De moeilijke opgang van vrouwen in de politiek: ‘Kunstmatig voorsprong geven aan dames vind ik ongezond’

MARGUERITE DE RIEMAECKER De eerste vouwelijke minister in België kon meepraten over ‘voetbal en koers’. © De Riemaecker, ‘Marguerite De Riemaecker-Legot’, 2015 / UGent
Walter Pauli

Louis Major was een minister met macht en invloed toen hij de jonge Nelly Maes afdreigde: ‘Wijven moeten niet zo veel complimenten maken.’ De geschiedenis gaf hem ongelijk.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Vrouwen aan de macht is het vierde en laatste deel van de Canvas-documentaire Wij, vrouwen over de naoorlogse vrouwenemancipatie. De aflevering concentreert zich op vrouwen in de politiek en hoe moeilijk het was voor hen. In België kregen vrouwen pas volwaardig parlementair stemrecht in 1948, bijna dertig jaar na Nederland, Luxemburg of Oekraïne. Daarna was het nog eens een kleine twintig jaar wachten tot een vrouw minister werd: in 1965 belandde Marguerite De Riemaecker-Legot (CVP, nu CD&V) in de Belgische regering, als minister voor Gezin en Huisvesting – uiteraard. Ze was een echte pionier, want in 1946 – dus twee jaar vóór de invoering van het vrouwenstemrecht – werd De Riemaecker al verkozen in de Kamer.

Foto’s van De Riemaecker tonen een zelfbewuste vrouw. In de jaren zestig viel ze ook op met haar zware, spitse vlinderbrilmontuur, zoals dat in de nouvelle-vaguejaren van Jean Seberg en A Bout de Souffle mode was. Daar houdt de vergelijking op. Actrice Seberg symboliseert de nieuwe generatie van jonge, vrijgevochten vrouwen. Beelden van De Riemaecker tonen vooral een waardige vrouw. Als minister zette De Riemaecker zich ongetwijfeld meer en concreter in voor de samenleving en de vrouwenemancipatie dan de iconische Seberg. Maar haar imago bleef trouw aan wat de – door mannen gedirigeerde – publieke opinie verwachtte van een minister.

Vrouwen aan de macht toont hoe mevrouw de minister haar opwachting maakt in een zorginstelling waar ze bedremmelde kinderen een cadeautje geeft – natuurlijk met camera’s erbij. Ze doet dat zoals haar mannelijke collega’s dat al decennia deden, in dezelfde pose en met dezelfde voornaamheid. In haar biografie staat ook dat ze dol was ‘op koers en voetbal’. De eerste vrouwelijke minister van het land kon dus meepraten met haar mannelijke collega’s als er analyses gemaakt moesten worden over Anderlecht en Rik Van Looy. Zij wist hoe belangrijk dat toen was.

IJverige secretaressen

Hoe kunnen vrouwen doordringen in een uitgesproken masculien systeem? En kunnen vrouwen dan de politiek in een vrouwelijke richting sturen? Marguerite De Riemaecker zou het antwoord op die vraag niet geven, want de val van de regering van Paul Vanden Boeynants in 1968 betekende ook het einde van haar ministeriële carrière.

In dat magische jaar hing er oproer in de lucht. Er braken andere tijden aan. Hoewel, niet voor iedereen. De vrouwelijke soixante-huitards blikken in Vrouwen aan de macht met vrij negatieve gevoelens terug op hun ‘Leuven Vlaams’-periode. Zij voelden zich in het beste geval de ijverige secretaressen van bekende studentenleiders als Paul Goossens en Ludo Martens. Ze waren, zo vertellen ze, ‘tweede keuze gezelschap in het café’, en mochten ‘het bed verwarmen’ van sommige studentenleiders. Vrouwenemancipatie interesseerde de nieuwe, linkse studentenbeweging hoegenaamd niet. Dat is een interessante bijstelling van de geschiedenis van een studentenrevolte die tot nu toe inderdaad bijna exclusief door mannen werd geschreven.

Nelly Maes begreep meteen dat het zinnetje van ‘die wijven’ háár geuzenkreet moest worden.

Al heeft ook de vrouwelijke kijk op ‘1968’ zijn blinde vlek. Advocate Liliane Versluys hekelt in de Canvas-documentaire het feit dat de studentenleiders van toen liever bezig waren met ‘de boerenbevolking ergens, of de mijnwerkers daar, of de staalarbeiders ginder’ – haar misprijzen valt niet te negeren. Die ‘mijnwerkers daar’ bevonden zich dus in Limburg, waar ze vanaf de eerste januaridagen van 1970 samen met Leuvense studenten een lange en harde mijnstaking organiseerden. Hun woordvoerder was al snel een woordvoerster. Nadine Huybrechts, een studente economie uit Hasselt, werd bekend als ‘de Jeanne d’Arc van Limburg’, megafoon in de hand. In een interview met De Post vertelde ze: ‘Mag een meisje niet tussen stakende arbeiders staan? De vrouw moet geëmancipeerd worden in deze maatschappij. Kijk maar naar de lonen. Bij gelijk werk wordt er voor man en vrouw nog steeds geen gelijk loon uitbetaald. De vrouw moet ook de actie meevoeren.’

Natuurlijk trokken er meer mannelijke dan vrouwelijke studenten naar de mijnen. Dat was nog een gevolg van een belangrijke wet die Maria Baers, een van de eerste vrouwelijke senatoren, in de late jaren 1940 door het parlement had gekregen, ‘het verbod op vrouwenarbeid in de mijnen en groeven’. Dat de Leuvense studenten die naar de Limburgse mijnstreek trokken bitter weinig vrouwen in hun rangen telden, was dus niet alleen een zaak van achterstelling of desinteresse, maar ook van vroege vrouwenemancipatie.

De arbeidersstrijd lag toen ver weg van de leefwereld van de dochters uit ‘aspirerende middenklassegezinnen’. Want dat was natuurlijk de eerste groep die de kansen greep van het nieuwe beleid dat streefde naar meer ‘democratisering van het onderwijs’. De toetreding tot het universitair onderwijs van arbeiders, en zeker van arbeidersdochters, is altijd problematisch gebleven.

Sterk en geducht

Deze nieuwe generatie geschoolde feministen begreep vlug dat er een hoop praktische bezwaren stonden tussen de wens om als vrouw mee te spelen in de politiek en de vervulling daarvan. Vrouwen met ambitie konden twee danig verschillende ‘modellen’ volgen om tot de hoogste kringen van de politieke macht door te stoten.

Het eerste model is de structurele aanpak. Zeg maar: het ‘model Miet Smet’. Als dochter van een CVP-senator die behoorde tot het ACW (nu Beweging.net, de koepel van christelijke werknemersorganisaties) was ze vertrouwd met de organisatie van de CVP als standenpartij. Waarom zouden vrouwen zich niet durven te organiseren als zo’n eigen ‘stand’, dacht Smet. Dan zouden ze beter in staat zijn om eigen programmapunten door te duwen, en zouden ze meer vrouwen verkiesbaar krijgen. Het zou vrouwen ook een eigen platform geven om te netwerken. Zo zag in 1974 Vrouw en Maatschappij het licht, de vrouwenbeweging van de CVP/CD&V. Al in 1975 bewees die haar kracht door af te dwingen dat een op de vijf plaatsen op de CVP-kieslijsten voorbehouden moest zijn voor vrouwen. In 1978 werd Miet Smet verkozen in de Kamer.

Vandaag is Vrouw en Maatschappij een sterke en geduchte vrouwenorganisatie. Andere (mannelijke) CD&V’ers kijken er vaak met lede ogen naar, en zelfs enige nijd. Toen Vrouw en Maatschappij in 2014 haar veertigste verjaardag vierde, werden journalisten nadrukkelijk aangepord door sommige partijleden om die vrouwenclub eens kritisch en liefst negatief door te lichten – ‘een staat binnen de partij’.

‘Rooie Nelly’

Model twee is de individuele inbraak in de machtsstructuur. Dat kun je het ‘model Nelly Maes’ noemen. Zij maakte vanaf de vroege jaren 1970 naam in de Volksunie in de slipstream van de bekende progressieve Vlaams-nationalist Maurits Coppieters. Vandaar dat Maes prompt de bijnaam ‘Rooie Nelly’ kreeg, natuurlijk van de onvermijdelijke Volksunie-baardjes. Ondanks zware concurrentie veroverde Maes in 1972 een verkiesbare plaats voor de parlementsverkiezingen. Foto’s tonen haar in actie tijdens de verkiezingscampagne: in een auto met luidsprekers, beplakt met haar eigen naam, doet ze vanuit het raampje sympathiek tegen het publiek. Andermaal, zoals alle andere mannelijke kandidaten dat deden en doen.

Met succes: Nelly Maes werd verkozen in de Kamer. Om daar meteen stennis te trappen. De Kamervoorzitter sprak gehuwde vrouwen aan met de naam van hun echtgenoot en ongehuwde vrouwen met ‘juffrouw’. Toen Maes bleef protesteren, kwam de legendarische knorrige opmerking van de oude socialist Louis Major: ‘Wijven moeten niet zo veel complimenten maken.’

Major was op dat moment minister in de regering-Gaston Eyskens V. In dat kabinet zat geen enkele vrouw. De woke generatie zou het een club ‘oude witte mannen’ noemen, en het wás ook een gerontocratie. Premier Eyskens was 68 jaar, Edward Anseele jr. en Louis Major waren 70, Léon Servais en Alfons Vranckx 65, Hendrik Fayat 64, Jos De Saeger en Pierre Harmel 61. De jongste was de 34-jarige neofiet Willy Claes, maar die zag er als dertiger niet heel anders uit dan vandaag op zijn 84e. Ministers wáren oude witte mannen, of deden zich zo voor. Nelly Maes begreep meteen dat het zinnetje van ‘die wijven’ háár geuzenkreet moest worden. Plots wist iedereen dat er ook vrouwen zaten in de Kamer en dat die vooral niet van plan waren om te zwijgen. Zo was en is Nelly Maes: ze kon net zo hard roepen en durfde net zo fors uit te halen als ‘de mannen’.

Evenwaardige partner

Waren er veel alternatieven? Dat bleek moeilijk in de praktijk. Vrouwen aan de macht laat de Gentse vakbondsvrouw Nadine Crappé (1935-1999) aan het woord. Op 1 mei kreeg ze van haar eigen vakbond… een flesje parfum. Juist wat ze níét wilde. Op vintageseventies-archiefbeelden legt Crappé het uit: ‘Op vakbondsvergaderingen moet je laten zien dat je even hard kunt roepen als zij, en evenveel pinten kunt drinken. Dat is ook belangrijk, want dan zien ze je als een kameraad en niet als een vrouw. Dat je vakbondsmensen je dus beschouwen als “mens” en niet als “vrouw”. Dat ze je als een evenwaardige partner beschouwen.’ Gelijkheid is: in niets verschillen van mannen. Vrouwen telden alleen mee als ze vooral niet afgerekend worden op hun vrouwelijkheid. (Pas veel later zouden vrouwen als Annemie Neyts (Open VLD) en Freya Van den Bossche (Vooruit) voor hun verkiezingsaffiches net het tegenovergestelde doen.)

Het zal tot voortdurende spanningen leiden in de politieke vrouwenbewegingen. Met wie samenwerken? Welke eisen stellen? Sommige strijdpunten waren een zaak van héél lange adem. Al in de vroege jaren 1970 vroeg de vrouwenbeweging aandacht voor de hoge prijs van inlegkruisjes: die zouden niet door de vrouwen zelf betaald moeten worden, maar door de overheid. In 2005 voerde Kamerlid Maya Detiège (SP.A/Vooruit) actie in het halfrond: ‘Tampons zijn geen luxeproduct.’ Ze vroeg een btw-daling van 21 naar 6 procent. Detiège werd weggehoond, ook in haar eigen partij, zowel openlijk (veel mannen) als besmuikt (een aantal vrouwen). Na nog eens dertien jaar wachten stemde de Kamer in 2018 eindelijk in met de volledige afschaffing van de btw op menstruatieproducten. Die ‘strijd’ voor dat ene puntje had dus een halve eeuw geduurd.

Samenwerken met vrouwen uit andere partijen loopt vaak moeilijk. Dat bleek duidelijk tijdens de discussies over abortus die aansleepten van de jaren zeventig tot de late jaren tachtig. Léona Detiège (Vooruit): ‘Praten met vrouwen uit andere partijen was heel moeilijk, want de mannen zetten de lijnen uit.’ En het waren vooral mannen die tegen abortus waren. Vrouw en Maatschappij moest de CD&V-koers volgen die elk gesprek en elke onderhandeling over abortus afwees. Als op Vrouwendagen abortus besproken werd, daagde de KAV (Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging, nu Femma) gewoon niet op. Niet alleen in de christelijke zuil lag abortus moeilijk. Ook Nelly Maes noemt in Vrouwen aan de macht die tijd ‘een van de pijnlijkste momenten’ uit haar loopbaan: ‘Ik kreeg brieven die in urine gedrenkt waren. Gericht aan “Nelly Maes, abortusioniste”.’ Ook het Vlaams-nationalisme moest nog in het reine komen met de strijd om vrouwenrechten.

Joelen

Uiteindelijk keurden in 1989 de Senaat en de Kamer de ‘abortuswet’ goed, tegen de zin van regeringspartij CVP en ondanks de crisis die koning Boudewijn daarover uitlokte. De wet Lallemand-Michielsens was een mijlpaal – Roger Lallemand was een mannelijke, Franstalige socialist, Lucienne Herman-Michielsens een vrouwelijke, Vlaamse liberaal. Op cruciale momenten bleken politieke affiniteiten en ideologische keuzes sterker dan gendergelijkenissen. Dat was ook zo toen in 1994 de wet Smet-Tobback werd goedgekeurd. Die wet van Miet Smet (CVP) en Louis Tobback (SP) verbood politieke partijen om kieslijsten voor te leggen met meer dan twee derde van de kandidaten van hetzelfde geslacht. Voor het eerst werden er genderquota ingevoerd. Ohlala. Herman De Croo (Open VLD) kwam op tv zeggen: ‘Kunstmatig voorsprong geven aan dames vind ik ongezond.’ Als één beeld toont hoe snel de wereld de laatste twintig jaar is veranderd, is het de 41e minuut van Vrouwen aan de Macht. Liberaal André Denys stapt in het Vlaams Parlement naar de microfoon en zijn hele lichaamstaal – die gang, dat lachje – verraadt dat de man zich van zijn ‘guitigste’ kant zal tonen. En ja hoor. Denys vergelijkt de Vlaamse vrouwenquota met de Europese melkquota. ‘Hij zei niet letterlijk dat we koeien waren,’ reageert Nelly Maes in de Canvas-documentaire, ‘maar we hadden het wel zo verstaan.’ Toen Maes protesteerde tegen de ‘denigrerende’ en ‘seksistische’ opmerkingen, begon het Vlaams Parlement pas echt te lachen en joelen. Het zijn tenenkrommende beelden. Zelfs voorname parlementsleden als Francis Vermeiren (Open VLD), Leo Delcroix (CD&V), Marc Van Peel (CD&V) en Trees Merckx-Van Goey (CD&V) deden mee. Vrolijkheid alom.

Toch is de invoering van quota het kantelmoment geweest. Sindsdien is de vrouwelijke aanwezigheid in de politiek verworven. Dat geldt ook voor de regeringen. Die vooruitgang wordt treffend geïllustreerd door de lijst van vrouwelijke politici die voor het eerst een ‘hard’ departement konden bezetten. In 2003 kent België zijn eerste vrouwelijke minister van Justitie (Laurette Onkelinx, PS) en van Economische Zaken (Fientje Moerman, VLD). In 2007 volgt Binnenlandse Zaken met Annemie Turtelboom (Open VLD). In 2020 komen er eindelijk vrouwen aan het hoofd van Defensie (Ludivine Dedonder, PS) en Buitenlandse Zaken (Sophie Wilmès, MR). Dat is rijkelijk laat, want tussen 2019 en 2020 was Wilmès al de eerste vrouwelijke premier van België, na het vertrek van premier Charles Michel naar Europa.

Het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hadden nog nooit een vrouwelijke minister-president. Vlaanderen kende er één, Liesbeth Homans (N-VA) was het een paar zomermaanden lang in 2019. De eerste vrouwelijke minister-president van de Franstalige Gemeenschap was – opnieuw – Laurette Onkelinx, tussen 1993 en 1999. Tussen 1992 en 2017 was Laurette Onkelinx ononderbroken minister of fractieleider. Zij is tot nu toe de belangrijkste politica van het land.

Hoofdredacteur/rice

In vergelijking met andere maatschappelijke spelers doet de politiek het nog niet eens zo slecht. Neem de sociale partners. De socialistische vakbond ABVV en de werkgeversorganisatie VBO kenden beide één vrouw als nationaal voorzitter, respectievelijk Mia De Vits (2002-2004) en Michèle Sioen (2014-2017). Dat is beter dan de christelijke vakvereniging ACV of de Vlaamse werkgeversorganisatie VEV-VOKA. Daar heeft nog nooit een vrouw de organisatie mogen leiden.

Zou dat de ultieme witte vlek zijn in ons politieke bestel: de echte macht huist waar de top nog altijd versperd is voor vrouwen? Zulke blind spots zijn er wel degelijk. In de federale regering was er nog nooit een vrouw minister van Financiën. In tegenstelling tot alle andere politieke families kende het Vlaams-nationalisme nog nooit een vrouw als voorzitter, niet bij de Volksunie, niet bij Vlaams Blok/Vlaams Belang, evenmin bij de N-VA. En er was nog nooit een vrouwelijke hoofdredacteur bij De Standaard, Humo, of Knack.

Vrouwen aan de macht, op 1 /11 om 21.20u op Canvas en VRT-MAX.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content