Vooral door die waterwerken werd land gewonnen en trad de Wisla niet meer twee keer per jaar buiten zijn oevers. De monniken maakten zich geliefd in dat moerassige stroomgebied met vruchtbaar rivierslib, dat erg geschikt was voor de akkerbouw, die ze eveneens bedreven. Er ontstonden Holländerdörfer en het gebied oostelijk van Gdansk kreeg de naam Klein-Holland. In deze dorpen met Hollandse schouten en dijkgraven prevaleerde het 'Holländerrecht'. Vanaf de 16de eeuw was het merendeel van deze immigranten volgeling van Menno Simonsz, priester uit Witmarsum. Simons bekeerde zich in 1536 uit schuldgevoel over een te uitbundige levensstijl en onvrede met katholieke dogma's, en won aanhang met Gods woord, geweldloosheid (dienstweigering) en lokale autonomie als basis. Het was voor mennonieten in de Lage Landen mede onveilig geworden door invoering van de Inquisitie (1522) en later de Tachtigjarige Oorlog (1568). Hierdoor verhuisden ook veel Vlaamse geloofsgenoten naar Noord-Polen. In 1549 bezocht Menno zijn volgelingen daar. De onderlinge band tussen de mennonieten bleef sterk, doordat ze Nederlandse kledij droegen en onder elkaar trouwden, ook weduwen en weduwnaars hertrouwden onderling. Ze hielden contact met het moederland, er stonden predikanten uit de Lage Landen op de kansel, begeleid door organisten uit de Lage Landen die Sweelinck speelden.
...

Vooral door die waterwerken werd land gewonnen en trad de Wisla niet meer twee keer per jaar buiten zijn oevers. De monniken maakten zich geliefd in dat moerassige stroomgebied met vruchtbaar rivierslib, dat erg geschikt was voor de akkerbouw, die ze eveneens bedreven. Er ontstonden Holländerdörfer en het gebied oostelijk van Gdansk kreeg de naam Klein-Holland. In deze dorpen met Hollandse schouten en dijkgraven prevaleerde het 'Holländerrecht'. Vanaf de 16de eeuw was het merendeel van deze immigranten volgeling van Menno Simonsz, priester uit Witmarsum. Simons bekeerde zich in 1536 uit schuldgevoel over een te uitbundige levensstijl en onvrede met katholieke dogma's, en won aanhang met Gods woord, geweldloosheid (dienstweigering) en lokale autonomie als basis. Het was voor mennonieten in de Lage Landen mede onveilig geworden door invoering van de Inquisitie (1522) en later de Tachtigjarige Oorlog (1568). Hierdoor verhuisden ook veel Vlaamse geloofsgenoten naar Noord-Polen. In 1549 bezocht Menno zijn volgelingen daar. De onderlinge band tussen de mennonieten bleef sterk, doordat ze Nederlandse kledij droegen en onder elkaar trouwden, ook weduwen en weduwnaars hertrouwden onderling. Ze hielden contact met het moederland, er stonden predikanten uit de Lage Landen op de kansel, begeleid door organisten uit de Lage Landen die Sweelinck speelden.Lucia Thijssen typeert Gdansk in het boek 1000 Jaar Polen en Nederland als volgt: 'Een 17de-eeuwse Nederlander die voor het eerst voet aan wal zette op de kade van Gdansk, toen bij ons Danzig of Danswijck geheten, dacht een ogenblik dat hij droomde. Was hij terug in Amsterdam? Schepen met oranje-wit-blauwe wimpels, gebouwen in Nederlandse stijl van Nederlandse baksteen en overal op straat Nederlanders.'Deze immigranten waren goede scheepsbouwers, introduceerden nieuwe leen- en kredietvormen en technische innovaties, zoals eggen en weefgetouwen. Simon Stevin baggerde er in 1591 de haven uit en Adam Wiebe, molenmaker uit Harlingen, vergaarde roem door met zand van een nabijgelegen heuvel stadswallen te verhogen met een jakobsladder, een vondst uit Haarlem (lopende band met schepemmers). Beeldhouwer/architect Frederik uit Haarlem werd omstreeks 1567 stadsarchitect en inspecteur vestingwerken. Schaarse producten in Holland, waaronder hout en graan, werden in Gdansk overvloedig aangevoerd (in 1643 stonden er 315 pakhuizen vol met Pools graan). Naar Polen toe werden stoffen, wijn, specerijen, tabak en bakstenen (mede als ballast) vervoerd. 80% van de buitenlandse handel in Gdansk was in handen van lieden uit de Lage Landen. Het leven was er goed; de mennonieten 'leefden er vrolijk op los' met copieuze maaltijden op feestdagen en bruiloften die drie, vier dagen duurden, ook op grote landerijen op het platteland.Gids Gabriela Kosicka toont in Gdansk gebouwen die aan de Hollandse invloed herinneren, zoals het rijk geornamenteerde, en vrijwel geheel herbouwde arsenaal in Renaissance-stijl, ontworpen door de mennonieten Anthony van Obbergen en Abraham van den Block, die zich in 1584 met zijn ouders in Gdansk had gevestigd. In het raadhuis zijn muurbanken, bekleed met Deltsblauwe tegeltjes, de Rode Zaal is er gedecoreerd met prachtige plafondschilderingen. Abrahams broer Isaak maakte een grote panoramaschildering van Gdansk en de Friese Hans Vredeman de Vries, meester qua perspectief, zeven andere schilderingen. Van hem is ook een vijtig vierkante meter grote schildering in de Artushof, ontmoetingsplek voor leden van acht verschillende gilden, waarin later tevens een Hollandse bank gevestigd was. De schildering ging in de Tweede Wereldoorlog verloren en is enkele jaren geleden met computertechnieken teruggebracht. De ruimte is nog markant, met opgehangen scheepsmodellen, portretschilderijen en een metershoge, prachtig bewerkte torenvormige kachel uit 1454, bekleed met kleurige, geelblauwe porseleinen reliëftegeltjes. De beroemde stadsfontein met Neptunus-beeld voor de Artushof werd in 1615 door mennoniet Peter Husen uitgevoerd naar een ontwerp van Abraham van den Block. Zijn vader Willem bouwde in 1588 een stadspoort en hijzelf in 1611 de 'Gouden Poort'.Kosicka: 'De mennonieten waren weliswaar welkom, maar plaatselijke gilden verzetten zich tegen hen. Ze mochten niet binnen de stadsmuren wonen, omdat ze weigerden de stad te helpen verdedigen.' Deze 'Un-Bürger' kregen pas in 1800 burgerrechten. Ze vestigden zich voordien in nederzettingen als Schidlitz (vooral Vlamingen) en Neugarten (Friezen). Volgens Kosicka woonden er in de 18de eeuw direct rondom Gdansk 13.000 mennonieten.Er leefden in Gdansk tevens geïmmigreerde lutheranen en calvinisten. Zo heeft op nummer twaalf van de Dlugi targ (hoofdstraat) eeuwenlang de calvinistische familie Ophagen gewoond. Kosicka: 'Er kwamen belangrijke burgemeesters, wetenschappers, geestelijken en zakenlieden uit dit geslacht voort. Johan Ophagen, burgemeester vanaf 1778, wierp later zijn ambtsketen op de grond en weigerde onder de Pruisische koning te dienen, 'die hier door oorlogvoering is komen heersen.' Het huis is nu een museum, maar nog steeds komen hier jaarlijks nakomelingen bijeen.' In een achterliggende straat staan huizen met klok- en trapgevels en het opschrift: 'So als God behaegt, besser benijdet dan beklaegt'. In een restaurant met een zalm op het uithangbord werd in 1598 het beroemde Danziger Goldwasser geïntroduceerd door de Brabantse mennoniet Ambrosius Vermeulen. In zijn 'gouden wodka' bevonden zich kleine stukjes bladgoud (ze zouden heilzaam werken). Vlakbij bezoeken we de Mariabasiliek met indrukwekkend stenen altaar, dat Abraham van den Block ontwierp en dat, hoewel de kerk grotendeels werd vernietigd, altijd op die plek is blijven staan.Er waren in de 17de eeuw regelmatig oorlogen in het Oostzeegebied, waardoor de streek onder Russen en Zweden te lijden had en de mennonieten deels tot armoede vervielen. Wel versloeg de Poolse vloot de Zweedse in 1627 onder aanvoering van de Delftse admiraal Dijkmans. In 1709 brak in Danzig de pest uit met 40.000 doden tot gevolg (waaronder honderden mennonieten). Protectiemaatregelen voor Poolse handelaren en ambachtslieden leidden tot een verdere neergang, maar er waren ook nieuwkomers, zoals het geslacht Momber uit Brugge, dat een koffiehuis gingen drijven, waar men Nederlandse couranten kon lezen en dat volgens een stamgast uit 1734 kon wedijveren met etablissementen in 'wereldsteden' als Berlijn, Parijs, Brussel en Londen. Mede door een manifest uit 1763 van de Russische tsarina Catharina II, maar ook door beknotting van mennonieten-rechten omstreeks 1790 (geen dienstplicht meer afkopen, hogere belastingen, bemoeilijkte landaankopen) door de Pruisische Friedrich Wilhelm II, verhuisden tijdens die decennia ongeveer 2.000 families naar een gebied noordelijk van de Krim, op gratis te verwerven landbouwgrond. Er ontstonden tientallen mennonieten-dorpen langs Dnjepr en Wolga. Maar omstreeks 1870 werd het ook daar onaantrekkelijker, ook weer mede door invoering van de dienstplicht; ruim 15.000 Mennonieten vertrokken naar de Verenigde Staten. Rondreizend in de Wisla-delta is daar nog steeds de invloed van de destijds achtergebleven mennonieten merkbaar.Zo groef in 1850 de Duitse mennoniet Georg Steenke het Elblag-Kanaal met een unieke waterbouwkundige constructie, waarbij scheepjes in rijdende rekken hoogteverschillen overbruggen. En het bijzondere is: het systeem functioneert nog steeds. Elders in de Wisla-delta staat in het stadje Tczew een oude molen. Bij de langsstromende rivier is het alsof je een Hollands landschap binnengaat met weilanden bij IJssel, Lek of Waal met zomerdijken (ooit aangelegd door mennonieten), waar nog ongeknotte wilgen groeien. Daarachter (nu) hogere winter-dijken met in de verte een stalen boogspoorbrug. Er vlakbij, in dorpje Stogi, verwijst een bordje naar een mennonieten-kerkhof: Cmentarz Mennonicki. Er staan zuilachtige grafstenen, sommige beschadigd, bij andere zijn nog tekstdelen leesbaar: 'Maria Penner, geboren Dijk', 'Ruhet in Gott der Hofbesitzer aus...'. Achterin staan negen zerken op een rij. Op één ervan is een wit kunststof bordje aangebracht, waarop staat dat de familie Entz hier nog in 2005 vanuit Colorado (VS) bijeenkwam bij de voorouders.Tiegenhof (nu Nowy Dwor) telde in 1650 218 'Nederlandse' boerderijen. Het museum van dit stadje is deels gewijd aan mennonieten. Bij binnenkomst staan er grote onderdelen en een diorama van een wipwatermolen opgesteld. Conservator Lukasz Kepski vertelt dat mennonieten vaak als dijkwachters verantwoordelijk waren voor het drooghouden van een gebied. Er zijn allerlei gebruiksvoorwerpen uitgestald, een etalagepop is gekleed met sobere mennonietendracht in diverse bruintinten, een wit kapje op het hoofd en er hangen tekeningen van een mennonieten-variant op de kop-hals-rompboerderij, Langhaus geheten. Het woonhuis (de kop) is kleiner dan het tussendeel met rookkeuken en kaasmakerij; de stal is het grootst.Bij een oude platenspeler liggen vergeelde platenhoezen van Anna Gehrmann, zangeres die met haar mennonietenfamilie naar de Oekraïne verhuisde. De 19de-eeuwse firma Stobbe uit Nowy Dwor was beroemd om een sterk drankje en er werd kaas door mennonieten geproduceerd. Er vlakbij, in ?elichowo, zijn plannen die zelfgemaakte kaas en gerechten uit een teruggevonden mennonieten-kookboek weer te gaan serveren in een restaurant. Kepski: 'Mennonieten hielden er een 'dubbele moraal' op na. Ze dronken geen alcohol, maar stookten wel voor anderen, wilden als pacifisten niet vechten, maar wel vestingen aanleggen.' Hij toont een financieel jaarboek van mennonietengemeente Tiegenhagen en een Kerken-Buch met prachtige, met de hand ingekleurde illustraties.Omdat mennonieten aanvankelijk geen kerken mochten bouwen, hielden ze (hagen) preken buiten, in eigen huis of in de stal. In Elblag toont Jerzy Domino, conservator bij Monumentenzorg van die stad, een schuilkerk ('Jedes Haus ein Haus Gottes'), in 1590 geopend in een patriciërspand met trapgevel, tevens bewoond door Joost van Kampen en zijn familie. Bouwhistoricus Jerzy Szalygin, verbonden aan het Instituut voor Erfgoed in Warschau, schreef een boek over Holländer-huizen en -dorpen. Hij vertelt dat er zo'n 35 mennonietendorpen hebben bestaan. Veel mennonieten bouwden een kleiner huisje aan hun eigen huis voor hun ouders die bij hen bleven wonen. Ook bij Warschau bevinden zich enkele voormalige mennonietendorpen en een chique wijk daar, Saska Kepa, was ooit een zelfstandig Holländerdorf. Mede door een goed waterbeheer, en daardoor bevaarbare rivieren, konden de immigranten op den duur ook teer en potas (bijproducten van houtskoolbranderijen in zuidelijker gelegen bossen; belangrijk in glas- en textielindustrie) via rivieren en de zee verhandelen.In het boek De Fehrs, Kroniek van een Nederlandse mennonietenfamilie van Arlette Kouwenhoven wordt mennonietengeslacht De Veer gevolgd op hun omzwervingen van Nederland naar Polen in de 17de eeuw. Gijsbert de Veer maakte in Gdansk brokaat- en goudborduursels voor kledij van de plaatselijke adel. Zijn nageslacht leeft, na verdere omzwervingen (Oekraïne en Canada) nu nog voort onder de naam Fehr in Mexico. De mennonieten daar zijn wars van nieuwlichterij; rijden in koetsjes en spreken als voertaal een Nederduitse verbastering (Plautdietsch). Er leven nu verspreid over de wereld circa 1,4 miljoen doopsgezinden, merendeels mennonieten, maar ook groepen die zich weer van hen hebben afgesplitst, zoals de amish.