Gezegend is het landt daar 't kind zijn moer verbrandt'. Zo luidt de even korte als trefzekere lofzang van Joost van den Vondel op het veen. Het kan haast niet anders of de brandende turven in de huiselijke haard moeten de 'Prins onzer dichters' geïnspireerd hebben. Zij zorgden voor warmte in de winterse kou. Zonder het verbrande moer zou het in het houtarme Nederland heel wat lastiger zijn geweest om er warmpjes bij te zitten. En de winters waren in de 17de eeuw nog 'ouderwets'. Een ijzige wind blies door kieren en ramen. De waterrijke Nederlanden veranderden in een ware ijsvlakte. Zelfs de drassige moeren werden in bevroren toestand begaanbaar. Dat was in een groot deel van het jaar wel anders. Het plasdras van de venen maakte ze ontoegankelijk. De mossen, grassen en heidestruiken die haar bedekten waren verraderlijk; je kon er in wegzakken.
...