De voetsporen van een dronken kip die over een blad loopt: dat vat de handgeschreven notities van filosoof Edmund Husserl (1859-1938) zowat samen. Een man uit Lier leerde ze ontcijferen, redde ze op gevaar van eigen leven uit de handen de nazi's, en bezorgde de KU Leuven er wereldfaam mee. Zijn naam: Herman Leo Van Breda, behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. In de academische wereld minzaam bekend als 'de pater'.
...

De voetsporen van een dronken kip die over een blad loopt: dat vat de handgeschreven notities van filosoof Edmund Husserl (1859-1938) zowat samen. Een man uit Lier leerde ze ontcijferen, redde ze op gevaar van eigen leven uit de handen de nazi's, en bezorgde de KU Leuven er wereldfaam mee. Zijn naam: Herman Leo Van Breda, behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. In de academische wereld minzaam bekend als 'de pater'. Aan dat vreemde verhaal zou Toon Horsten vijf jaar van zijn leven besteden. Het leverde het intrigerende boek De pater en de filosoof op, dat nu in de winkel ligt. 'In een familiefotoboek vond ik een beeld van mijn grootmoeder, met naast haar een priester die een sigaret tussen de vingers hield', vertelt Horsten. 'Je zag meteen dat mijn oma die man graag zag. "Wie is dat?" vroeg ik. "Pater Van Breda, oma's lievelingsneef", antwoordde mijn vader. "Hij deed iets met filosofie in Leuven." Vlaamse understatements, ze zijn niet te kloppen. 'Doctoraat in Freiburg, eremedaille van Yad Vashem, uitgereikt bij de twintigste verjaardag van de opstand in het getto van Warschau', vermeldde zijn doodsbrief. Horstens nieuwsgierigheid was gewekt. In zijn uitstekend gedocumenteerde biografie beschrijft hij hoe Herman Leo Van Breda deed wat Martin Heidegger naliet: de intellectuele nalatenschap redden van Edmund Husserl, een van de belangrijkste Duitse filosofen van de twintigste eeuw. Toon Horsten: Leo Van Breda trad in bij de franciscanen en werd pater Herman. Meteen na zijn priesterwijding ging hij halfweg de jaren dertig filosofie studeren aan de universiteit van Leuven. Zijn licentiaatsverhandeling ging over het vroege werk van Edmund Husserl. Voor zijn doctoraat wilde hij het late werk van de filosoof behandelen. Hij wist dat Husserl nog heel wat ongepubliceerde manuscripten had liggen, die wilde hij graag inkijken. Wat was er zo fascinerend aan de filosofie van Husserl? Horsten: In de negentiende eeuw werden de wetenschappen steeds belangrijker en won het mathematische denken fors terrein. Tegelijk ontstond de psychologie, die bewustzijn als onderwerp had. Het leek alsof de filosofie een koning zonder land was geworden. De filosoof Friedrich Nietzsche reageerde daarop met een individualistisch, op persoonlijkheid gebouwd wereldbeeld. Edmund Husserl deed net het omgekeerde: in de geest van Plato wilde hij van de filosofie weer een absolute en alomvattende wetenschap maken. Hij vond zelfs dat we die doelstelling bijna bereikt hadden. Sterker nog: hij beweerde dat hij de sluitsteen kon leveren om dat ideaal waar te maken. Bescheiden was hij niet. Horsten: Zeker niet. 'De filosofie als alomvattende en absolute wetenschap vestigen', het is een ambitie die moderne mensen niet meer koesteren. Husserl zag zichzelf als een Christoffel Columbus die een nieuwe wereld had ontdekt: het zuivere bewustzijn. Hij geloofde dat we door reflectie en door alle ballast overboord te gooien de dingen kunnen zien zoals ze écht zijn. Hij had daar ook een methode voor ontwikkeld: de 'fenomenologische reductie'. De toepassing van die ingewikkelde methode bepaalde volgens Husserl niet alleen het lot van de filosofie, maar van de hele wereld. Want pas als we de wereld met behulp van de fenomenologische reductie helemaal doorgrond zullen hebben, kunnen we het ideaal van een rationele en liefdevolle wereld verwezenlijken. Om tot het wezen van de dingen te kunnen doordringen, moest de filosoof afstand nemen van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden die hij in zijn bewustzijn aantrof. Over die methode en de grondslagen van zijn filosofie had Husserl ontzettend veel geschreven en gepubliceerd. Daarnaast had hij ook de praktische toepassingen van zijn filosofie op papier gezet. Veel van die geschriften waren nog niet uitgegeven. Het ging kennelijk om gigantisch veel geschriften: ruim 40.000 bladzijden. Horsten: Precies, en dan nog geschreven in Husserls persoonlijke variant van het Gabelsberger-steno. Tijdens zijn actieve leven was dat schrift vrij goed ingeburgerd, maar eind de jaren dertig beheersten steeds minder mensen die techniek. Als je zo'n manuscript van Husserl nu onder ogen krijgt, moet je het twéé keer interpreteren. Eerst moet je het steno ontcijferen, en dan moet je nog eens op zoek naar wat de filosoof precies wilde zeggen. Geen lachertje. Husserl stierf op 27 april 1938. Op 29 augustus van dat jaar belde pater Herman aan bij Husserls weduwe Malvine, in Freiburg. Horsten: Hij hoopte voor zijn doctoraat een paar van die manuscripten te kunnen inkijken. Hij was zich zeer goed bewust van de toestand in nazi-Duitsland. Twee maanden later zou de Kristallnacht plaatsvinden. Edmund Husserl en zijn vrouw waren Joods, en hun kinderen waren geëmigreerd naar Amerika. Op voorhand had pater Herman met zijn professoren afgesproken dat de universiteit van Leuven een paar van die manuscripten zou uitgeven - in Duitsland was dat onmogelijk geworden. Hij logeerde in Freiburg bij de franciscanen in de Adolf Hitler Strasse. Tijdens die eerste ontmoeting klikte het tussen de 27-jarige pater en de 80-jarige weduwe. Toen haar man nog leefde, waren ze al van plan om het archief en de bibliotheek met 2700 boeken uit het huis in Freiburg te halen en in het buitenland in veiligheid te brengen. Dat was nog niet gelukt, en de weduwe was de wanhoop nabij. Pater Van Breda gaf haar nieuwe hoop. Hij maakte meteen ook kennis met Eugen Fink, de laatste assistent van Husserl, en met de Senegalees-Franse filosoof Gaston Berger, de vader van choreograaf Maurice Béjart. Martin Heidegger, de opvolger van Husserl als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Freiburg, was er tijdens die bijeenkomst niet bij? Horsten: Heidegger was fan van de nazi's én lid van de NSDAP. Ooit was Husserl zijn leermeester, maar gaandeweg had Heidegger afstand van hem genomen. Hij stuurde zelfs zijn kat naar Husserls begrafenis. Op Martin Heidegger kon Malvine dus helemaal niet rekenen. Op pater Van Breda des te meer. Tijdens dat allereerste bezoek zei hij meteen: 'We gaan het archief redden.' Het oorspronkelijke plan was om de 40.000 bladzijden naar Zwitserland te smokkelen. Daar woonde de psychiater Ludwig Binswanger, die als ex-student nauwe contacten had onderhouden met Edmund Husserl en een op de fenomenologie gebaseerde psychologie had ontwikkeld. Een bevriende Zwitserse kloosterzuster ging op verkenning uit en klopte aan bij Binswanger: 'Kunnen we Husserls archief tijdelijk bij u onderbrengen?' Het antwoord was: 'Wij zijn voor de nazi's. Laat ons met rust.' Toen besliste Van Breda: 'Dan smokkel ík het archief naar Leuven.' Hij wilde de documenten als diplomatieke post de grens over krijgen, via de Belgische ambassade. Maar dan moest hij ze eerst naar Berlijn zien te brengen. Waarom zo veel geheimzinnigheid? Het ging toch maar over 40.000 bladzijden vol filosofische teksten in steno die niemand begreep? Horsten: Ik kan u verzekeren dat Van Breda zijn leven riskeerde toen hij met drie loodzware hutkoffers vol papier van het zuiden van Duitsland naar Berlijn treinde. Bij een controle was de kans groot dat de nazi's zouden denken dat hij een spion was: de documenten leken in codetaal geschreven. Daarom ook durfde hij met die koffers de grens niet over, en moesten ze als diplomatieke post verstuurd worden. Met drie koffers die samen 100 kilo wogen, reisde hij eind september 1938 in z'n eentje heel Duitsland door. Voor zijn vertrek had hij samen met Malvine een document opgemaakt waarin zij tijdelijk het eigendomsrecht van het archief aan hem afstond. Want alleen Belgische papieren mochten mee met de diplomatieke post van onze ambassade. De ambassadeur in Berlijn was Jacques Davignon, de vader van Etienne, die het later tot vicevoorzitter van de Europese Commissie schopte. Davignon was degene die zijn zegen moest geven voor de verzending, maar door de gespannen politieke toestand was hij weggeroepen uit Berlijn. Zijn plaatsvervanger was burggraaf Jo Berryer, en hij bleek meteen gewonnen voor Van Breda's plan. Die keerde terug naar Leuven, waar hij het bestuur van de universiteit nog moest overtuigen om een heus Husserl-archief aan te leggen. Hij stelde de universiteit min of meer voor voldongen feiten. Op dat moment waren het ook in België zeer onzekere tijden. Horsten: Er hing spanning in de lucht. De documenten raakten via de ambassade tot in België, en Eugen Fink en Ludwig Landgrebe, een andere assistent van Husserl, kwamen over naar Leuven om er in het gloednieuwe Husserl-Archief de geschriften te ontsluiten. Zij beheersten Husserls steno en kenden zijn filosofie van naaldje tot draadje. Zodra het archief veilig en wel in Leuven was, probeerde Van Breda de weduwe van Husserl te overhalen om uit Duitsland te vluchten. Na de Kristallnacht schakelde de Jodenvervolging een paar versnellingen hoger, werden synagogen in brand gestoken en boeken verbrand. Malvine wilde naar haar kinderen in Amerika, maar ze raakte niet aan een visum. Van Breda stelde haar voor om eerst naar België te komen. 'Dan ben je tenminste al veilig. Dat visum komt later wel.' Ze ging akkoord, op voorwaarde dat ook de bibliotheek van haar man en zijn uitgebreide correspondentie met andere grote filosofen mee naar Leuven verhuisde. Hij regelde een container, en pas op het moment dat alle goederen in veiligheid waren, stapte Malvine samen met haar huishoudster Joséphine Näpple op de trein naar België. Hij hielp de weduwe en haar huishoudster onderduiken in een klooster in Herent, tot hij voor hen een visum voor Amerika zou kunnen bemachtigen. Dat lukte niet. Uiteindelijk zou het tot mei 1946 duren voordat Malvine en Joséphine aan de overtocht naar Amerika konden beginnen. Hoe veilig of onveilig was het leven voor mevrouw Husserl in Herent? Horsten: Tijdens de bezetting werden Joden verplicht om de davidster te dragen. De gemeentesecretaris van Herent stuurde op 3 juni 1942 een ster voor Malvine naar Van Breda. Blijkbaar wist de secretaris dat de weduwe van Husserl ondergedoken zat in het plaatselijke klooster. Malvine heeft de ster nooit gedragen. Als het nodig was, onderhandelde Van Breda met de Duitse bezetter. Hij had geluk dat Leuven bestuurd werd door Wehrkreiskommandant Reinold von Thadden, een Pruis van adellijke afkomst die zich in de jaren dertig als lid van de protestantse Bekennende Kirche verzet had tegen pogingen van de nazi's om de kerk aan banden te leggen. Die kerk had zich ook uitgesproken tegen de Jodenvervolging. Von Thaddens halfzus Elisabeth was trouwens in het verzet actief, en werd in september 1944 geëxecuteerd. Van Breda had een goede verstandhouding met Von Thadden. Ik vermoed dat de majoor Malvine de hand boven het hoofd hield, waardoor ze als Joodse de oorlog overleefde. Als ze in Antwerpen ondergedoken was geweest, was ze in een vernietigingskamp beland? Horsten: Antwerpen was de enige stad waar de politie meewerkte aan razzia's. Daar had ze het einde van de oorlog wellicht niet gehaald. Tijdens de bezetting viel de werking van het Husserl-Archief stil. Fink keerde terug naar Freiburg, Landgrebe reisde naar Hamburg. Van Breda had geen personeel meer, maar hij wist het te regelen dat verschillende ondergedoken Joden vanuit hun onderduikadres teksten van Husserl begonnen te transcriberen. Betaalde hij hen daarvoor? Horsten: Hij beschouwde het vooral als bezigheidstherapie. Hij had toen zelf niet veel geld, maar sommige Joodse mensen namen het hem achteraf zeer kwalijk dat hij hen niet betaalde op het moment dat zij aan de grond zaten. Ze voelden zich gebruikt? Horsten: Ja. Het Husserl-Archief was voor hem een obsessie. Hij was er toevallig ingerold, maar hij maakte er al snel zijn levensmissie van. Alles moest ervoor wijken. Hij droeg de titel 'professor' aan de Leuvense universiteit, waar velen hem niet meteen als een grote filosoof beschouwden. 'Hij heeft amper iets gepubliceerd', heette het. Dat is waar, maar hij heeft wel de hele intellectuele nalatenschap van een grote Duitse filosoof gered en toegankelijk gemaakt. Vandaag zouden we hem een cultuurmanager noemen. Hij had een gigantisch netwerk dat hij zijn leven lang inzette om zijn geesteskind levend te houden. Van Breda was zeer bedreven in het vinden van geld. Veertig jaar lang trok hij als een bedelpater van de ene rijke familie naar de andere. Het geld dat hij ophaalde, investeerde hij in zijn archief. Hij hield daar geen boekhouding van bij, waardoor ik niet al zijn geldschieters kon traceren. Wat ik wel weet, is dat hij fondsen kreeg van de Franqui-Stichting, de Unesco, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en NV De Gids. Dat was het bedrijf dat na de oorlog de krant De Standaard uitgaf. Het schonk 500.000 frank. Het ging vaak over fikse bedragen, al nam hij ook genoegen met minder. Het zou te negatief zijn om te stellen dat hij voortdurend geld aan het aftroggelen was, maar hij leefde wel van giften. Wat voor een mens was Van Breda? Horsten: Er circuleren verhalen over zijn opvliegende karakter. Hij leed aan diabetes, en de behandeling daarvan stond nog in haar kinderschoenen. Het zou best kunnen dat veel van zijn verbale uitvallen een gevolg waren van zijn ziekte. Als het op de uitbouw van zijn archief aankwam, kon hij heel innemend zijn. Kapitaalkrachtige mensen wist hij er vrij makkelijk toe te overhalen om hun portemonnee open te trekken. Hij maakte grapjes, babbelde een beetje hier en een beetje daar en probeerde zo zijn zin te krijgen. Hij was ijdel. Wijlen Samuel IJsseling, zijn opvolger als directeur van het Husserl-Archief, omschreef hem vrij accuraat: 'Van Breda had een groot ego, maar hij was geen egoïst.' Hij correspondeerde uitgebreid met de filosoof Maurice Merleau-Ponty. Die was goed bevriend met Jean-Paul Sartre. Van Breda schreef dat hij Sartre niet echt een interessante filosoof vond, maar voegde er toch aan toe: 'Kun je geen afspraak met hem regelen?' (lacht) Hij heeft Sartre ook ontmoet én gebruikt toen hij geld nodig had voor zijn archief. Zo schermde hij met de naam Sartre om bij de Unesco aan geld te komen. Eigenlijk was hij een opportunist? Horsten: Ja. Anna Katz, de moeder van de Antwerpse schepen Claude Marinower, heeft hem tijdens de oorlog goed gekend. Zij leefde samen met haar man Marcel Marinower ondergedoken in Leuven. Ik heb haar voor het boek uitgebreid gesproken, en het werd snel duidelijk dat ze een grondige hekel had aan Van Breda - precies wegens zijn opportunisme. Marcel Marinower werd in februari '44 door de Duitsers opgepakt en op transport naar Auschwitz gezet. Zijn vrouw gaf een envelop met familiefoto's in bewaring bij pater Herman. Ze vertelde me dat die foto's Marcels kostbaarste bezit waren, zijn enige herinnering aan zijn familie. Van Breda beloofde dat hij ze zou bijhouden tot na de oorlog. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft ze verbrand. Anna's man overleefde Auschwitz, en toen ze de foto's terugvroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze vertelde me: 'Als je 40.000 bladzijden kunt verstoppen, kun je toch makkelijk een envelop met foto's bijhouden?' Toen Marcel Marinower was opgepakt, vroeg ze Van Breda ook of hij een brief aan de Duitsers wilde schrijven ten gunste van haar man. Hij weigerde. 'Dat kan ik niet,' zei hij, 'want ik ben professor. Het is te gevaarlijk.' Op een bepaald moment vroeg Van Breda aan Anna Katz om Malvine Husserl te bezoeken, zodat de weduwe haar zinnen wat kon verzetten. 'Ze droeg ontzettend veel juwelen', herinnerde Anna zich. 'Tijdens het gesprek stelde zij zich hautain op. Ik vond het een vreselijk mens. Ik ben er nooit meer terug geweest.'