Zullen we beginnen met enkele clichés? Henri De Braekeleer (1840-1888) was de schilder van het oude Antwerpen: verweerde trapgevels, nauwe stegen en pittoreske doorkijkjes met daarbij de kathedraal als glorierijk oriëntatiepunt. In altijd overvolle kamers met zolderingen van houten balken en glas-in-loodramen zitten mannen en vrouwen verdiept in lectuur, naaiwerk of andere handenarbeid. Een vrouw spint wol of doet de was, een man zit te staren, kijkt uit het raam of schenkt stiekem een glaasje jenever in. Steevast heerst in de meestal kleine schilderijen een oorverdovende stilte, alsof de wereld onder een stolp zit. De Braekeleer heeft goed gekeken naar de Hollandse zeventiende-eeuwse meesters: ook hij schildert ragfijne taferelen, waar het licht zijig naar binnen valt. Kortom: hij is de Vermeer van de negentiende eeuw. Punt uit.
...

Zullen we beginnen met enkele clichés? Henri De Braekeleer (1840-1888) was de schilder van het oude Antwerpen: verweerde trapgevels, nauwe stegen en pittoreske doorkijkjes met daarbij de kathedraal als glorierijk oriëntatiepunt. In altijd overvolle kamers met zolderingen van houten balken en glas-in-loodramen zitten mannen en vrouwen verdiept in lectuur, naaiwerk of andere handenarbeid. Een vrouw spint wol of doet de was, een man zit te staren, kijkt uit het raam of schenkt stiekem een glaasje jenever in. Steevast heerst in de meestal kleine schilderijen een oorverdovende stilte, alsof de wereld onder een stolp zit. De Braekeleer heeft goed gekeken naar de Hollandse zeventiende-eeuwse meesters: ook hij schildert ragfijne taferelen, waar het licht zijig naar binnen valt. Kortom: hij is de Vermeer van de negentiende eeuw. Punt uit. De clichés kloppen, althans op het eerste gezicht. Tegelijk is er in zijn schilderijen allerlei vreemds en bizars aan de hand. Bij nader toezien is De Braekeleer helemaal geen miniatuurschilder met een nostalgische hang naar de Antwerpse gouden eeuw, hij is geen schilderende heemkundige of doorgedraaide brocanteur. Vincent van Gogh had meteen in de gaten dat Henri De Braekeleer een vernieuwende schilder was. Op 14 december 1885 schreef Vincent vanuit Antwerpen aan zijn broer Theo dat hij 'twee studies' had gezien van Henri De Braekeleer: Vincent vond hem een 'fameus colorist', die 'rigoureus analyseert', 'even oorspronkelijk als Manet'. Een vergelijking die kan tellen: Edouard Manet, de schilder van aanstootgevende werken als Olympia (1863) en Le déjeuner sur l'herbe (1863) is nu eenmaal de grondlegger van het Franse modernisme. Manets merkwaardige schilderij Un bar aux Folies-Bergère was op de Driejaarlijkse Salon van 1882 in Antwerpen te zien. Daarnaast hing - toeval of niet - De oude herberg Het Loodshuis van De Braekeleer. De twee curatoren van de tentoonstelling in Namen - Herwig Todts, conservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, en Ronny Van de Velde, kunsthandelaar en -collectioneur - zijn duidelijk: 'Het gaat bij De Braekeleer om de grote vrijheid van schilderen. Zeker in zijn laatste tien jaar zoekt hij zijn eigen weg naar een nieuw soort schilderkunst.' De tentoonstelling in het Musée Rops heet dan ook: Fenêtre ouverte sur la modernité. Maar wie was die De Braekeleer nu eigenlijk? Geboren in 1840 in Antwerpen, ging hij naar de Antwerpse academie en kreeg voorts les van zijn vader Ferdinand De Braekeleer, schilder van amusante en romantisch-pittoreske scènes. Hij ging ook in de leer bij zijn oom Henri Leys, de historieschilder die zich verzette tegen de heroïsche romantiek van Gustave Wappers. Vermoedelijk heeft Leys bij De Braekeleer de interesse voor het middeleeuwse Antwerpen en de minutieuze weergave van historische gebouwen aangewakkerd. Toch is Henri De Braekeleer van een totaal ander kaliber: geen grote gebaren of historische onderwerpen, maar het leven van alledag in sleetse omgevingen. Op de rand van de roerloosheid. In het adembenemende schilderij De man in de stoel uit 1876, dat in Namen te zien is, zit een oude man eenzaam en alleen te suffen in een stoel. Zijn ogen staan droevig, hij ontwijkt onze blik - en die van de schilder. De anonieme man bevindt zich in de raadzaal van het Brouwershuis in Antwerpen, dat toentertijd geroemd werd voor zijn prachtig bewaarde interieur met zeventiende-eeuws goudlederbehang. Dat behang lijkt trouwens, met zijn krioelende planten- en bloemenmotieven, het echte hoofdpersonage van het schilderij te zijn en geeft het werk een opmerkelijke dynamiek. Voorts heerst er, zoals meestal bij De Braekeleer, 'een kwijnende zondagse stemming'. Dat zijn de woorden van schrijver Maurice Gilliams, die in 1939 een spraakmakend essay aan De Braekeleer wijdde. Wie goed kijkt, ziet hoe de tijd knaagt. De man in de stoel is oud en moedeloos, zijn schoenen zijn versleten en de stoffering van een stoelleuning is gescheurd. Het schilderij ademt een sfeer van stille aftakeling: melancholie, kortom. En 'de fataliteit van het vergankelijke', zoals Gilliams het noemde. Henri De Braekeleer schilderde ook graag overladen burgerlijke interieurs: eetkamers volgestouwd met meubels, tafels, tafelkleden, vazen, beelden en allerhande bibelots, die nog eens verdubbeld worden in de vele spiegels. Alsof de figuren nauwelijks bewegingsruimte krijgen in verstikkende interieurs. Kamers als keurslijven. Net als de man in de stoel lijken de personages bijna te bezwijken onder het gewicht van de geschiedenis. Was dat de idee die De Braekeleer wilde schilderen? Even opmerkelijk is dat De Braekeleer de middeleeuwse binnenstad schilderde en niet het economisch bruisende Antwerpen. De haven was sinds de jaren 1860 explosief aan het groeien, de handel trok aan en de stad breidde zich spectaculair uit. Toch schilderde De Braekeleer zelden de haven maar wel een wereld die aan het verdwijnen was. Vanaf 1860 werd er veel gesloopt in Antwerpen: de middeleeuwse buurt rond het Steen ging op de schop, de Scheldekaaien werden rechtgetrokken en de Leien aangelegd. Zelf woonde de schilder in een chic negentiende-eeuws pand op een van de pas aangelegde brede boulevards: de Leopoldlei, de huidige Belgiëlei. Zijn leefwereld was dus het moderne Antwerpen, maar dat schilderde hij niet. De stille, verschaalde wereld die hij minutieus in beeld bracht, kraakte in alle voegen. Had hij heimwee naar die ' temps perdu', of zit er toch onderhuidse kritiek in zijn werk op die ouderwetse, verstikkende, bloedeloze manier van leven? Hoezeer De Braekeleer een modernist was, blijkt uit zijn werk van de laatste tien jaar. Hij ging losser, wilder, 'impressionistischer' schilderen. Heeft de ontdekking van Manet hem op een nieuw spoor gezet? Net als Manet maakt hij plots veel stillevens. En met De volksvrouw (1881-'85) schildert hij zelfs een naakte vrouw op de rug gezien. Er wordt gezegd dat hij psychische problemen had, maar dat weerlegt Herwig Todts. Misschien had de conservatieve goegemeente dergelijk gerucht nodig om zijn gewaagde 'impressionistische' penseelvoering te verklaren. De Braekeleer stierf vrij jong, op z'n 48e. Doodsoorzaak onbekend. Hij heeft zijn leven lang in het ouderlijk huis gewoond, samen met z'n drie zussen. En hij zou in zijn leven niet meer dan tachtig woorden hebben gesproken. Veel mysteries omringen hem. Maar het is wel zeker dat James Ensor en Rik Wouters met bewondering naar zijn werk keken, geboeid door zijn fascinatie voor licht en dynamiek.