Zodra in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog de Vlaamse kust en de havenplaatsen Duinkerken en Nieuwpoort door de Spaanse bevelhebber Alexander Farnese, hertog van Parma, waren veroverd, riep hij in Duinkerken een marine-organisatie in het leven. Hij hoopte hiermee de handelsbelangen van de opstandige gewesten (de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) te schaden. Duinkerken werd van vissersplaats omgevormd tot een vlootbasis voor kaper- en oorlogsschepen.
...

Zodra in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog de Vlaamse kust en de havenplaatsen Duinkerken en Nieuwpoort door de Spaanse bevelhebber Alexander Farnese, hertog van Parma, waren veroverd, riep hij in Duinkerken een marine-organisatie in het leven. Hij hoopte hiermee de handelsbelangen van de opstandige gewesten (de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) te schaden. Duinkerken werd van vissersplaats omgevormd tot een vlootbasis voor kaper- en oorlogsschepen.Parma trad krachtdadig op. Op 1 september 1583 vaardigde hij nieuwe richtlijnen uit voor het hele zeewezen. De visserij, de overzeese handel en de oorlog ter zee stonden voortaan onder zijn bevoegdheid. In dezelfde maand verleende hij de eerste kaperbrieven. Niemand mocht ter kaapvaart varen zonder deze 'vergunning' en een borgstelling. Overtreders werden als zeerovers beschouwd en behandeld. Een admiraliteitsraad hield toezicht op de uitrusting en bewapening van de oorlogsschepen, de monstering van het bootsvolk en de aanstelling van de commandanten. Admiraliteitsraden verzorgden de prijzenrechtspraak. Zij oordeelden of een opgebracht schip al dan niet terecht was buitgemaakt.Gelijktijdig liet Parma op kosten van de Spaanse koning Filips II een tiental oorlogsschepen op stapel zetten. Deze zogenoemde koningsschepen vormden samen met de op particulier initiatief uitgeruste kaperschepen de Vlaamse oorlogsvloot. Beide onderdelen van de vloot vielen onder dezelfde regelgeving. Er was één groot verschil; de schepen van het koninklijk eskader konden ook ingezet worden voor het verzorgen en beveiligen van troepen- en geldtransporten tussen Spanje en de zuidelijke Nederlanden. Vooral in de jaren na het Twaalfj arig Bestand (1609-1621) opereerde de Vlaamse oorlogsvloot als één strijdmacht. Samen met de particuliere kapers vormden de koningsschepen eskaders die onder bevel stonden van de koninklijke admiraal of viceadmiraal. Voor veel tijdgenoten was de Vlaamse oorlogsvloot een synoniem voor Duinkerker kapers.Onder het motto: Ruiner les pêcheries et le commerce des rebelles liepen vanaf 1583 tientallen en in sommige jaren zelfs bijna honderd kaperschepen in zee. De Duinkerker kapers waren geboren. Tot 1647 brachten zij de handel en visserij van de Republiek enorme schade toe.De operatiegebieden van de Duinkerker kapers lagen verspreid over het Kanaal en de hele Noordzee. Veelvuldig namen de kapers bij de Doggersbank kabeljauwvissers. De haringvissers achtervolgden zij gedurende het hele vangstseizoen vanaf de Orkney-eilanden tot ver in de Noordzee. Aan de ingang van het Kanaal of op de noordoostkust van Schotland trachtten de kapers terugkerende Oostindiëvaarders op te vangen. Langs de Franse kust en eveneens bij de ingang van het Kanaal voerden zij aanvallen uit op Nederlandse Bordeaux- en Rouaanvaarders alsook op zoutschepen die uit Frankrijk, Portugal of Spanje kwamen. Langs de hele ZeeuwsHollandse Noordzeekust belaagden de Duinkerkers de kustvissers. Op de Duitse en Deense kust onderschepten de kapers Oostzeevaarders. Als er geen Nederlandse oorlogsschepen voor de riviermondingen waren gestationeerd, probeerden zij ook daar hun slag te slaan.Zelfs onder de kanonnen van Vlissingen, op de Zuiderzee voor Amsterdam en in de Maasmonding bij Brielle en Maassluis veroverden de kapers menig Noord-Nederlands schip.Kwam een visser of koopvaarder op zee een kaper tegen, dan werd in het gunstigste geval alleen een gedeelte van zijn vangst of lading in beslaggenomen. In het ergste geval werd het schip tot zinken gebracht en de bemanning omgebracht. Slechts de stuurman of kapitein werd gespaard. Een fragment uit het scheepsjournaal van de Duinkerkse viceadmiraal Anton van Bourgondië geeft een beeld hoe een ontmoeting op zee kon plaatsvinden en wat er dan met de opvarenden gebeurde:Den 18e (augustus 1600) zijn wij gecomen bij derthien visschers van Maeslantsluijs met haer hebbende een convoier, daer op ontrent twintich schooten geschooten hebbende ende het vier in zijn cruyt geschooten geweest, terstont verbrant ende gesoncken (..), de reste van de visschers vuijt genoemen, twee al verbrant. Den 19e noch drie oft e vier visschers verbrant, namentlick een die daer jegens schoot met volck ende al datter in was.De 17de-eeuwse Nederlandse historicus Emanuel van Meteren beschreef van horen zeggen soortgelijk geweld waarmee vissers soms werden geconfronteerd: De arme visschers nagheldensy onder in de schepen, boorden gaten in de schepen, en lieten se allenskens sincken. Oock waeren daer twee schippers die niet onder in 't schip en wilden gaen, om alsoo versmoordt te worden. Dies namen sy dese, en naghelden die dwers cruyswyse d'een over den anderen, met naghelen door handen en voeten, ende lieten se alsoo sincken'.De meest voorkomende handelwijze was echter dat de stuurman of kapitein op het kaperschip werd overgezet om met zijn leven borg te staan voor het in een 'rantsoenbrief' geëiste losgeldbedrag. Soms werden ook een of meer bemanningsleden meegenomen en geprest tot dienst nemen op de kaperschepen of naar de Spaanse galeien gestuurd. Naast het rantsoeneren van de stuurman of kapitein werd de bemanning van zijn eigendommen beroofd en het schip meestal leeggeplunderd. In enkele gevallen werd het schip verbrand en een deel van de bemanning aan land gezet of op een ander schip geplaatst.Vooral honderden Zeeuwse bestuursen Hollandse zeevarenden kwamen in aanraking met deze Duinkerker kapers. Velen brachten maanden door in Vlaamse gevangenissen, sommigen overleefden de erbarmelijke omstandigheden niet, anderen moesten noodgedwongen hun 'nering' beëindigen en berooid huiswaarts zeilen.Voor het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) boekten de Duinkerker kapers in de jaren 1595-1604 hun grootste successen. Jaarlijks werden toen tussen de veertig à vijftig schepen naar Vlaamse havens opgebracht. In de jaren 1621-1647 verviervoudigde het aantal schepen dat de kapers elk jaar veroverden. Gemiddeld werden jaarlijks 229 schepen het slachtoffer van de Duinkerkers. Zeker vijftig procent van deze schepen had zijn thuishaven in de Republiek. Het absolute hoogtepunt in aantallen genomen schepen vormde 1632. Toen werden tenminste driehonderdvijftig schepen het slachtoffer van de kapers.De Belgische historicus R. Baetens schatte de totale opbrengst van de vanaf 1626 voor de Duinkerkse admiraliteit verkochte Nederlandse schepen op minimaal vijftien miljoen euro. Voor die tijd een enorm bedrag. En deze raming is nog aan de lage kant als we de reële waarde van de schepen in ogenschouw nemen. De markt voor schepen was door de kaapvaart in een mum van tijd verzadigd. Vooral buitgemaakte vissersschepen werden als brandhout verkocht.De successen van de kapers leidde in de Republiek tot verregaande economische gevolgen. Verzekeringspremies rezen de pan uit, uitrustingskosten stegen sterk, evenals de vrachtprijzen. De risico's namen toe. Reders van vissersschepen leden zoveel verlies dat velen het vissersbedrijf de rug toekeerden.De Noord-Nederlanders traden hard tegen de Duinkerker kapers op. Gevangen genomen kapers hoefden niet op clementie te rekenen. Zij werden veelal direct overboord gezet, eufemistisch omschreven als het voetenspoelen. Sommigen werden aan land gebracht. Hun wachtte dan na verhoor de galg. Zo ook de bemanning van de Crabbelcatte. Op 6 september 1600 ondervroegen enkele leden van de Zeeuwse admiraliteit 44 gevangen genomen opvarenden van dit Duinkerkse oorlogsschip. Zij waren uitgevaren om op zee kooplieden, schippers, vissers en andere zeevarenden te plunderen, te beroven en op te brengen naar Vlaanderen. Bovendien hadden zij eerder verschillende schepen uit de Republiek veroverd. Op basis van deze bekentenissen spraken de rechters van de Zeeuwse admiraliteit het volgende vonnis uit: 'Ophanging tot de dood er op volgt'. Voor zes jongens maakten de rechters een uitzondering. Hun jonge leven werd gespaard. De uitspraak was overeenkomstig de regelgeving van de Staten-Generaal, het hoogste bestuurscollege van de Republiek. Zij hadden jaren eerder al bepaald dat op zee aan alle vijanden, of dit nu kapers of opvarenden van reguliere oorlogsvloten waren, geen lijfsbehoud (kwartier) gegeven werd. Na gesprekken met enkele Middelburgse predikanten voerde een beul de executies uit. Lange tijd bungelden er aan de stadsgalg op de dijk voor Vlissingen 38 lichamen.De harde opstelling van de Staten-Generaal tegenover gevangen genomen tegenstanders werd door veel tijdgenoten niet gedeeld. Kaapvaart was volgens het oorlogsrecht van de 16de en 17de eeuw een wettige activiteit. Was een land in oorlog dan kon de overheid aan geïnteresseerden een kaper- of commissiebrief uitreiken. De houder van een dergelijke brief was dan gerechtigd vijandelijke schepen en goederen te veroveren of te vernietigen.Zeerovers en piraten onderscheidden zich van kapers door geen kaperbrieven te bezitten. Zij roofden voor eigen gewin, bepaalden zelf de rechtmatigheid van hun buit en droegen geen percentages van de opbrengsten af aan een hoger gezag. Zij opereerden in de illegaliteit, genoten geen bescherming en mochten door iedereen die hen te pakken kreeg worden opgehangen.Naast het voetenspoelen troffen de gewestelijke bestuurders, de Staten-Generaal of de admiraliteitscolleges allerlei andere maatregelen om het kapergeweld enigszins te beteugelen. Oorlogsschepen kregen expliciet de opdracht zoveel mogelijk kaperschepen uit te schakelen, premies werden uitgeloofd voor degenen die een kaperschip opbrachten, vissersvloten werden beschermd en net als in de Tweede Wereldoorlog werden koopvaardijschepen verplicht in konvooi te varen onder het toeziend oog van begeleidende oorlogsschepen. Daarnaast blokkeerden Nederlandse oorlogsbodems de Vlaamse kust om te voorkomen dat kaperschepen in zee konden lopen.Tegen de Duinkerker kapers was eigenlijk geen kruid gewassen. De bescherming van honderden koopvaardij- en vissersschepen door konvooischepen was ondoenlijk. Bovendien waren de vaarroutes en de vangst-gebieden te uitgestrekt. Een blokkade van de Vlaamse kust kon bij stormachtig weer lang niet altijd gehandhaafd worden. En een verovering van de Vlaamse havensteden leverde te veel logistieke problemen op. Hoewel in 1600 het Staatse leger de Slag bij Nieuwpoort won, werd het eigenlijke doel - de uitschakeling van Duinkerken - niet bereikt. Het creëren van de Duinkerker kapers was dan ook een Spaanse vondst waarop de Republiek lange tijd geen antwoord had.Pas in 1647 verdwenen de Duinkerker kapers grotendeels uit zee. Met succes was Frankrijk in samenwerking met de Republiek er in geslaagd Duinkerken over land en vanuit zee aan te vallen. Op 11 oktober 1646 gaf de stad zich over. Het 'Algiers van het noorden', zoals Duinkerken door tijdgenoten wel werd genoemd, was voorlopig uitgeschakeld. Noord-Nederlandse kooplieden, reders en zeevarenden konden weer gerust ademhalen. In de Vlaamse havenplaatsen daartegen sloeg de armoede voor korte tijd toe. Het tij keerde in de loop van de 17de en 18de eeuw. Kapers uit Duinkerken, waaronder de bekende Jan Baert, maakten opnieuw de zeeën onveilig en zorgden voor werkgelegenheid.