Eigenlijk zouden we moeten zwijgen. Elk woord dat nog over Schubert wordt geschreven, is er een te veel. Al in 1857 schreef zijn vriend Eduard von Bauernfeld dat er in Schuberts leven 'zo weinig tastbare biografische trekken' te vinden waren dat het alleen 'in de trant van een poëtische voorstelling' weergegeven kon worden. Dat is dan ook ten overvloede gebeurd.
...

Eigenlijk zouden we moeten zwijgen. Elk woord dat nog over Schubert wordt geschreven, is er een te veel. Al in 1857 schreef zijn vriend Eduard von Bauernfeld dat er in Schuberts leven 'zo weinig tastbare biografische trekken' te vinden waren dat het alleen 'in de trant van een poëtische voorstelling' weergegeven kon worden. Dat is dan ook ten overvloede gebeurd. Over de schamele eenendertig jaren van deze man is meer verduldig papier bevuild dan over welke andere componist dan ook. Schubert-novellen werden een op zichzelf staand genre, waarvan alleen al tot 1928 vijftig specimina het licht zagen. Daar zijn noch de romans, noch de bijdragen van allerlei aard in kranten en populaire tijdschriften bijgeteld. Nu is het leven van Franz Peter Schubert inderdaad niet erg avontuurlijk geweest. Goed zeven jaar na Mozarts dood wordt hij in Wenen geboren als onderwijzerszoon, het vierde overlevende kind. Vader Schubert en de koorleider in de parochiekerk ontdekken al vroeg zijn muzikale talent en stellen hem voor aan de kapelmeester van het Weense keizerlijke hof, Antonio Salieri - ja, die van Mozart. Die geeft de gulden raad de jongen als koorknaap van de hofkapel (nu heet dat koor Wiener Sängerknabe) te laten inschrijven. Op die manier kan hij een humanioraopleiding krijgen in het Stadtkonvikt. Schubert leert in de kostschool de muziek van de klassiekers en de modernen kennen en krijgt van Salieri privéonderwijs in het contrapunt. In 1813 verlaat hij de school, komt terug naar huis en schrijft zich in aan de normaalschool. Dat blijkt een alibi om te kunnen componeren, want de volgende drie jaar ontstaan honderden werken. In 1815 alleen al honderdvijftig liederen, soms meer dan een per dag. Met negentien heeft Schubert al vijfhonderd stukken geschreven, zowat de helft van zijn uiteindelijke oeuvre. Daar zijn eigenaardige dingen bij: de psychoanalytici zullen wellicht opkijken dat de veertienjarige een lied schreef met als titel De vadermoordenaar en als eerste woorden 'Ein Vater starb von des Sohnes Hand' (Een vader stierf door de hand van zijn zoon). Een jaar later volgt een Doodgraverslied ( 'Grabe, Spaten, grabe': graaf, spade, graaf). Wat moet gebeuren, gebeurt: Schubert verlaat op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis en trekt in bij zijn vriend, de liberale acteur en dichter Franz von Schober. Zonder vaste betrekking, met als enig kapitaal zijn muzikale talent: hij wil een vrij componist zijn. Een jaar later leert hij Johann Michael Vogl, tenor aan de hofopera, kennen, die hem de weg naar de Weense society zal openen. Dat werd het begin van de huisconcerten, eerst bij Ignaz von Sonnleithner, later als Schubertiaden bij verschillende Weense notabelen. Dan, naar het einde van zijn leven toe - ja, zo snel gaat dat als je maar eenendertig wordt - beheerst de ziekte steeds meer zijn bestaan: de syfilis, die hij in het grote ziekenhuis van Wenen laat behandelen op het moment dat ook zijn leraar Salieri daar wegens depressies en algemeen fysiek en psychisch verval is opgenomen (en waar het gerucht ontstaat dat die in koortsige toestand de moord op Mozart bekend zou hebben). Een tyfusinfectie zal hem uiteindelijk vellen, na weken waarin hij niet kan eten of drinken ('Als ik iets inneem, komt het er onmiddellijk weer uit') en alleen nog plezier beleeft aan de lectuur van de romans van James Fenimore Cooper ('Ik heb gelezen: De laatste der Mohikanen, De Spion, De Loods en De Pioniers; heb je nog wat van hem?'). Met zo'n leven kan een biograaf niet zo veel aanvangen, dus moeten bijkomstigheden uitvergroot of bijzonder 'interessante' aspecten beklemtoond worden. Het erge is dat Schuberts vrienden daar zelf mee begonnen zijn. 'Herinneringen aan Schubert' publiceren werd een mode rond het midden van de vorige eeuw, de logische voortzetting van het gebrek aan respect dat de kring rond Schubert voor zijn mascotte had. Toen ontstond al het beeld van de onhandige, niet echt voor het leven geschikte, eeuwig verliefde en gefrustreerde jongeman, van het Schwammerl, het paddenstoeltje. Zeker sinds Rudolf Hans Bartsch in 1912 zijn onzalige Schubert-stationsroman onder die titel publiceerde, torst de arme eenendertigjarige dat beeld mee: de paddenstoel, de weke, gedrongen schimmel op de rijke voedingsbodem van de Weense klassieke muziek. Daar moest een operette van komen en inderdaad: enkele jaren later schreef Heinrich Berté Das Dreimädlerhaus. In 1961 was het werkstuk al meer dan 85.000 keer in heel de wereld opgevoerd (de populairste operette na Die Fledermaus!), in Engelstalige landen ook onder de titels Lilac Time of Blossom Time. Naar het schijnt is het nog altijd een hit bij amateurgezelschappen. Het Schubertjaar 1928 - de honderdste verjaardag van zijn overlijden - werd een dieptepunt. De kitsch nam een nieuwe, goedkope vorm aan: 700 prentkaarten met Schubert-motieven zagen het licht, met portretten van de componist, zijn familie, vrienden en vermeende geliefden, en met motieven uit zijn liederen: Erlkönig, Die Forelle, Der Tod und das Mädchen, Am Brunnen vor dem Tore (Der Lindenbaum), Der Leiermann, Die junge Nonne enzovoort. Uit hetzelfde jaar kennen we ook een knipplaatje, waarop de Weense jeugd de drie meisjes uit het beruchte operettehuis popperige jurkjes kon opplakken, onder het goedkeurend oog van het paddenstoeltje, dat ze desgewenst een mandoline in de hand mocht drukken. Merchandising beheerste toen al de zieke geesten: op een karikatuur werden de gekste mogelijkheden voorgesteld, van Schubertlimonade, -lippenstift, -babypoeder, -ijs, -veters, -zakmessen en -sardines tot een Schubertzwembroek. Echt bestaan hebben een Schubertbuste uit smout en een uit zeep. Rond het volgende Schubertjaar 1978 ontstond er, vooral door het nog steeds lezenswaardige boek Schubert und das Wirtshaus (Schubert en de herberg) van Frieder Reininghaus, een heel ander Schubertbeeld, waarvan het waarheidsgehalte misschien wat hoger ligt. Het is dat van de arme syfiliticus en cryptorevolutionair, die verdrukt door het regime van kanselier Metternich, in allerlei herbergen zijn geheime boodschappen in liederen neerkrabbelde en uiteindelijk aan zijn geslachtsziekte maar ook aan de vertwijfeling over de doelloosheid van zijn trektocht door de wereld ten gronde ging. Rond 1820 kwam Schubert inderdaad in kringen van liberale studenten terecht, die door Metternichs geheime politie onder leiding van graaf Sedlnitzky nauwlettend in het oog werden gehouden. Huiszoekingen, arrestaties en vergaderingsverboden waren aan de orde van de dag. Ook Schubert werd aangeklaagd wegens belediging en smaad aan de overheid en kreeg een waarschuwing. Zijn schoolkameraad en vriend-dichter Johann Senn werd in zijn bijzijn gearresteerd wegens 'hardnekkig en beledigend gedrag', bleef veertien maanden in voorlopige hechtenis en werd dan naar Tirol verbannen. We weten niet wat Schubert daarover dacht. Wellicht was het een van de gebeurtenissen in zijn leven die zijn eenzaamheid en zijn melancholie verdiepten. Dit beeld van Schubert klinkt al wat aannemelijker dan het Schwammerl-beeld maar het blijft wellicht eenzijdig, zij het eerbiediger. Recenter - en hier hoort ook Yves Knockaerts biografie gelukkig thuis - ging men naar een derde Schubert op zoek, en wel op de plaats waar hij te vinden is: in wat hij van zichzelf heeft nagelaten, wat hij als het ware uit zijn eigen geest heeft uitgekerfd, in zijn muziek dus. 998 werken staan er in het repertorium van musicoloog Deutsch, en hoeveel daarvan genieten eigenlijk enige bekendheid? De symfonieën? Allemaal? De strijkkwartetten, afgezien van Der Tod und das Mädchen? De pianotrio's, afgezien van dat stukje uit Barry Lyndon? De pianosonates? De opera's? En hoeveel van de liederen zijn er echt in het repertoire doorgedrongen, al heeft elke rechtgeaarde muziekliefhebber wel het cd-koffertje van Dietrich Fischer-Dieskau in zijn kast staan? Lange tijd is de appreciatie van Schuberts muziek beïnvloed geweest door zijn eigen frustratie tegenover Beethoven. De symfonieën waren toch in de eerste plaats pogingen om de symfonicus Beethoven te evenaren? De (tijdens Schuberts leven nooit opgevoerde) opera's Alfonso und Estrella en Fierrabras waren toch would-be-Fidelio's? Voor Fierrabras bewees Claudio Abbado dat zulks niet het geval was. Alfonso und Estrella en het toverachtige jeugdwerk Des Teufels Lustschloss kwamen in 1997, tweehonderd jaar na Schuberts geboorte, onder leiding van Nikolaus Harnoncourt op het toneel. Maar moeten we niet ook de liederen opnieuw beluisteren? Eén voorbeeld maar: het in oneindig veel stroperige bewerkingen vermoorde Ave Maria. Dat lied is géén weesgegroetje. Het begint wel met die woorden, maar heet eigenlijk Hymne an die Jungfrau en is het derde lied van Ellen uit Sir Walter Scotts Lady of the Lake. Schubert heeft zeven van de dertien liederen uit die roman op muziek gezet en laten uitgeven met de Engelse tekst en met een Duitse vertaling van Adam Storck. Het is, in tegenstelling tot wat vele zangers ons willen doen geloven, geen draak maar gewoon mooi en romantisch. Nog recenter - en Knockaert besteedt ook daar even aandacht aan - kwam Schubert onder de loep van de genderstudies te liggen. Een verstokte vrijgezel, die als hij niet componeert in mannengezelschap de cafés in en rond Wenen afschuimt, die lange tijd in één huis woont met zijn kameraad Schober en hun vriendschap kort en goed 'Schobert' noemt: dat moet toch wel een homo zijn? Het is eigenaardig dat onze tijd per se het eigen gender- en geaardheidsbegrip aan het verleden wil opleggen. Zowel de genderverhoudingen als het denken en handelen daarrond waren in de vroege negentiende eeuw toch heel anders? Als kind slaapt Schubert in het kleine huis waar de school van zijn vader was gevestigd met al zijn broers in één bed, de meisjes evenzo, in dezelfde kamer. Daarna komt de kostschool, alleen met jongens. En dan zou je moeten trouwen, maar daarvoor moet je vast werk hebben, anders blijf je vrijgezel en aangewezen op prostituees of kamermeisjes. Al die dingen waren de norm. Over seksualiteit wordt in die tijd enkel in besmuikte of - bijvoorbeeld onder studenten - pornografische taal gesproken. Sommige mannen hebben verdoken seks met mannen maar nagenoeg allen doen het (ook) met vrouwen. In elk geval weten we dat zowel Schober als de schilder Moritz von Schwind, over wie ook 'met zekerheid' wordt gezegd dat hij een relatie met Schubert had, een notoire rokkenjager was. En het gevoel? Schubert was wellicht ook weleens verliefd, al weten we daar heel weinig over, en wat we weten gaat over vrouwen: de kalverliefde met de zangeres Therese Grob, die misschien zijn eerste beroemde lied, Gretchen am Spinnrade, inspireerde en later het hunkeren naar de onbereikbare adellijke leerlinge Karoline von Eszterházy, aan wie hij de al even beroemde fantasie in f-klein voor piano vierhandig opdroeg. Maar zijn grote liefde waren zeker niet de drie meisjes uit een huis op de Mölkerbastei, zoals de operette ons wil doen geloven. Het was ook niet de revolutie, zoals voor de dichter van Die schöne Müllerin en Winterreise, Wilhelm Müller, die men Griechen-Müller noemde, niet omdat hij van de Griekse beginselen hield maar wegens zijn sympathie voor de Griekse vrijheidsstrijd. Nee, Schuberts grote liefde was de nacht. Tientallen liederen heeft hij erover geschreven, vaak in verschillende versies: rustig of dreigend, stil of oorverdovend, lieflijk of angstig. En in Müllers Winterreise heb je een lied over bijzonnen, dat zijn twee heldere lichtvlekken links en rechts van de zon, die veroorzaakt worden door lichtbreking in ijskristallen in de hoge atmosfeer. Over wat ze voor Müller en Schubert betekenen, is veel gespeculeerd. Hier een hypothese: er is voor een kunstenaar niets erger dan de vertwijfeling aan de zin van zijn kunstenaarschap. Dat verschrikkelijke lied over de drie starende zonnen aan de hemel herinnert aan het dalende trapje dat de Duitse journalist, dichter, cabaretier en democraat Kurt Tucholsky vlak voor zijn zelfmoord in zijn dagboek tekende. Op de drie treden stond: spreken - schrijven - zwijgen. Tucholsky was ook op een winterreis. Hij had asiel gezocht in Zweden, op de vlucht voor de nazi's. En inderdaad, zo eindigt het lied van de bijzonnen: 'In het duister zal ik mij beter voelen.' Stille nacht, onzalige nacht. Iedereen kan natuurlijk voor zichzelf de Schubert uitkiezen die hem het best bevalt, de virtuoze van de impromptu's of de galante van de fantasieën en rondo's, de weemoedige of de wanhopige, de naar het oneindige grijpende of de doelloos door de sneeuw zwervende. Eén personage zal hij hoe dan ook altijd ontmoeten, de kale maar zachtaardige vriend die ons ooit allemaal komt halen. Hij ontmoet hem onder verschillende gedaanten, kil en troostend, met scherpe zeis en met zachte hand, als vale zwerver en als diafane muze. Maar hij is er altijd, van de eerste probeersels van de tiener tot de laatste noot van de eenendertigjarige, welke dat ook moge geweest zijn, de Zwanenzang - een apocriefe titel - of de Duivenpost of wat dan ook. 'Bestaat er eigenlijk vrolijke muziek?' vroeg Schubert eens en gaf meteen zelf een antwoord: 'Ik ken er geen.' Wellicht is heel zijn oeuvre één grote, nu eens wanhopige en dan weer schampere, telkens tegelijk lachende en huilende, verbeten en ironische opstand tegen de alomtegenwoordigheid van de dood, of, zoals de grote Duitse schrijver Martin Walser zei, tegen 'het ondraaglijke'.