Wanneer een oorlog uitbreekt, komen intellectuelen er heel snel achter dat ze niet alleen maar individuen zijn, schreef George Orwell ooit. Ze maken deel uit van een natie, en de natie heeft op zo'n moment soldaten nodig. De oorlog moet gewonnen worden, en de natie mobiliseert haar mannelijke inwoners, intellectueel of niet. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, in de warme zomer van 1914, was dat niet anders. Ook filosofen moesten zich melden voor de verdediging van het vaderland, sommigen deden dat zelfs vrijwillig. Dat was het geval voor Ludwig Wittgenstein, die zich in 1916 aanbood bij het Oostenrijkse leger, en die in zijn uitkijkpost aan het oostelijke front onder mortiervuur aan zijn Tractatus Logico-Philosophicus werkte . Walter Benjamin werd in 1915 onder de wapens geroepen om het Duitse rijk mee te verdedigen. De nacht voor hij zich moest melden bleef hij de hele nacht wakker, dronk sloten koffie, en slaagde er zo in om zich te laten afkeuren - wegens een vermeend zwak hart.
...

Wanneer een oorlog uitbreekt, komen intellectuelen er heel snel achter dat ze niet alleen maar individuen zijn, schreef George Orwell ooit. Ze maken deel uit van een natie, en de natie heeft op zo'n moment soldaten nodig. De oorlog moet gewonnen worden, en de natie mobiliseert haar mannelijke inwoners, intellectueel of niet. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, in de warme zomer van 1914, was dat niet anders. Ook filosofen moesten zich melden voor de verdediging van het vaderland, sommigen deden dat zelfs vrijwillig. Dat was het geval voor Ludwig Wittgenstein, die zich in 1916 aanbood bij het Oostenrijkse leger, en die in zijn uitkijkpost aan het oostelijke front onder mortiervuur aan zijn Tractatus Logico-Philosophicus werkte . Walter Benjamin werd in 1915 onder de wapens geroepen om het Duitse rijk mee te verdedigen. De nacht voor hij zich moest melden bleef hij de hele nacht wakker, dronk sloten koffie, en slaagde er zo in om zich te laten afkeuren - wegens een vermeend zwak hart. Wittgenstein en Benjamin waren op dat moment nog aankomende filosofen die alleen in eigen kring bekend waren. Dat lag anders voor Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. In het eerste decennium van de nieuwe eeuw had hij zijn naam gevestigd als een van de belangrijkste denkers van zijn tijd. Met de fenomenologie wilde hij de filosofie opnieuw het statuut van een harde wetenschap met absolute en algemene geldigheid geven. Daarvoor had hij een heel eigen methode ontwikkeld die denkers in staat moest stellen om tot het wezen der dingen door te dringen, de fenomenologische reductie. Die nieuwe aanpak kreeg steeds meer aanhang. Ook Husserl werd overvallen door de oorlog, maar schaarde zich wel meteen met overtuiging achter het Duitse Rijk en zijn keizer. Zelf was Husserl te oud voor het front, maar zijn twee zonen, Gerhart en Wolfgang, vochten als vrijwilliger in Langemark, Ieper en Diksmuide, en werden beiden zwaargewond. Wolfgang zou uiteindelijk in Frankrijk sneuvelen. Zijn dochter Elli verstrekte medische zorg als verpleegster, net als Husserls assistente Edith Stein. Veel van zijn collega's en studenten meldden zich voor het front, of werden gemobiliseerd. Een tiental van hen liet in de loop van de volgende vier jaar ook het leven. In het boek Philosophers at the Front, samengesteld door Nicolas de Warren en Thomas Vongehr, zal de lezer vergeefs zoeken naar Benjamin of Wittgenstein. De Warren en Vongehr beperken zich tot wat de denkers van de fenomenologische beweging overkwam tijdens de vier jaar durende oorlog, en baseren zich daarvoor op documenten die onder meer afkomstig zijn uit de collectie van het Leuvense Husserl-archief. Het fraai uitgegeven en rijkelijk geïllustreerde boek leest als een who's who van de fenomenologie, want het bevat brieven, postkaarten en manuscripten van de hand van onder meer Edmund Husserl en zijn familieleden, Martin Heidegger, Max Scheler, Edith Stein, Fritz Kaufmann, Karl Löwith en Arnold Metzger. Het gaat als het ware om rechtstreekse verslaggeving uit de loopgraven en de hospitalen, en van bij de achterblijvers thuis. De Warren en Vongehr presenteren hun materiaal zonder veel uitleg en context. En dat is weleens jammer. De Eerste Wereldoorlog was bijvoorbeeld een belangrijke periode voor de toenadering tussen Edmund Husserl en Martin Heidegger. Na de dood van Wolfgang Husserl zocht diens vader een nauwer contact met Heidegger, die hij als zijn opvolger begon te zien, en zelfs 'mijn fenomenologische zoon' noemde. In het hier gepresenteerde bronnenmateriaal duikt het niet op, dus wordt er ook niet op ingegaan. De aanpak van De Warren en Vongehr heeft ook zijn voordelen. Door niet op zoek te gaan naar het grote verhaal, maar te presenteren wat de betrokkenen dachten en schreven op het moment zelf, krijg je als het ware een barometer in handen waarmee je de stemming onder de fenomenologen (en de intelligentsia in het algemeen) op een welbepaald ogenblik kunt peilen. Bij het begin van de oorlog is het enthousiasme haast algemeen. Husserl, geboren en getogen in Moravië (vandaag Tsjechië), voelt zich een overtuigde Duitser, en laat aan vrienden en familieleden weten dat het om een gerechtvaardigde oorlog gaat, die Duitsland zal winnen. Husserl vindt het zelfs jammer dat hij, gezien zijn leeftijd, niet mee kan vechten. 'Ik had graag meegedaan maar ben jammer genoeg voor niks meer bruikbaar; zelfs niet om te filosoferen, waar ik stilte en gelijkmoedigheid voor nodig heb, wat onmogelijk is in de huidige levensomstandigheden', schrijft hij op 22 november 1914. Bij Edith Stein is het niet anders. Bij haar is zelfs sprake van enige geëxalteerdheid. 'Ik denk dat ik vrij objectief mag stellen dat er sinds Sparta en Rome nergens zo'n groot bewustzijn is geweest een natie te zijn als in Pruisen en het nieuwe Duitse Rijk. Daarom beschouw ik een Duitse nederlaag als uitgesloten', schrijft ze nog in februari 1917 aan haar Poolse vriend (en eeuwige vlam) Roman Ingarden. 'Toen ik op de dag van de mobilisatie thuiskwam na een reis van 24 uur, trok ik me terug uit de familiale kring omdat ik de discussies over banale (persoonlijke) aangelegenheden niet kon verdragen. Op dat moment stond het me plots klaar en duidelijk voor ogen: vandaag kwam er een einde aan mijn individuele leven, al wat ik ben behoort voortaan aan de staat. Als ik de oorlog overleef, dan wil ik mijn leven herbeginnen, gebaseerd op deze overtuiging. Dat alles was niet het gevolg van overspannen zenuwen, maar is tot op vandaag mijn overtuiging, en ik lijd er elke dag onder dat ik nog steeds niet de juiste plaats gevonden heb om in deze zin te kunnen handelen.' Husserl en Stein, die allebei uit een Joodse familie stammen, blijven de hele oorlog lang de nationalistische trom roeren, zelfs wanneer ze vrienden en dierbaren verliezen. Dat het Duitse nationalisme ook minder verheven gevoelens dan zuivere vaderlandsliefde oproept, gaat aan hen voorbij. Adolf Metzger, op dat moment korporaal en actief aan het oostelijke front, kan er moeilijk naast kijken, en schrijft op 26 november 1916 aan zijn moeder: 'Ik ben ervan overtuigd dat een sterke antisemitische beweging na de oorlog door Duitsland zal trekken.' Martin Heidegger, die zich ook als vrijwilliger meldt maar door een hartaandoening vooral achter het front actief is, zal zich wat dat betreft niet onbetuigd laten - tot verbijstering van Husserl. De voorbije jaren is duidelijk gebleken dat Heideggers keuze voor Hitler en de nationaalsocialisten in de jaren dertig, toen hij zijn leermeester ook de rug toekeerde, geen toeval was. Dankzij de publicatie van de Schwarze Hefte, zijn geheime 'denkdagboeken' die de jaren dertig en veertig beslaan, hebben we de voorbije jaren een inkijk gekregen in zijn totale wereldbeeld, inclusief ranzig racisme en rabiaat antisemitisme. Husserl zelf overleed in 1938, de Holocaust bleef hem bespaard. Maar in zijn laatste levensjaren maakte hij wel nog mee hoe hij als 'ongewenst element' steeds verder de Duitse samenleving werd uitgedreven. Edith Stein werd in 1942 vergast in Auschwitz. Een interessante vraag die dit boek oproept (maar niet expliciet stelt), is in hoeverre de Eerste Wereldoorlog een rol speelde in de geschiedenis van de twintigste-eeuwse filosofie, en dan met name in de verwijdering tussen de twee belangrijkste wijzen van denken. In de hier beschreven periode evolueert de angelsaksische wijsbegeerte, met voorop Bertrand Russell, grotendeels in de richting van de analytische filosofie (die een grote rol toekent aan taal en betekenis), terwijl Husserl de fenomenologie verder uitdiept, die later de basis is gaan vormen voor wat de 'continentale filosofie' wordt genoemd, een term die onder meer ook het existentialisme van Sartre en Merleau-Ponty, de Frankfurter Schule en het werk van Deleuze, Foucault en Derrida omvat. Had deze verwijdering initieel te maken met de oorlog? Elders ontwikkelde De Warren eerder al de these dat de Eerste Wereldoorlog naar zijn gevoel cruciaal was bij het uit elkaar groeien van de twee richtingen. Philosophers at the Front bevat daarmee een groot deel van het bronnenmateriaal voor een al op voorhand interessant vervolgonderzoek, waarbij de biografie van de verschillende filosofen in de oorlogsjaren en het krijgsverloop gekoppeld kunnen worden aan de evolutie van hun denken. Dat die beïnvloeding tussen leven en werk er is, spreekt voor zich. Al uit zich dat niet altijd in publicaties over de oorlog zelf, en is het denken van de verschillende protagonisten uit dit boek grotendeels afwezig in hun correspondentie. 'Ik heb geen boeken over de oorlog geschreven omdat ik dat als pretentieus filosofengedoe beschouwde', schrijft Husserl op 4 september 1919 wel aan Arnold Metzger. Om daar even later aan toe te voegen: 'De tragiek van mijn situatie is uiteraard dat ik, in de eerste plaats door de verschrikkingen van de oorlog en door periodes van overspannenheid, maar ook door de van jaar tot jaar zich op overweldigende wijze aan mij opdringende toevloed aan altijd nieuwe fundamentele problemen, hangend tussen het verlangen naar vooruitgang en de hang naar spiritueel zelfbehoud, niet tot een afsluitende, definitieve publicatie ben gekomen.' Al blijft dan natuurlijk de vraag of Husserl zonder oorlog dat ene alomvattende boek wél zou hebben geschreven.