Het is puur toeval dat de expositie Soleils Noirs in het Louvre in Lens haar deuren opent terwijl de Black Lives Matter-beweging zich in de Verenigde Staten en Europa steeds nadrukkelijker manifesteert in een zoveelste poging om korte metten te maken met het aanhoudende racisme. De expo had al in maart moeten opengaan maar werd door de coronacrisis uitgesteld. Hoewel zwart als huidskleur niet aan bod komt in Louvre Lens zorgt de actualiteit er wel voor dat de tentoonstelling een extra lading krijgt en je hier en daar ook anders gaat kijken.
...

Het is puur toeval dat de expositie Soleils Noirs in het Louvre in Lens haar deuren opent terwijl de Black Lives Matter-beweging zich in de Verenigde Staten en Europa steeds nadrukkelijker manifesteert in een zoveelste poging om korte metten te maken met het aanhoudende racisme. De expo had al in maart moeten opengaan maar werd door de coronacrisis uitgesteld. Hoewel zwart als huidskleur niet aan bod komt in Louvre Lens zorgt de actualiteit er wel voor dat de tentoonstelling een extra lading krijgt en je hier en daar ook anders gaat kijken. Zwart is de kleur van de nacht. De angst voor het donker dateert vermoedelijk van vóór de uitvinding van het vuur, hoewel we door het inmiddels wijdverspreide gebruik van elektrisch licht al lang geen pikdonkere nachten meer hebben - integendeel zelfs. Maar nog steeds brengt de nacht angstdromen en nachtmerries: het lijkt wel alsof het donker ons ontwapent en berooft van de rede. In de kunst speelt de nacht vaak een hoofdrol. Denk aan de verlaten, schemerige en onbehaaglijk stemmende trapzalen die de Belgische kunstenaar Xavier Mellery omstreeks 1889 met zwart krijt tekende. Léon Spilliaert maakte begin jaren 1900, toen hij vooraan in de twintig was, een reeks beklemmende nachtelijke zelfportretten, alsof de duisternis hem tot genadeloze introspectie dwong. Het fluweelachtige zwart in dat vroege werk van Spilliaert kan beïnvloed zijn geweest door de Franse symbolistische schilder en tekenaar Odilon Redon. Die zei ooit: 'Le noir c'est la couleur de l'esprit.' Van Redon zijn in de tentoonstelling Soleils Noirs in het Louvre Lens enkele duistere werken te zien, waaronder een grijnzende spin (1887) en een angstaanjagend portret van een vrouw met raaf (1882).Toch zijn het zwart en de duisternis niet louter negatief. De nacht brengt dromen die aangenaam en inspirerend kunnen zijn: geniale ideeën worden vaak 's nachts geboren. Na de nacht breekt bovendien de dag aan, na de duisternis komt sowieso weer het licht. Ook in onze tijden wordt zwart niet alleen geassocieerd met dood en rouw, maar ook met eenvoud, kracht en vitaliteit. Hoewel ook in de populaire cultuur de duistere helden meestal de 'slechteriken' zijn, komen er uit de duisternis ook 'goeden' te voorschijn: Batman en Zorro gaan als redders van de mensheid in het zwart gekleed en zijn bij voorkeur 's nachts actief. In 1971 schreef countryzanger Johnny Cash een song waarin hij uitlegde waarom hij steevast 'The Man in Black' was. Zwart was voor hem een teken van protest tegen armoede, tegen het perfide gevangenissysteem in de Verenigde Staten en tegen de oorlog in Vietnam, die zo veel jonge levens kostte: ''Till things are brighter / I'm the man in black.' Ook de goths en de anarchisten kleden zich in het zwart als kleur van het verzet. Bij rechters en advocaten is zwart de kleur van de macht maar tegelijk van de neutraliteit, terwijl orthodoxe joden en katholieke priesters zwart dragen als kleur van de eenvoud. Ook in de mode speelt zwart een belangrijke rol. Het Louvre Lens toont ontwerpen van Yohij Yamamoto (1991) en Jeanne Lanvin (1927). Bij hen is zwart de kleur van de elegantie en de moderniteit.Zwart is eveneens de kleur van de letters die u nu leest, omdat die kleur nu eenmaal het sterkste contrasteert met het witte papier. Wat zou zwart trouwens zijn zonder zijn tegenhanger, het wit? Inkt werd, tussen haakjes, bij de oude Egyptenaren en in het China van 4600 jaar geleden gemaakt van lampzwart en roet van kaarsen, dat vermengd werd met water en Arabische gom. Wat is dat toch met die kleur zwart, die zulke uiteenlopende betekenissen heeft en dito reacties uitlokt? Een kleur die geliefd is maar ook verketterd wordt. 'Wit en zwart zijn geen kleuren' was de stellige overtuiging van de Franse schilder Pierre-Auguste Renoir. In zekere zin heeft hij niet eens ongelijk: in tegenstelling tot de andere 'echte' kleuren slorpt zwart alle licht op terwijl wit alle golflengtes van licht even sterk reflecteert. De zoektocht naar het zwartste zwart was nog niet zo lang geleden aanleiding tot een hooglopende ruzie in de kunst. Het Britse Surrey NanoSystems maakte in 2014 Vantablack, het donkerste materiaal ter wereld, dat 99,965 procent van het licht absorbeert. Vantablack is opgebouwd uit koolstofnanobuisjes en misleidt onze ogen en hersenen: je ziet geen reliëf en geen perspectief, alleen een zwart vlak zonder diepte of structuur. Ideaal voor kunstenaars om mee te experimenteren. De Brits-Indiase kunstenaar Anish Kapoor kreeg van Surrey NanoSystems het exclusieve gebruiksrecht op Vantablack. Andere kunstenaars reageerden furieus en een van hen, Stuart Semple, bracht een eigen pikzwarte kleur op de markt: Black 3.0, dat net iets minder 'zwart' is dan Vantablack. Het kan door iedereen gekocht worden, behalve door Anish Kapoor. Intussen heeft Asif Khan, een Britse architect, tijdens de Olympische Winterspelen van 2018 in Pyeongchang, Zuid-Korea, een installatie met tien meter hoge muren in Vantablack gepresenteerd. Hij stak daarmee Kapoor de loef af, die pas volgend jaar tijdens de Biënnale van Venetië zijn eerst kunstwerken in Vantablack zal tonen. Zwart is in de kunst altijd van groot belang geweest. Zo zijn de 16.000 jaar oude paleolithische grotschilderingen van bizons in het Spaanse Altamira gemaakt met houtskool. In 1994 werden de nog veel oudere grotten van Chauvet ontdekt, nabij Vallon-Pont-d'Arc in de Franse Ardèche. Behalve paarden in houtskool zijn er op de rotswanden ook wolharige neushoorns, bizons, mammoeten en leeuwenkoppen te zien. Niet alle schilderingen zijn in houtskool: de grotbewoners gebruikten ook oker en rood, dat ze wonnen uit andere ertsen en soms zelfs uit bloed. De afbeeldingen in Chauvet zijn tussen 9000 en 32.000 jaar oud, sommige dus meer dan 15.000 jaar ouder dan die in Altamira en Lascaux. In al die grotten was houtskool gemakkelijk voorhanden: het waren de verkoolde resten van de met hout gestookte vuren, die als 'schilderstok' gebruikt werden. Houtskool zal in de hele kunstgeschiedenis belangrijk blijven: zo gebruikte Leonardo da Vinci omstreeks 1500 houtskool voor zijn monumentale tekening Madonna met Jezus, de heilige Anna en Johannes de Doper, de zogeheten Burlington House Cartoon, die nu in de National Gallery in Londen hangt. Tot op de dag van vandaag wordt houtskool gebruikt als ondertekening om een schilderij op te zetten. Hedendaagse kunstenaars als Rinus Van de Velde en Hannelore Van Dijck realiseren hun werken zelfs uitsluitend met houtskool: de ene kunstenaar maakt er figuratieve filmstills mee als onderdeel van zijn fictieve autobiografie, bij de andere leidt het tot abstracte, soms monumentale werken met een architecturale kwaliteit. Eind achttiende eeuw begon het potlood dan aan zijn opgang: het potlood - een houten omhulsel met daarin een stift van grafiet en klei - werd in 1795 gepatenteerd door de Fransman Nicolas- Jacques Conté. Door de hoeveelheid klei te variëren kon hij hardere en zachtere tekenpotloden fabriceren. Het potlood is met zijn 'zwarte lijn' nog steeds een basisgegeven bij het maken van tekeningen. Zwart was ook de kleur van enkele Egyptische godheden. Voor de Egyptenaren uit de oudheid had zwart immers positieve connotaties. Het was de kleur van Anubis, de op een jakhals gelijkende god van de onderwereld, die de doden bescherming bood tegen het kwaad. Het zwart was in Egypte immers ook de kleur van vruchtbaarheid: het rijke zilte laagje zwart slib dat de Nijl na de jaarlijks weerkerende overstromingen op de oevers achterliet, maakte het land telkens weer vruchtbaar. Diezelfde Egyptenaren kenden toen ook al het gebruik van 'kohl'. In nogal wat archeologische collecties bevinden zich zogeheten kohlpotjes met het bekende zwarte cosmetische mengsel: het Louvre bezit er ruim vijftig van. Egyptische vrouwen en mannen brachten met hun vinger of een veer kohl aan rond hun ogen. Het woord 'kohl' zou trouwens afkomstig zijn van het Arabische werkwoord 'kahala', wat 'de ogen verven' betekent. Dat werd toen al - millennia voor de uitvinding van het kohlpotlood - beschouwd als mooi en aantrekkelijk omdat het zwart op de oogleden het oogwit beter liet uitkomen. Kohl werden bovendien magische beschermende krachten toegedicht. Het toeval wil dat in 2010 Franse wetenschappers in dat Egyptische kohl chemicaliën ontdekten die de ogen beschermden tegen mogelijke infecties. Een soort oogzalf avant la lettre dus. Maar zwart had niet altijd een positieve connotatie. In het oude Rome was purper, en niet zwart, gereserveerd voor het hoogste ambt, de keizer. Hoogstwaarschijnlijk omdat purper toen een van de duurste kleurstoffen was: het winnen van de kleur uit de purperslak was een kostelijk en tijdrovend proces. In de vierde eeuw voor onze tijdrekening was purper even duur als zilver. Zwart werd gedragen door ambachtslieden. Hun zwarte kleren waren niet heel donker en al evenmin kleurvast. Na enkele wasbeurten werd het zwart flets, grijzig of bruin. Toch begonnen enkele eeuwen later Romeinse magistraten zwarte toga's te dragen bij begrafenisplechtigheden, een trend die zich rond het jaar nul uitbreidde naar de familie van de aflijvige. In de Romeinse poëzie stond de dood bekend als hora nigra: het zwarte uur. Wanneer in de middeleeuwen in onze streken de hogere klassen een voorkeur ontwikkelden voor zwart, kwam dat vermoedelijk voort uit het feit dat de vorst zich kleedde met de nagenoeg zwarte pels van de sabelmarter: het bont van dat zeldzame dier moest geïmporteerd worden uit Siberië en was daardoor bijzonder duur. De Bourgondische hertog Filips de Goede zwoer bij dit soort bont, dat mooi contrasteerde met zijn andere zwarte kledingstukken in wol, brokaat en damast. Filips de Goede ging altijd helemaal in het zwart gekleed: zo kennen we hem uit de portretten van en naar Rogier van der Weyden. Die keuze voor zwarte kleding zou naar verluidt een eerbetoon zijn geweest aan zijn vader, Jan Zonder Vrees, die in 1419 was vermoord. Giovanni Arnolfini, de man in het wereldberoemde dubbelportret dat Jan van Eyck in 1434 schilderde, draagt een donkerbruine, bijna zwarte mantel, afgezoomd met de pels van een gewone marter. Ook dat bont was al erg duur: het dier kwam alleen voor in Rusland en het noorden van Scandinavië. Van Eyck draagt in zijn zelfportret (National Gallery, Londen) ook een marterpels: hij moest dan ook zijn status hooghouden als hofschilder van de Bourgondische hertogen. De peperdure haartjes van de zwarte sabelmarter kon hij zich vermoedelijk alleen maar veroorloven voor zijn fijnste penselen. De voorkeur voor chique zwarte kleding verspreidde zich vervolgens onder de andere vermogende bevolkingsgroepen, onder meer doordat goede en goedkopere kleurmiddelen op de markt kwamen. Welgestelde handelaars en bankiers uit Noord-Italië begonnen zwart te dragen als teken van de ernst van hun beroep. In 1528 schreef Baldassare Castiglione in zijn spraakmakende Boek van de hoveling dat zwart in kleding aantrekkelijker was dan elke andere kleur: de hogere klassen van de westerse wereld volgden hem in die opvatting. Kijk naar het beroemde zelfportret van de 60-jarige Rubens in het Kunsthistorisches Museum van Wenen, naar het huwelijksportret van meneer en mevrouw Massa door Frans Hals, het portret van Filips IV en de kleine prins Balthazar Carlos (1636), allebei door Velazquez, De regenten van het Spinhuis door Nicolaes Pickenoy (1628, in de tentoonstelling in Lens) en de beroemde Staalmeesters van Rembrandt: al die personages zijn onveranderlijk in elegant zwart gekleed. De obsessie met het zwart duurde tot de eerste helft van de achttiende eeuw. Uit inventarissen van inboedels blijkt dat meer dan een derde van de kleding van edelen en bijna de helft van de uniformen van militairen zwart was. Maar de impressionisten - dan zijn we aanbeland in de jaren 1870 - ontkenden het bestaan van de kleur zwart. Kijk maar naar de schaduwen in hun schilderijen: paars, groen en indigo, maar nooit zal een schaduw zwart zijn. Naakte courtisane Edouard Manet - die zelf geen impressionist was, maar wel de impressionisten steunde - wentelde zich dan weer graag in het zwart. In zijn legendarische schilderij Olympia (1863) draagt de naakte courtisane weinig meer dan een zwarte strik, terwijl aan haar voeten een zwarte kat zit. In Portret van Berthe Morisot in de rouw (1874) duikt het gezicht van een droevige Berthe op uit een donker woud van zwarte vegen. In Portret met waaier (1874, in Louvre Lens) draagt Manets geliefde Berthe Morisot - die zelf een uitstekende schilderes en echte impressioniste was - een ragfijn geschilderde zwarte jurk, die nog zwarter wordt door de confrontatie met haar bleke huid. Berthe is op dat moment in de rouw na de dood van haar vader. Misschien wel het compleetste zwart werd geschilderd door Kazimir Malevitsj. Op 19 december 1915 opende in Sint-Petersburg 0,10, een tentoonstelling waarop Malevitsj 39 schilderijen toonde, allemaal nieuw en volledig abstract. Het moet een donderslag bij heldere hemel zijn geweest. Malevitsj schilderde alleen nog louter geometrische vormen, onder meer een stel zwarte vierkanten die samen een zwart kruis vormden tegen een witte achtergrond ( Zwart kruis, 1915, in Louvre Lens). De kunstenaar zelf noemde de stijl van zijn creaties 'suprematisme' omdat ze het oppergezag van vorm en kleur in de schilderkunst verbeelden: het ging om pure creatie, niet om nabootsing van de zichtbare werkelijkheid. Zijn inmiddels beroemde Zwart vierkant, een doek dat helemaal zwart was geschilderd, hing hij bovenaan in een hoek van de tentoonstellingsruimte. Dat was pure provocatie, want die plek was in Russische, orthodox-christelijke huiskamers traditioneel voorbehouden voor de icoon. 'Hoogmoed' en 'het einde van de schilderkunst' noemden critici de expositie, Malevitsj zelf gewaagde van 'het nulpunt van de vorm'. Het zwarte vierkant betekende - zoals we intussen weten - niet het einde van de schilderkunst. En evenmin het einde van het gebruik van de kleur zwart in de schilderkunst. In Louvre Lens passeren onder meer nog Pierre Soulages en Ad Reinhardt de revue. Reinhardt gebruikte in de jaren 1950-'60 zwart om een sfeer van contemplatie op te roepen, Soulages (°1919) ging het er vooral om de rijkdom en de complexiteit van het zwart te verkennen. In België was CoBrA-kunstenaar Christian Dotremont gefascineerd door zwart: vanaf 1960 maakte hij talrijke kalligrafisch ogende schilderijen met Oost-Indische inkt. Mee van het allerdonkerste zwart zit in het werk van de arte-poverakunstenaar Jannis Kounellis (1936-2017). Hij gebruikte steenkool in een aantal van zijn installaties. Veel donkerder en zwarter kan het al niet worden. Bovendien is steenkool een materiaal dat uit het diepst van de aarde wordt gedolven. Steenkool als oerkracht, zwart als oerkleur. En zo zijn we weer bij het begin van het verhaal aanbeland met de duisternis van de grot en de diepte van de aarde, waar het zwart oorspronkelijk vandaan komt.