand betaamde, schoor en fatsoeneerde hij zich eerst en greep toen naar zijn kanten hemd en zijn zondagse mantel.Over de ware reden voor zijn aanhouding is veel gespeculeerd. Ging het om tovenarij, vrijmetselarij, godslastering, ontucht? Of was de republiek er beducht voor dat hij staatsgeheimen zou verraden, enkel om op grote voet te kunnen blijven leven? Vast staat dat de edelsmid Giambattista Manuzzi op Casanova's spoor gezet werd. De man was spion van de inquisitie en voorzag die van belastend materiaal. In zijn rapporten schreef Manuzzi over opruiende taal die de bon-vivant tegenover andere drinkebroers uitgeslagen zou hebben. Bovendien had hij God en de heiligen gelasterd, het atheïsme gepropageerd, Ariosto, Horatius, Aretinus en andere zedenbedervende geschriften gelezen. Hoewel Casanova ervan op de hoogte was dat men hem liet schaduwen, was hij er niet toe te brengen Venetië uit voorzorg te verlaten. Hij bleef onbekommerd zijn leventje leiden.Toch werd hij op 12 september 1755 tot vijf jaar gevangenis veroordeeld, door te brengen op de zolders van het dogenpaleis, die 'met drie voet grote, eentwaalfde duim dikke, vierkante loden platen' waren afgedekt en daaraan ook hun naam van Loden Kamers dankten. De voor die tijd zo typische onderaardse kerkers bestonden in Venetië niet, omdat de stad in het water van een lagune gebouwd was. Ook toen kreeg hij niet te horen op welke gronden hij veroordeeld was en hoeveel tijd hij precies achter de tralies door zou moeten brengen. Zulke willekeurige veroordelingen, zonder aanklacht en proces, waren voor die tijd niets ongewoons. Aanvankelijk was Casanova er nog vast van overtuigd al snel weer op vrije voeten te zijn. Helaas, hij was tussen de raderen van de justitiële molen geraakt, die zijn werk in het verborgene deed en onberekenbaar was. 'Het werd mij duidelijk dat ik mij op een plaats bevond waar de leugen zich als waarheid en de werkelijkheid als droom voordeed,' aldus de gevangene, die nu in volstrekte afzondering van familie en vrienden leefde. De onzekerheid en de mensonterende toestanden brachten hem in vertwijfeling. Hij zon op wraak, vierde zijn woede bot op z'n cel en voelde zich daarna meer in het rijk der doden dan dat van de levenden. Op een gegeven moment stak de verdenking bij hem de kop op dat men hem hier zou laten wegrotten. Deze uitzichtloosheid sterkte hem in zijn vluchtplannen. Met geweld zou hij de plaats verlaten waar men hem met geweld hield opgesloten: 'Dit was de enige gedachte die ik nog had.'Licht! Casanova had licht nodig om zijn plan uit te voeren. Hij ging aan het knutselen: slaolie, een aarden pannetje voor roerei, katoendraden uit zijn deken, vuursteen, tondel - klaar was de olielamp. Bij het vervaardigen van het gereedschap waarmee hij zich een weg naar de vrijheid zou banen was hij al even vindingrijk. Veertien dagen lang wreef hij het uiteinde van een ijzeren staaf over een stuk marmer - beide voorwerpen gevonden op de zolder, waar hij dagelijks de benen mocht strekken. Dat slijpwerk was een heidens karwei. Opengesprongen blaren op de handen en hevige gewrichtspijn negeerde hij. Eindelijk had hij dan een bruikbare puntbeitel in handen. Overdag zat die in zijn stoel verstopt, 's nachts was nu het echte werk begonnen. Wekenlang hakte hij aan een gat in de vloer, het gevaar om ontdekt te worden was groot. Door het gat zou hij zich aan zijn beddengoed laten zakken tot in de vergaderzaal van de inquisitie. Daar zou hij zich verstoppen, om dan te vluchten zodra iemand de deur open liet. Een vermetel plan, maar Casanova was vastbesloten: 'Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat een mens die zich voorneemt een plan uit te voeren en al zijn zinnen daarop zet, ondanks alle moeilijkheden zal slagen.' In drie weken werkte hij zich door drie vloerplanken, toen stuitte hij op een zoldering van terrazzo marmorin (marmerkorrels in cement) met daaronder weer een betimmering. Hij werkte als een bezetene. In de nacht van 26 op 27 augustus 1755 zou hij zijn ontsnapping wagen. Twee dagen daarvoor gebeurt er echter iets verschrikkelijks: 'Heer, ik kom u goed nieuws brengen, waar ik u van harte geluk mee wens,' aldus de opgewonden cipier Lorenzo. Hij had opdracht om de gevangene naar een betere cel met meer lucht en licht over te brengen. Casanova was radeloos. Hij smeekte erom van deze gunst af te mogen zien. 'Hoe graag had ik gewild dat dat zalige gat ... mij gevolgd was, maar dat kon niet; mijn lijf ging, mijn ziel bleef achter.'De weerspannige gevangene was terug bij af. Toen Lorenzo het gat in de vloer ontdekte, was hij woedend. Casanova bezwoer hem echter de vluchtpoging niet bij de inquisitie te melden. Deed Lorenzo dat wel, dan zou hij, Casanova, verklaren dat de cipier het gereedschap binnengesmokkeld had. De cipier hield daarom zijn ontdekking voor zich, maar wreekte zich op Casanova door hem alleen nog maar 'azijnzure wijn, vuil water, verlepte groente en stinkend vlees' te brengen. Bovendien liet hij zijn knechts nu elke dag met een ijzeren staaf de wanden en de vloer van de nieuwe cel op holtes akloppen - maar het plafond niet. 'Na deze constatering rijpte in mij binnen een paar dagen het plan om langs die weg te ontsnappen.'Casanova's vasthoudendheid werd door het toeval beloond. Hij vond een medeplichtige in de monnik Marino Balbi. Van Lorenzo mochten zij boeken uitwisselen en dit verkeer gebruikten zij om elkaar briefjes te schrijven. Algauw had Casanova Balbi voor zijn ontsnappingsplan gewonnen. Hij deed zijn nieuwe vriend in een Bijbel de puntbeitel toekomen. Balbi ging daarmee meteen de muur van zijn cel te lijf. Als hij daar een doorbraak gemaakt had, zou hij ook een gat in plafond van Casanova's cel uithakken. In de nacht voorafgaand aan Allerheiligen van 1756 was het zover. Nevelflarden omspoelden de daken van Venetië. Op de zolder van het dogenpaleis aangekomen schoof het tweetal de loden platen uiteen. Toen wachtten ze nog een paar uur. De maan scheen nog te helder. Pas later kropen ze over de gladde platen naar de nok van het dak. Eenmaal daar wisten ze het even niet verder. Toen viel Casanova's blik op een dakraam. Daardoor zouden ze binnen kunnen klimmen in dat deel van het dogenpaleis dat niet tot de gevangenis behoorde. Hij bond Balbi een touw om de borst en liet hem door het raam naar beneden zakken. Maar hoe moest hij Balbi zelf heelhuids achterna? Voor een sprong was de afstand te groot. Toen ontdekte hij een ladder op het dak. Die tilde hij in een uiterste krachtsinspanning door het raam.Door een hevige kramp was hij bijna naar beneden gevallen, maar toch kwam hij heelhuids beneden aan. Eerst moesten ze van alle inspanningen bekomen. Ze sliepen vier uur, tot in de morgenschemer. Ze sprongen op, braken deuren open, repten zich over verlaten gangen, wrongen zich door gaten. De verleider zag er helemaal niet zo verleidelijk meer uit: 'Mijn verschijning zou elk mens de stuipen op het lijf jagen, want ik zat onder de schrammen en het bloed.' Zo goed en zo kwaad als het ging maakte hij zijn toilet, fatsoeneerde zijn hoed met edelsteen, Spaanse kant en witte vederbos. Toen opende hij een venster en keek erdoor naar buiten. Voorbijgangers op de binnenplaats van het paleis ontdekten hem en sloegen alarm. Kennelijk was een heer van stand de dag ervoor ingesloten geraakt. De conciërge kwam om de ongelukkige te bevrijden. Toen hij de deur opende, stormden Casanova en de monnik aan hem voorbij de vrijheid tegemoet. Ze renden de Piazetta over, sprongen in een gondel en lieten zich naar Mestre overzetten. Tijdens de overtocht plengde Casanova tranen van geluk. Daarna ging hij te voet verder - helemaal tot in München.Hij heeft er dan vijftien maanden in de Loden Kamers opzitten, achttien jaar van verbanning uit Venetië voor zich, tot de staatsinquisitie hem in 1774 gratie verleent. Het verhaal van zijn ontsnapping maakt hem tot een Europese beroemdheid. Als hij als vrij man in de lagunestad terugkeert, is hij vijftig. Al gauw vindt hij een nieuw baantje: hij wordt zelf 'confidente', geheimagent van de staatsinquisitie.