Oorsprong en mutatie

In het voorjaar van 1918 worden wereldwijd honderdduizenden mensen erg ziek. Het gaat om een nieuw griepvirus dat vermoedelijk voor het eerst de kop opsteekt in een Amerikaans opleidingskamp in Kansas. Vervolgens reist het mee met de Amerikaanse troepen naar Europa. Via contact met Franse soldaten verspreidt de griep zich snel over het Europese continent. Het Duitse leger heeft af te rekenen met duizenden zieken tijdens zijn voorjaarsoffensief. Het is een erg besmettelijk virus. De patiënten zijn verplicht om hun dagelijkse activiteiten te onderbreken.
...

In het voorjaar van 1918 worden wereldwijd honderdduizenden mensen erg ziek. Het gaat om een nieuw griepvirus dat vermoedelijk voor het eerst de kop opsteekt in een Amerikaans opleidingskamp in Kansas. Vervolgens reist het mee met de Amerikaanse troepen naar Europa. Via contact met Franse soldaten verspreidt de griep zich snel over het Europese continent. Het Duitse leger heeft af te rekenen met duizenden zieken tijdens zijn voorjaarsoffensief. Het is een erg besmettelijk virus. De patiënten zijn verplicht om hun dagelijkse activiteiten te onderbreken.In het neutrale Spanje - waar er geen perscensuur is - bericht de pers overvloedig over deze griep en daarom krijgt de ziekte de naam 'Spaanse griep'. Verwijzingen naar eerdere zware epidemieën zijn echter niet veraf. 'Der schwarze Tod in Spanien?' titelt een Duitse krant eind mei. In de geallieerde landen linken velen de griepepidemie aan de oorlog en aan de Duitsers: 'War Plague' of 'German plague', 'Hun Flu' of de 'Turco-Germanic bacterial criminal Enterprise'. Sommigen leggen zelfs een verband tussen 'germs' en 'Germans'. In Duitsland heet de griep dan weer de 'Flandern-Fieber' of de 'Blitzkatarrh'.Ook in het Belgisch leger raken alle rangen besmet door de Spaanse griep. Al in januari 1919 publiceren legerartsen van het veldhospitaal Cabour in Adinkerke een gedetailleerd rapport met observaties. Tussen 22 april en 17 mei 1918 gaat het over 190 griepgevallen, onder wie maar liefst 36 verpleegsters. In werkelijkheid zijn er veel meer zieken, maar tal van soldaten krijgen verzorging in de infirmerie van hun divisie.Het virus is dan wel erg besmettelijk, dodelijke slachtoffers zijn er voorlopig amper. De eerste doden zijn grieppatiënten met een infectie van de luchtwegen. Die combinatie manifesteert zich vanaf de zomer steeds meer en de afloop is altijd dodelijk. In het Cabour-hospitaal zijn er in mei 1918 negentien patiënten met bronchopneumonie, in juli gaat het al over 37 gevallen, maar vanaf augustus is er sprake van honderdtallen: 113 zieken in augustus, 289 in september en 692 gevallen op 24 oktober.De Belgische artsen wijten de toename aan de eerste koude van september, maar in die maand start ook een groot geallieerd offensief waaraan het Belgisch leger deelneemt. De soldaten worden daardoor veel meer blootgesteld aan koude en regen. Er zijn weinig schuilplaatsen en de bevoorrading is beperkt. Door de gebrekkige staat van de wegen is de medische zorg ondermaats. De fysieke weerstand van de soldaten neemt af en maakt hen vatbaar voor de griep.Wat de artsen in januari 1919 nog niet weten is dat het griepvirus in de loop van augustus 1918 is gemuteerd naar een H1N1-subtype. Deze nieuwe versie lokt een overreactie van het immuunsysteem uit, de zogenaamde cytokinestorm. Vooral jonge, gezonde en fitte mensen krijgen daardoor te maken met zware longontstekingen en ademhalingsproblemen. De afloop is meestal dodelijk. De artsen hebben geen moeite om een diagnose te stellen, een blik op de patiënt volstaat: zeer hoge koorts, grote uitputting, bloedneuzen, ademhalingsproblemen en cyanose in het aangezicht. De symptomen zijn zeer herkenbaar op de derde dag van de ziekte. De dood volgt meestal aan het einde van de eerste week van de longontsteking, soms later.Eind oktober 1918 verlaat het Cabour-hospitaal Adinkerke en verhuist naar het net bevrijde Brugge. Bij de aankomst in de stad doet het griepvirus daar al de ronde, maar de aankomst van de Belgische troepen verandert het ziektebeeld ingrijpend. Het aantal dorpen en steden dat alarm slaat, stijgt zienderogen. Dikwijls gaat het om slechts enkele gevallen per gemeente, maar in heel wat streken maakt de legeroverheid melding van ware epidemieën. Lembeke krijgt af te rekenen met 120 zieken op een bevolking van 2.800. Op 13 november heeft de Spaanse griep in Opbrakel op drie weken tijd 30 doden gemaakt. In Nederbrakel gaat het om 90 doden in een maand tijd. De Fransen melden eind november in hun bezettingszone in België veel griepgevallen en een hoge mortaliteit. In Laplaigne zijn er op 11 november 100 zieken en geen dokter om ze te verzorgen. In Celles meldt de dorpsarts dat de mortaliteit wel vijf keer hoger ligt dan normaal, deels te wijten aan de Spaanse griep. In La Glanerie, een grensdorp in Henegouwen, zijn op 9 november 300 dorpelingen ziek, ongeveer twee derde van het dorp. Volgens een Belgische dokter zou in de wijdere omgeving van het dorp een derde van de bevolking ten dode zijn opgeschreven.In november 1918 telt het Amerikaanse leger in Europa 22.691 nieuwe zieken en 1.594 doden als gevolg van de Spaanse griep. Anderhalve maand later komen daar meer dan 10.000 zieken en 503 doden bij. Na een tijdelijke daling doet zich in het voorjaar van 1919 een nieuwe, minder dodelijke piek voor. In totaal krijgt 26% van de Amerikaanse soldaten de ziekte, goed voor meer dan een miljoen mannen; 30.000 sterven nog voor hun vertrek naar Europa. Het Amerikaanse leger verliest in 1918 8.743.102 mandagen aan de Spaanse griep. De Amerikaanse marine registreert 5.027 doden en meer dan 106.000 ziekenhuisopnames. Er sterven meer Amerikaanse militairen als gevolg van het griepvirus (57.460) dan door de oorlog (50.280).In het Franse leger zijn er tussen 1 mei 1918 en 30 april 1919 408.180 geregistreerde gevallen van het griepvirus, 30.382 patiënten overlijden. Oktober 1918 is de zwartste maand met 75.719 zieken en 5.917 doden aan het westelijk front. Bij de Duitsers is eenzelfde trend waar te nemen. In juli 1918 zijn er 390.000 zieken, maar tussen 10 oktober en 15 november bereikt het aantal zieken en doden een dieptepunt met meer dan 420.000 zieken. In Duitsland sterven zo'n 340.000 mensen aan de Spanischen Grippe, waarvan 24.000 soldaten. In het Belgische leger overlijden er tussen mei 1918 en april 1919 2.000 soldaten aan de Spaanse griep. In november 1918 alleen al zijn er 703 doden. Tijdens de derde golf is er een nieuwe piek met 145 doden in februari 1919.De grieppandemie die zich op het einde van de Eerste Wereldoorlog heeft voltrokken, is lange tijd beschouwd als een voetnoot in de geschiedenis van de oorlog. Ze werd volledig overschaduwd door de wapenstilstand van 11 november 1918. Pas in de jaren 1970 nemen sociale en medische wetenschappers het voortouw in het onderzoek.De schattingen van het aantal slachtoffers van de Spaanse griep lopen op van enkele miljoenen tot 25 en zelfs 50 miljoen doden, of zo'n 3 à 4% van de wereldbevolking. Ter vergelijking: het aantal dodelijke oorlogsslachtoffers van de Eerste Wereldoorlog - burgers en militairen samen - wordt geschat op 12 tot 14 miljoen.Hoewel het griepvirus er wellicht ook zou gekomen zijn zonder de context van de Eerste Wereldoorlog, heeft de oorlog gediend als katalysator voor de verspreiding van het virus. Kazernes, opleidingskampen, troepentransporten, krijgsgevangenenkampen, werkplaatsen en fabrieken zijn een perfecte voedingsbodem voor het virus, namelijk veel mensen op een kleine oppervlakte. Wat aanvankelijk lijkt op een lokale uitbraak kan zo uitmonden in een wereldwijde pandemie. De oorlog heeft de Spaanse griep geglobaliseerd.Hoeveel Belgen er tijdens de oorlogsjaren ziek worden en bezwijken valt niet te becijferen. Officiële statistieken zijn er niet en veel zieken zullen onder de radar gebleven zijn. Niet alleen het dodelijke griepvirus waart rond. Door het voedseltekort en het gebrek aan artsen en medicijnen doen heel wat besmettelijke ziekten zoals buiktyfus, tuberculose en dysenterie de ronde in België. In Bellegem zijn er achttien gevallen van het besmettelijke buiktyfus. Ook in Leffinge spreekt de legeroverheid eind oktober 1918 van een epidemie. Verder treft het virus ook bewoners van Assebroek, Adegem en Brugge. In Celles zijn verschillende gevallen van buiktyfus vastgesteld in een woning waar heel wat Duitse soldaten ingekwartierd waren. Zij zouden verantwoordelijk zijn voor de besmetting van de waterputten en citernes, aldus de lokale arts. Het water moet dringend gedesinfecteerd worden, maar er is een gebrek aan de ontsmettingsmiddelen. Het Britse leger stuurt hierop verpleegsters naar Kortrijk en voorziet vaccins tegen buiktyfus. Buiktyfus zou verantwoordelijk zijn voor ongeveer duizend Belgische burgerdoden.Ondanks de fragmentatie van het beschikbare cijfermateriaal is het mogelijk om een goede schatting te maken van het aantal dodelijke slachtoffers in België. Het is geen verrassing dat de mortaliteit tijdens de oorlog een grote stijging kent: in 1913 gaat het om slechts 108.296 overlijdens, in 1918 zijn dat er 157.340. De socioloog en politicus Ernest Mahaim berekent in 1926 dat er tussen 1914 en 1918 623.503 Belgen gestorven zijn ten gevolge van de oorlog. Hoewel dit cijfer amper te vergelijken is met de soms torenhoge verliezen van de andere oorlogvoerende landen, heeft de oorlog grote gevolgen voor de Belgische demografie. De daling van het aantal huwelijken met gemiddeld 48% (63% voor West-Vlaanderen), leidt ook tot een forse terugval van het aantal geboortes. In 1913 registreren ambtenaren nog 170.102 geboortes, in 1918 slechts 85.056.Het aantal omgekomen Belgische militairen is beperkt gebleven in vergelijking met tal van andere oorlogvoerende landen. De cijfers variëren naargelang de bron. In zijn Contribution à l'histoire du Service de Santé de l'Armée uit 1932 laat inspecteur-generaal Leopold Mélis 41.111 doden optekenen. Onderzoek in de jaren 1970 uitgevoerd door de Historische Dienst van het Leger komt aan 40.367 doden. Het cijfer dat professor Henri Bernard van de Koninklijke Militaire School naar voren schuift bedraagt 44.015 doden.Het oorlogsgeweld heeft niet alleen militairen maar ook tal van burgers het leven gekost. Tijdens de eerste oorlogsmaanden in 1914 zorgt het gewelddadige optreden van het Duitse leger in plaatsen als Dinant, Leuven, Tamines en Esen voor 6.453 burgerslachtoffers. Vanaf 1916 eist de Duitse bezetter honderdduizenden Belgische arbeiders op voor verplichte tewerkstelling in Duitsland of in de buurt van het front. Meer dan 8.000 van hen sterven van ontbering of ongelukken. Duizenden anderen keren gebroken naar België terug en sterven op jonge leeftijd. Voorts laten ook zo'n driehonderd agenten van de inlichtingendiensten het leven. Ze sterven in Duitse gevangenissen, worden tot de kogel veroordeeld of geëlektrocuteerd aan de grens met het neutrale Nederland. De Belgen blijven niet gespaard van Duitse bombardementen op spoorwegknooppunten, aanvoerroutes en dorps- en stadskernen. Tijdens het eindoffensief brengen de beschietingen op Belgisch grondgebied het leven van burgers in gevaar. Ook allerlei rondslingerend oorlogstuig zorgt voor slachtoffers. Precieze cijfers over het aantal burgerslachtoffers zijn er momenteel niet, maar de schattingen lopen op tot 10.000.Met zijn Namenlijst heeft het In Flanders Fields Museum een grootschalig onderzoek opgezet dat probeert om iedereen te identificeren die in België door de oorlog om het leven is gekomen. Voorlopig bevat dit register meer dan 570.000 slachtoffers, een pak meer dan tot nu toe werd aangenomen.Recente schattingen en berekeningen tonen dat de geallieerde legers 5.647.600 doden te betreuren hadden. Rusland spant de kroon met bijna twee miljoen dode militairen, gevolgd door Frankrijk en zijn kolonies met 1,4 miljoen doden. Het Britse Rijk verloor 959.000 manschappen. In het Italiaanse leger, dat zich pas in 1915 aan de kant van de geallieerden schaarde, liepen de verliezen op tot 600.000 doden. Het dodental voor Servië en Roemenië is bijzonder hoog met respectievelijk 278.000 en 250.700 militaire slachtoffers. Duitsland betaalde de hoogste tol met 2.037.000 doden. Voor Oostenrijk-Hongarije gaat het over anderhalf miljoen. Tellen we daarbij de doden uit het Ottomaanse en Bulgaarse leger dan komen de Centralen in totaal aan 4.410.000 militaire slachtoffers.Voor de burgerslachtoffers zijn geen zinvolle cijfers op wereldschaal beschikbaar. Maar ook zonder cijfers kan worden vastgesteld dat de oorlog onder de burgerbevolking een hoge tol heeft geëist. Bovendien is een onderscheid merkbaar: de bevolking in de geallieerde landen heeft minder te lijden gehad onder voedseltekorten, een gebrek aan medische zorg of onderdak, dan de burgers in landen als Rusland, het Ottomaanse Rijk, de Balkanlanden, Oostenrijk-Hongarije of zelfs Duitsland.De Franse historicus Antoine Prost noemt de schattingen van het aantal gewonden 'nietszeggende cijfers'. Niettemin heeft hij op basis van archiefonderzoek geprobeerd om zicht te krijgen op het aantal gewonde Franse militairen die de oorlog hebben overleefd. Het gaat om 3,4 miljoen veteranen. Een eerste groep van zo'n 5% is zwaar invalide. 20% heeft een verwonding die hen recht geeft op een oorlogspensioen. Een derde groep van 40% heeft een verwonding opgelopen, maar kan zonder beperkingen verder leven en werken. De ene verwonding is dus de andere niet. Beide benen verliezen staat niet gelijk met een litteken in het been oplopen als gevolg van een schrapnel. Sommige soldaten zijn meermaals gewond geraakt, anderen zijn nooit opgenomen in de statistieken omdat hun verwonding niet heeft geleid tot een evacuatie naar een veldhospitaal.Voor het Belgisch leger noteert generaal Mélis in december 1918 volgende cijfers: 77.442 gewonden; 123.000 zieken, door gas getroffen of door een ongeluk uitgeschakelde militairen; 5.273 permanent invaliden, onder wie 1.649 met amputatie. Cijfers voor gewonden onder de burgerbevolking zijn er niet. Wel bewaart het Algemeen Rijksarchief in Brussel 240.000 dossiers van Belgische burgers van wie de gezondheid te lijden had tijdens de oorlogsjaren, tijdens hun opsluiting in een gevangenis of bij hun deportatie voor verplichte tewerkstelling.Op wereldschaal spreken we voor alle geallieerde legers samen over bijna twaalf miljoen gewonden, de Centralen komen aan net geen 8,5 miljoen gewonde militairen.Al tijdens de oorlog wordt de Belgische overheid geconfronteerd met de opvang van verminkten en verlamden. Naast het bestaande 'Invalidendepot' van Sainte-Adresse richt het Ministerie van Oorlog daarom een nieuw instituut op. In de 'Belgische Militaire Vakschool voor de heropleiding der Zwaar Gekwetsten van den Oorlog' in Port-Villez leren verminkte en verlamde Belgische soldaten een nieuw beroep aan. Ze kunnen kiezen uit tientallen stielen: schrijnwerker, drukker, mandenmaker, kapper, tuinman... In Mortain komt een soortgelijke school, maar daar ligt de nadruk op de voorbereiding op de toelatingsexamens voor de administraties van de staat, provincies en gemeenten. Beide scholen fuseren in september 1916. De Belgische overheid probeert hiermee niet alleen haar schuld ten opzichte van de oorlogsverminkten en -verlamden in te lossen, maar ook de economische re-integratie van deze groep te bevorderen, zodat ze niet ten laste van de staat zouden vallen. De wervingsbrochure uit 1916 spreekt boekdelen: 'Na als dappere soldaten hun bloed vergoten te hebben voor het Vaderland, zullen zij zich aldus voorbereiden om na den zege flink gewapend deel te nemen aan den economischen strijd, en zelf goedbezoldigde posten te bekleeden.' Na de oorlog worden overal homes en tehuizen opgericht voor hulpbehoevende soldaten. In Sint-Pieters-Woluwe koopt de overheid in het voorjaar van 1919 een groot terrein aan en poot er barakken neer waar een duizendtal oorlogsverminkten zal verblijven totdat ze hun eigen bonen kunnen doppen.Naast de duizenden invalide soldaten moet ook de kleinere groep van oorlogsblinden worden opgevangen. In mei 1919 zijn zij met 66, maar hun werkelijke aantal ligt wellicht iets hoger. Zij kunnen vanaf oktober 1919 terecht in het Oorlogsblindengesticht in Bosvoorde. Deze instelling is opgericht door koningin Elisabeth en wil de blinden helpen een nieuw leven op te bouwen, bijvoorbeeld als borstelmaker, mandenvlechter of pianostemmer. Het instituut voorziet in gratis onderdak en eten. De blinden krijgen er les in brailleschrift en mobiliteitstechnieken. In augustus 1922 lijkt het instituut zijn missie volbracht te hebben en sluit de deuren. Onder patronage van koningin Elisabeth wordt in 1923 een vereniging opgericht die de verdere maatschappelijke integratie van de oorlogsblinden ondersteunt en hun belangen behartigt, het Werk der oorlogsblinden van Hare Majesteit de Koningin.Niet alleen het koningshuis, maar ook de regering ontwikkelt initiatieven die bedoeld zijn om de oorlogsverminkten voldoende ondersteuning te geven. Zo ontstaat in 1919 het Nationaal Werk der Oorlogsinvaliden (NWOI): 'De militairen (...) gepensioneerd wegens invaliditeit uit oorlogsfeiten voortspruitende, ontvangen kosteloos, door tusschenkomst van het NWOI, de genees-, heel-, en artsenijkundige zorgen, noodzakelijk voor het behandelen van alle hunne lichaamsgebreken of aandoeningen.' Het NWOI helpt ook bepaalde categorieën van burgerslachtoffers bij de terugbetaling van dokterskosten en ziekenhuisverblijven. Soldaten met zware verwondingen aan beide onderste ledematen kunnen rekenen op terugbetaling van hun prothesen door de overheid. Soms wordt er een hond of een motor ingeschakeld om de mobiliteit te bevorderen.Een andere vorm van ondersteuning is de toekenning van een bijzonder pensioen voor degenen die minstens 10% invaliditeit hebben opgelopen tijdens de oorlog. Een soldaat met 50% invaliditeit kan rekenen op een pensioen van 1.200 frank, een onderluitenant op 1.760 frank. Oorlogsinvaliden krijgen ook voorrang bij de toekenning van openbare ambten en bezitten een speciale kaart die hen recht geeft op een prijsvermindering van 75% op de treinbiljetten.Na de oorlog worden de verschillende belangengroepen van de oorlogsverminkten samengebracht in een enkele vereniging: het Nationaal verbond der verminkte en invalide militairen van de oorlog. In 1920 telt deze vzw 36.000 leden. Alle pogingen en initiatieven ten spijt blijft het voor veel invaliden erg moeilijk om een nieuwe plaats in de samenleving te verwerven.