1. At Eternity's Gate (2018) Regie: Julian Schnabel

Van Lust for Life, de campy klassieker van Vincente Minnelli uit 1956, tot de animatiefilm Loving Vincent uit 2017, die zijn levendige, post-impressionistische doeken via rotoscopie tot leven wekt: geen kunstenaar is al zo vaak op film gevierd als Vincent van Gogh. Daardoor werd hij het zinnebeeld van de geniale maar getormenteerde gek die zijn tijd vooruit was. At Eternity's Gate probeert dat geromantiseerde beeld bij te sturen. Julian Schnabel, filmmaker, maar ook zelf een excentriekeling pur sang, schetst de Hollandse meester vlak voor zijn (zelf)moord in 1890. Hij doet dat met impressionistische toetsen en dus met veel close-ups, uit de hand gedraaide shots en flou artistique. Het resultaat is een sensueel, veeleer gevoelsmatig dan kunsthistorisch correct portret. Schnabel toont zich bovendien minstens zo geïnteresseerd in Van Goghs palet en driftige stijl als in zijn getroebleerde binnenste, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de manier waarop Vincent in extase raakt door zinderende Zuid-Franse landschappen, licht en kleuren. Voeg daar met Willem Dafoe nog een uitmuntende hoofdrolspeler aan toe, en je krijgt een biopic die stukken boeiender en picturaler is dan Basquiat (1996), Schnabels portret van het ook al vroeg gestorven enfant terrible van de New Yorkse kunstscene van de jaren tachtig.
...

Van Lust for Life, de campy klassieker van Vincente Minnelli uit 1956, tot de animatiefilm Loving Vincent uit 2017, die zijn levendige, post-impressionistische doeken via rotoscopie tot leven wekt: geen kunstenaar is al zo vaak op film gevierd als Vincent van Gogh. Daardoor werd hij het zinnebeeld van de geniale maar getormenteerde gek die zijn tijd vooruit was. At Eternity's Gate probeert dat geromantiseerde beeld bij te sturen. Julian Schnabel, filmmaker, maar ook zelf een excentriekeling pur sang, schetst de Hollandse meester vlak voor zijn (zelf)moord in 1890. Hij doet dat met impressionistische toetsen en dus met veel close-ups, uit de hand gedraaide shots en flou artistique. Het resultaat is een sensueel, veeleer gevoelsmatig dan kunsthistorisch correct portret. Schnabel toont zich bovendien minstens zo geïnteresseerd in Van Goghs palet en driftige stijl als in zijn getroebleerde binnenste, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de manier waarop Vincent in extase raakt door zinderende Zuid-Franse landschappen, licht en kleuren. Voeg daar met Willem Dafoe nog een uitmuntende hoofdrolspeler aan toe, en je krijgt een biopic die stukken boeiender en picturaler is dan Basquiat (1996), Schnabels portret van het ook al vroeg gestorven enfant terrible van de New Yorkse kunstscene van de jaren tachtig. Over de beroemde Russische iconenschilder en monnik Andrej Roeblev is weinig met zekerheid bekend. Vermoedelijk leefde hij van 1360 tot 1430, een turbulente tijd waarin Rusland werd geteisterd door invallen van de Tataren en religieus sektarisme. Zijn stoffelijke resten zijn pas in 2006 teruggevonden, in een klooster in Moskou. Andrej Tarkovski, peetvader van de metafysische cinema, had geen klassieke biopic in de zin. Zijn Andrej Roeblev is een epische droom over een visionaire kunstenaar die door de waanzinnige middeleeuwen strompelt en zo getroebleerd raakt door de ellende die hem omringt dat hij aan de schilderkunst verzaakt - want die kan de wereld toch niet redden. Tarkovski giet Roeblevs zoektocht naar spirituele verlossing in imposante, sombere zwart-wittableaus die plots plaatsmaken voor explosies van kleur en licht wanneer je eindelijk de prachtige iconen en fresco's van de schilder te zien krijgt. Geen wonder dat dit epos zich laat lezen als een viering van de overwinning van kunst en geloof op politieke en sociale tirannie, een boodschap die ook het Sovjetregime niet ontging. Hoewel de film in 1969 in première ging in Cannes, en daar ook in de prijzen viel, zette de Sovjetcensuur er achteraf flink de schaar in. Pas in 1971 werd Andrej Roeblev (gedeeltelijk) opnieuw vrijgegeven. Een ode aan de zuiverheid van de orthodoxe kunst, en een persoonlijke favoriet van Roy Andersson, Richard Linklater, Lars Von Trier en tal van andere topregisseurs. Edvard Munch, bejubeld als een van de beste biografische kunstenaarsfilms, zoomt in op de periode 1884-1894 uit het leven van de sombere Noorse proto-expressionist, afgewisseld met flashbacks naar zijn trieste jeugd. Daarvoor boogt Peter Watkins, die ook de voice-over insprak, vooral op Noorse amateuracteurs die verschillende sleutelmomenten uit Munchs leven naspelen. Bij momenten vertellen ze hun verhaal ook rechtstreeks (en grotendeels geïmproviseerd) tegen de camera, waardoor het lijkt alsof ze geïnterviewd worden. Dezelfde techniek had Watkins al gebezigd in The War Game (1966), zijn Oscarwinnende docudrama over een hypothetische nucleaire aanval op het Verenigd Koninkrijk. In Edvard Munch gaat het vooral over de invloeden die het door schrille kleuren en expressieve lijnen gedomineerde werk van het titelpersonage vormgaven, over de vele psychische ziektes die in zijn familie sluimerden en over zijn affaire met een getrouwde vrouw. Ingmar Bergman noemde Watkins' werk 'geniaal'. Ook de chronisch door angsten en onzekerheden geplaagde schilder van De Schreeuw zou er beslist geen zenuwinzinking aan overgehouden hebben. In deze complexe, visueel vernuftige en soms ook heerlijk smerige biopic wordt J. M. W. Turner, de negentiende-eeuwse Engelse meester van de elementen, door Mike Leigh, de maker van sociaal geïnspireerde uppercuts als Vera Drake, neergezet als een typische Leigh-protagonist: nukkig, nors, sarcastisch, amper in staat om zijn emoties te verklanken maar gedreven, recalcitrant en oprecht, en verdacht veel lijkend op Timothy Spall, Leighs fetisjacteur. Alle scharniermomenten uit de herfst van Turners leven komen aan bod. Hoe hij als buitenbeentje van bescheiden komaf een beetje bewonderd maar toch vooral bespot wordt door zijn hovaardige collega's van de Royal Academy in Londen. Hoe hij in zonde samenleeft met zijn huishoudster en af en toe zijn verbitterde ex over de vloer krijgt. En vooral: hoe hij wild met verf, borstels en desnoods ook zijn eigen spuug tekeergaat om de woeste stormen, dreigende wolken, kolkende watermassa's en vergane scheepswrakken op het canvas te krijgen waarmee hij de invloedrijkste Engelse schilder van zijn generatie werd, een visionair die in volle romantiek al richting abstractie wees. Leigh voegt aan zijn portret ook enkele toetsen toe over kunstkritiek en nieuwe technologie (Turner was gefascineerd door de opkomende fotografie), waardoor je voelt dat de aldoor grommende en mompelende Turner, die af en toe wel een over het Kanaal gewaaide West-Vlaming lijkt, eigenlijk een weerspiegeling van de cineast is. Het Engelse kunstestablishment vond dat John Maybury maar beter van Francis Bacon - de beroemdste Britse schilder van na de Tweede Wereldoorlog - af kon blijven, en dus gaven de erven Bacon geen toestemming om zijn huiveringwekkende schilderijen, met hun gewrongen lichamen, gekooide personages en lege achtergronden, te gebruiken. Dat nadeel draaide Maybury, die het vak onder meer leerde bij Derek Jarman, op inventieve wijze om in zijn voordeel. Op meerdere momenten in deze biopic, die inzoomt op Bacons relatie met zijn laatste model en minnaar, George Dyer, zie je hoe geliefden naakt in een soort worstelhouding liggen. Hoe de shots door een strak kader worden afgebakend, met daarbinnen een schriel, eenzaam figuur. Of hoe een gloeilamp aan een touwtje zwaait in een kale ruimte. Stuk voor stuk zijn dat motieven in Bacons in giftige kleuren en existentiële wanhoop gedrenkte werk. In die zin biedt Love Is the Devil niet alleen een accuraat portret van de schilder die openlijk homo was toen dat in het Verenigd Koninkrijk nog bij wet verboden was, of van het marginale milieu waarin hij tot aan zijn dood in 1972 leefde. Je ziet ook hoe hij werkte, hoe hij dacht, hoe zijn verontrustende doeken tot stand kwamen, en dat op een manier die stukken authentieker oogt dan de gemiddelde kunstenaarsbiografie. Derek Jacobi schittert als de duivelskunstenaar, terwijl u de jonge Daniel '007' Craig herkent als zijn partner - Dyer kon Bacons destructieve levensstijl niet aan en pleegde in 1971 zelfmoord. Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) was niet alleen de man die de barokschilderkunst revolutioneerde met zijn rauwe, recht uit het straatleven gegrepen realisme, met zijn dramatische licht-donkercontrasten en zijn zwoele, subversieve erotiek. Ook buiten het atelier liet de geniale Italiaan zich allerminst onbetuigd, met tal van amoureuze affaires (met vrouwen en mannen), bras- en vechtpartijen en zelfs een duel met dodelijke afloop (voor zijn tegenstander). Geen wonder dat Derek Jarman - gay, rebel en ook vroeg gestorven - zich aangetrokken voelde tot de bad boy van de barok. In deze hoogstpersoonlijke visie op zijn leven en werk zie je hoe Caravaggio op zijn sterfbed terugdenkt aan zijn jeugd en de gebeurtenissen die tot zijn ballingschap leidden, terwijl zich een driehoeksrelatie ontspint tussen hem, de straatvechter Ranuccio en diens vriendin Lena. Jarman schildert een koortsige stoet aan strakke tableaus die telkens worden opgehangen aan Caravaggio's beroemde doeken en overgoten worden met het heftige clair- obscur waarmee de maestro furore maakte. Caravaggio is een visueel geraffineerde, soms vulgaire trip door de mean streets van zeventiende-eeuws Rome, maar dan wel één waarin je zakrekenmachines, toeterende auto's, een elektrisch verlichte loungebar en andere anachronismen kunt spotten - Jarman haalde het verleden wel vaker postmodern door de mangel. In de rol van Lena herkent u Tilda Swinton, die hier haar filmdebuut maakt en ook in elke latere Jarman-film te zien zou zijn, waaronder The Last of England, een al even eigenzinnige biopic over de prerafaëlitische kunstschilder Ford Madox Brown. Aanvankelijk zou Ed Harris, de karakterkop uit onder meer The Right Stuff, The Truman Show en A History of Violence, alleen de hoofdrol in deze prent spelen - hij lijkt sprekend op Jackson Pollock. Toen hij geen enkele regisseur vond die net zo gepassioneerd was door het boegbeeld van het Amerikaanse abstract expressionisme als hij, besloot hij om zelf in de regiestoel te gaan zitten. Met succes. In zijn passieproject laat Harris alle scharniermomenten uit Pollocks leven de revue passeren, vaak bot en abrupt, maar ook zonder de duffe driestuiverspsychologie die je er in veel Hollywoodbiopics bij krijgt. Hoe Pollocks vrouw Lee Krasner, zelf een begenadigde schilderes, hem aanvankelijk aanmoedigt en zich als zijn manager ontpopt, ook al blijkt hij een overspelige, drankzuchtige en manisch- depressieve driftkikker. Hoe hij een avontuurtje beleeft met de wereldvermaarde galeriste Peggy Guggenheim, die hem in de jaren vijftig internationaal doet doorbreken. Maar ook hoe hij actionpainting bedenkt: vrij en onbelemmerd schilderen door het canvas op de grond te leggen en de verf er haast in trance op te gieten of te gooien. Pollock hield er de bijnaam Jack The Dripper aan over, en deze fraaie biopic met Ed Harris in de rol van zijn leven. Met zijn levendige schilderijen, tekeningen, litho's en affiches van Parijse danseressen, hoeren, nachtbrakers, fietsers en jockeys werd Henri de Toulouse Lautrec (1864-1901) de chroniqueur bij uitstek van het negentiende-eeuwse fin de siècle. Et bien mérité. Tegelijk was hij een koele, emotioneel onthechte observator van het bruisende nachtleven in en rond de Moulin Rouge en een outsider tegen wil en dank - door een val van een paard had hij onvolgroeide ledematen. Dat dubbelzinnige beeld hangt Hollywoodtitaan John Huston, de regisseur van The Maltese Falcon, The African Queen en andere oerklassiekers, van hem op in deze visueel flamboyante, maar verder verrassend onsentimentele biografie. Aangezien het om een Hollywoodspektakel uit de jaren vijftig gaat, wordt Lautrecs geklooi met drank, drugs en prostituees - een levensstijl die hem al op zijn 37e fataal werd - wel erg preuts behandeld, maar José Ferrer is onvergetelijk als de kleine reus van het Parijse nachtleven, die hopeloos verliefd wordt op een straatmadelief die uiteindelijk zijn ondergang veroorzaakt. Hustons regie is weelderig, exuberant en secuur tegelijk, en de experimentele kleurenfotografie van cameraman Oswald Morris, die met behulp van filters en rook de monochrome kwaliteit van Lautrecs schilderijen reproduceert, is zo verbluffend dat je spontaan de cancan wilt dansen. Het monumentale schuttersstuk De Nachtwacht uit 1642 is niet alleen Rembrandt van Rijns beroemdste werk, het kroonjuweel van de Hollandse Gouden Eeuw en het Amsterdamse Rijksmuseum. Het is ook een j'accuse, waarin hij allerlei hints verwerkte die duidelijk moesten maken dat de afgebeelde edellieden een moord hadden beraamd. Dat is tenminste de these die de Britse beeldenstormer Peter Greenaway met veel animo naar voren schuift in dit eigenzinnige zeventiende-eeuws moordmysterie dat moet verklaren waarom de meester- schilder (vertolkt door Martin Freeman), ondanks alle faam en fortuin die hij had vergaard, na zijn cryptische, politiek beladen beschuldiging uiteindelijk toch berooid eindigde. Greenaway, die aanvankelijk zelf schilder wilde worden en altijd al een fetisj voor intellectuele spelletjes en encyclopedische referenties had, berijdt zijn stokpaardjes in volle galop. Ingewikkelde intriges en dito dialogen, tableaux vivants bevolkt door flamboyante, half of volledig ontblote personages: het passeert allemaal de revue, hypertheatraal en strak symmetrisch in beeld gebracht, waarbij de maker van The Cook, the Thief, His Wife and Her Lover en andere arthousefilms met hoofdletter A als vanouds feit en fictie door elkaar laat glijden. Hebt u Rembrandt liever klassieker, introverter en vooral een stuk historisch accurater, dan is er altijd nog Alexander Korda's puike biografie uit 1936, met de onsterfelijke Charles Laughton in de titelrol. Je kunt de kunstenaar zelf tot leven wekken, maar je kunt je ook beperken tot zijn werken en daarmee minstens zo veel zeggen over zijn thema's en zijn tijd. Dat is wat de Oostenrijkse found footage-filmmaker Gustav Deutsch tracht te doen in deze fascinerende film die bestaat uit dertien doeken van Edward Hopper (1881-1967), The Great American Realist. De doeken dienen als achtergrond om het verhaal te vertellen van een actrice uit het New York van de jaren dertig tot vijftig. Hotel Room, Office at Night, Morning Sun: het zijn maar enkele van Hoppers iconische schilderijen die door Deutsch tot filmdecor worden omgebouwd, terwijl Shirley - zo heet de actrice - in de voice-over vertelt over haar beroep, haar eigen leven en dat van haar partner Steve. Elke episode wordt ingeleid door radioberichten over wat er voorvalt in de wereld -- de Grote Depressie, de Tweede Wereldoorlog, de communistenjacht van senator Joseph McCarthy - waardoor dit niet alleen een kunstzinnig curiosum is, maar vooral ook een hoogst originele en strak minimalistisch vormgegeven reconstructie van Hoppers universum, waarin mensen eenzaam en ongelukkig zijn, steden en straten desolaat ogen, en het banale en het bekende iets transcendents en unheimlichs krijgen.