Vorig jaar verscheen Women & Power: A Manifesto van Mary Beard. Het boek krijgt in volle #metoo-explosie veel aandacht en wordt nu al bestempeld als een grote feministische klassieker. Beard gaat ervan uit dat de ongelijke machtsposities van vrouwen en mannen alles te maken hebben met silencing: al sinds de klassieke oudheid krijgen vrouwen geen stem op het openbare forum, die is voorbehouden aan mannen. Vrouwen die toch machtsposities bekleden, voldoen niet aan de norm. Ze zijn 'abnormaal' en dat zet een mechanisme in gang waarbij hun afwijkend gedrag gebruikt kan worden om hen uit die machtsposities te zetten.
...

Vorig jaar verscheen Women & Power: A Manifesto van Mary Beard. Het boek krijgt in volle #metoo-explosie veel aandacht en wordt nu al bestempeld als een grote feministische klassieker. Beard gaat ervan uit dat de ongelijke machtsposities van vrouwen en mannen alles te maken hebben met silencing: al sinds de klassieke oudheid krijgen vrouwen geen stem op het openbare forum, die is voorbehouden aan mannen. Vrouwen die toch machtsposities bekleden, voldoen niet aan de norm. Ze zijn 'abnormaal' en dat zet een mechanisme in gang waarbij hun afwijkend gedrag gebruikt kan worden om hen uit die machtsposities te zetten.Cultuurhistorica Kaat Wils doet zelf onderzoek naar vrouwen- en gendergeschiedenis en gaat dieper in op de conclusies van Mary Beard: wordt vrouwen invloed en macht ontzegd? Worden vrouwen in de geschiedenis anders beoordeeld dan mannen? Welke rol speelt gender daarin en hoe wordt die genderrol bepaald? Kaat Wils: 'Als het over gender gaat in de vergaderzalen, wordt meteen naar de vrouw aan tafel gekeken. Terwijl gender net een structurerend principe is dat zowel mannen als vrouwen aanbelangt.'KAAT WILS: Waanzin gebruiken om mensen politiek en maatschappelijk uit te schakelen is van alle tijden. Iemand gek, 'bezeten' of waanzinnig verklaren, kan je beschouwen als een vorm van silencing. En dat is gebeurd, voor beide geslachten. Over machtige mannen uit het verleden bestaat heel wat literatuur. In de 19de eeuw wordt 'de waanzin van de keizer' bijvoorbeeld enorm uitgewerkt als thema. Maar dan blijft de vraag: hoe 'gegenderd' is dat? Het discours over vróuwen met macht en hun zogenaamde waanzin is ongetwijfeld anders. Sterk vereenvoudigd denk ik dat in het hele historische discours uit de 19de eeuw over waanzinnige heersers nooit de vraag is gesteld of mannen in wezen bekwaam zijn om macht uit te oefenen. Het gaat duidelijk om een aantal aberraties, mannen die het té groots zagen, die megalomaan werden...'Heel interessant daarover is het boek L'Homme qui se prenait pour Napoléon. Pour une histoire politique de la folie van Laure Murat. De Franse historica onderzoekt hoe grootheidswaanzin geworteld is in de heldencultus uit de Romantiek, met de symbolische figuur van Napoleon als grote voorbeeld voor psychiatrische patiënten uit die tijd. Waanzin bij mannelijke heersers wordt dus wel erkend, maar het gaat daarbij niet om de fundamentele vraag of mannen in staat zijn om macht uit te oefenen. In het discours over vrouwen rijst die vraag wél. Zo wordt gesuggereerd dat vrouwen niet gemaakt zijn om een rol te spelen op het publieke forum. En kijk wat er gebeurt als ze het wel proberen...''Er is dus een fundamenteel verschil in de kijk op vrouwen én in de functie van kritiek. Bij vrouwen is dat het zwijgen opleggen, terwijl het bij mannen bijna omgekeerd werkt; het kan wel eens fout lopen, maar dat is toch geen reden om te twijfelen aan hun machtsvermogen? Als je de vele diagnoses bekijkt van na de Eerste Wereldoorlog over Wilhelm II, of over Ludwig, de gekke koning van Beieren, dan zie je dat dat gegeven wordt gebruikt om een discussie te voeren over de zin, en vooral de onzin, van erfelijke opvolging.''In de 19de eeuw komen op dat moment allerlei theorieën rond erfelijkheid naar voren. Die suggereren dat in de koninklijke families wellicht processen van degeneratie aan de gang zijn. 'Je ziet tot wat het leidt...' Dat argument wordt gebruikt om de monarchie in vraag te stellen. Maar de mannelijke bekwaamheid om macht uit te oefenen is geen punt van discussie. Dat is wel anders bij vrouwen, als je bijvoorbeeld kijkt naar de onmiddellijke pathologisering van feministes. Zij worden in psychiatrische termen beschreven. In zeer geseksualiseerde psychiatrische termen dan nog.''Een goed voorbeeld is Anne-Josèphe Theroigne de Méricourt, een Franse revolutionaire, geboren in de Belgische Ardennen. Zij speelt een vooraanstaande rol in de Franse Revolutie, maar is mentaal kwetsbaar. Ze is vroeg wees, vertrekt uit haar familie, zwerft rond, is een tijd courtisane in Parijs... Uit onderzoek blijkt dat ze ook voor de revolutie al kampt met mentale problemen, maar een aantal heel seksueel getinte, vernederende momenten tijdens de revolutie maken haar toestand er niet beter op: ze moet zich in het openbaar uitkleden, wordt geslagen... Daarop breekt ze mentaal. Op vraag van haar broer is ze opgenomen in een psychiatrische instelling, wellicht om aan de guillotine te ontsnappen. Daar spendeert ze de rest van haar leven.''In die zaak zie je hoe het mechanisme om vrouwen uit te schakelen concreet werkte, de pathologisering die zo politiek geïnspireerd was. De mentale status van Anne-Josèphe werd door haar psychiaters nooit los gezien van haar aberrante politieke engagement. Na haar leven kwamen dan de diagnoses van een soort revolutionaire waanzin die duidelijk met haar vrouwzijn en haar feministisch engagement werden verbonden. Over Olympe de Gouges, een andere revolutionaire vrouw die wel stierf op de guillotine, ontstond een hele literatuur over de paranoia reformatoria, een revolutionaire hysterie die typisch vrouwelijk zou zijn. Dat pathologiseren van het historische discours stamt natuurlijk uit de 19de eeuw, een soort medisch vocabularium dat het 'bezeten zijn' verving. Veel 19de-eeuwse psychiaters zijn ook erg historisch geïnteresseerd. Ze schrijven over mensen uit het verleden en proberen postuum diagnoses te stellen.''Als je wil weten waarom het voor vrouwen moeilijker is om openbare functies te vervullen, kijk dan zeker ook naar de rol van het uiterlijk. Bij vrouwen is er veel meer fixatie op het uiterlijk dan op hun acties, werk en resultaten. Ze krijgen veel kritiek en worden snel geklasseerd als 'onbekwaam' op basis van hun looks. Een typisch voorbeeld: over Jean-Luc Dehaene werd nooit gezegd dat hij te obees was om zijn functie uit te oefenen, de kritiek daarover op Maggie De Block daarentegen tart alle verbeelding.''Ook qua kleding hebben mannen het veel gemakkelijker. Vrouwen hebben doorheen de tijd vaak kleding gehad die het hen - zelfs letterlijk - moeilijker maakt om zich te bewegen. En nog: hoge hakken kan je moeilijk comfortabel of handig noemen. Vrouwen wandelen altijd op die dunne lijn: is het niet te seksueel, of juist tuttig? Moet je je aseksueel opstellen, je lichaam verstoppen? Zelfs voor een pak kiezen is geen oplossing, want dan maak je een statement: je kleedt je als one of the guys...''In die zin speelt het lichamelijke ook een rol in dit verhaal. De dwang van het schoonheidsideaal voor vrouwen is zoveel groter, dat het voor hen moeilijker is om buiten te komen en hun plaats op te eisen in het openbare leven. Voor 'niet-blanke' vrouwen is dat nóg moeilijker. De onwaarschijnlijke bagger die vrouwen met een migratieachtergrond over zich krijgen als ze een stem willen hebben in het openbaar debat, is niet eens vergelijkbaar met wat witte vrouwen te lezen krijgen op sociale media. Heel die problematiek is bijzonder actueel sinds #metoo, maar gaat ver terug in ons verleden.''Ook op de geschiedenis als wetenschap heeft die huidige maatschappelijke verschuiving duidelijk invloed. Het genderelement wordt belangrijker. Meer dan vroeger zijn historici zich ervan bewust dat ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen deels ook het product zijn van culturele verwachtingen omtrent mannelijkheid en vrouwelijkheid.''Daarnaast bestaat nog steeds een sterke en belangrijke traditie van vrouwengeschiedenis: de rol die vrouwen in het verleden hebben gespeeld, is lang buiten het blikveld van historici gebleven. De grote verdienste van gendergeschiedenis is dat die duidelijk heeft gemaakt hoezeer taal en representaties mee de werkelijkheid construeren. Ze bepalen hoe we denken over mannen en vrouwen en de verhoudingen tussen die twee.''Geslacht is in het verleden altijd een belangrijk structurerend element geweest en dat zal niet snel veranderen. We evolueren misschien wel naar all gender-toiletten en gaan iets gemakkelijker om met lichamelijke of seksuele fluïditeit, maar de twee categorieën blijven. Ze helpen ons namelijk ook verschillen begrijpen en structureren ons denken en handelen. Ze ontkennen helpt niet. We komen tot het psychologische en maatschappelijke inzicht dat gender een vloeiend iets is: niemand is louter mannelijk of uitsluitend vrouwelijk. Het is zelfs ondefinieerbaar: wat zijn dan mannelijke kwaliteiten en wat vrouwelijke? Dat is sterk cultureel bepaald. Met het Aristotelische denken is de tegenstelling tussen mannelijk en vrouwelijk diep doorgedrongen in onze cultuur.''Er zal nu nog zelden verschijnen dat vrouwen niet in staat zijn om macht uit te oefenen, maar het is heel subtiel: bepaalde 'vrouwelijke' of 'mannelijke' kenmerken worden uitvergroot. Er wordt vaker van uitgegaan dat mannen gemaakt zijn om macht uit te oefenen. Vaak impliciete kritiek op vrouwen claimt dat zij niet in staat zijn tot of niet gemaakt zijn voor macht. In dat opzicht wordt het deels ook een self fulfilling prophecy: mannen voelen zich sneller geroepen om machtsposities op te nemen, vrouwen twijfelen langer. In een recent interview getuigden Miet Smet en Annemie Neyts nog over hoe moeilijk het één generatie geleden, vóór de quota, was om in de politiek te overleven, omdat er zoveel meer van een vrouwelijke politica werd verwacht dan van alle mannen.''Taal is belangrijk, want die structureert onze werkelijkheid. Waarom is een vrouw 'sterk' als ze iets presteert, en wordt dat bij een man niet zo snel gezegd? Het toont hoe diepgeworteld de archetypes van 'mannelijk' en 'vrouwelijk' zijn. Eigenlijk zijn we daarover pas heel recent beginnen nadenken. Nu pas ontstaat een gendergevoeligheid. Het duale denken zit nog altijd in onze hedendaagse cultuur, ook al bevinden we ons op een belangrijk transformatiemoment. De binaire categorieën van wat een man en een vrouw horen te zijn, worden stilaan losgelaten. Maar tegelijkertijd blijven we het vrouwelijke associëren met gevoelens, irrationaliteit, passiviteit, het 'overmand' zijn door emoties.''Ik doe momenteel onderzoek naar de wijze waarop studieverblijven aan Amerikaanse universiteiten voor jonge wetenschappers werden toegekend tijdens het interbellum. Wat blijkt? In de informele beoordelingen van vrouwen wordt gesproken over hun pleasing appearance, hun aangename voorkomen. Bij mannen gaat het over 'een goede investering' en hun potentieel om door te stoten. Niet alleen die informele criteria verschillen, ook het taalgebruik in hun beoordeling is heel uiteenlopend. Denk aan hoe wij de positieve kwaliteiten van vrouwen benadrukken. Het zit zelfs in de emancipatorische taal: we hebben het over 'een straffe madam', bijvoorbeeld. Als het om een sterke vrouw gaat, moet dat adjectief erbij. Mannen zijn uit zichzelf al sterk. Dat idee zit zo in onze hedendaagse cultuur verweven, dat het moeilijk is om een zelfbeeld te ontwikkelen dat daar niet door wordt beïnvloed.'