Dit verhaal verscheen eerder in Knack in september 2021. Abdul Qadeer Khan, de 'vader van de Pakistaanse atoombom', overleed op zondag 10 oktober in de Pakistaanse hoofdstad Islamabad.
...

Frits Veerman heeft het vaak herhaald: als Iran ooit een atoombom op Israël gooit, dan zal er 'Made in Holland' op staan. Het scenario is gelukkig hypothetisch gebleven, maar hetzelfde kan niet worden gezegd van een andere beschuldiging die de bekendste klokkenluider van Nederland meermaals heeft uitgesproken: het falende toezicht door de Nederlandse overheid en de hebzucht van enkele Nederlandse bedrijven hebben de wereld dichter bij een nucleair armageddon gebracht. Die onzalige combinatie verklaart namelijk hoe het kon dat Abdul Qadeer Khan in de jaren 1974-1975 ultrageheime kennis over uraniumverrijking uit het Nederlands-Duits-Britse onderzoekslab Urenco in Almelo kon stelen. En waarom hij nadien vanuit Pakistan via een uitgebreid netwerk van vooral Nederlandse oud-collega's, studiegenoten en zakenvrienden de nodige onderdelen kon kopen om Pakistan aan een atoombom te helpen. De beperkingen van het Non-proliferatieverdrag uit 1968, dat bepaalt dat alleen de VS, Rusland, China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk kernwapens mogen bezitten en dat de technologie niet aan andere landen mag worden overgedragen, werden kundig omzeild. Khan deelde zijn nucleaire kennis wel degelijk met zogenaamde schurkenregimes in Iran, Irak, Libië en Noord-Korea. Veerman hield het niet meer. Aan hem heeft het niet gelegen. Frits Veerman werkte als technisch fotograaf voor het Fysisch- Dynamisch Onderzoekslaboratorium (FDO), een ingenieursbureau dat ressorteerde onder VMB-Stork, destijds een van de vlaggenschepen van de Nederlandse industrie. In 1972 raakte hij er bevriend met een nieuwe collega, de jonge Pakistaanse metallurg Abdul Qadeer Khan, die toen al een academisch parcours in Berlijn, Delft en Leuven had afgelegd. Bij zijn sollicitatie werd Khan door de Nederlandse Staatsveiligheid BVD gescreend. Logisch, want FDO was als studiebureau nauw betrokken bij de Urenco-fabriek in Almelo, waar Nederlandse en Duitse wetenschappers en ingenieurs werkten aan ultracentrifuges. Die uiterst complexe technologie staat toe om natuurlijk uranium te verrijken. Voor gebruik in kerncentrales, natuurlijk. Of voor de aanmaak van atoombommen, als het gehalte uranium 235 via een cascade van duizenden centrifuges tot boven de 90 procent kan worden opgedreven. Topgeheim allemaal, maar de BVD zag geen redenen om Khan de toegang tot Urenco te ontzeggen, ook al omdat hij als metaalkundige niet met de meest gevoelige onderzoeksresultaten in contact zou komen. Het was Veerman die als eerste nattigheid voelde. Zijn Pakistaans vriend neusde wel erg actief rond in afdelingen waar hij niets verloren had. Terwijl de aanwijzingen voor spionage zich opstapelden, trok Veerman in september 1976 aan de alarmbel. Resultaat: zowel bij FDO-Stork als bij de BVD kreeg hij te horen dat hij spoken zag, en dat zijn verzinsels hoogst schadelijk konden zijn voor de belangen van de Nederlandse industrie. Hij kon beter zijn mond houden, werd hem ingepeperd, ook voor zijn eigen veiligheid. Khan, die de bui had zien hangen, was toen al naar Pakistan teruggekeerd, waar hij in de stad Kahuta een kopie van de Urenco-ultracentrifuge uit de grond stampte. Abdul Khan geldt intussen als de vader van de Pakistaanse atoombom, en wordt in eigen land als een volksheld vereerd. Frits Veerman onderging een ander lot: hij werd bij FDO weggepest, verloor zijn baan en werd jarenlang door de Nederlandse Staatsveiligheid geïntimideerd. Maar Veerman bleek een taaie. Hij bleef ijveren voor erkenning en financiële genoegdoening. De erkenning kwam er in de media, nadat de atoomspionage in 1980 het wereldnieuws had gehaald. Veerman werd een bekende verschijning op de Nederlandse televisie, waar hij opdook in interviews en documentaires. Maar van zijn gewezen werkgever kreeg hij geen euro, en ook de Nederlandse overheid gaf ondanks interpellaties in de Tweede Kamer geen krimp. Het onrecht dat hem werd aangedaan, werd in 2020 wel formeel erkend door het Huis voor Klokkenluiders. Zijn geval lag trouwens mee aan de oorsprong van deze overheidsinstelling. Veerman en Khan zijn de protagonisten van Splijtstof, een nieuw boek van wetenschapsjournalist en natuurkundige Dirk van Delft. Tijdens zijn research moest de auteur een zware tegenslag incasseren: op 21 februari 2021 werd de 76-jarige Frits Veerman onverwacht door een hartstilstand geveld. 'We hadden al vijf marathongesprekken achter de rug', vertelt Van Delft aan Knack. 'Allemaal online, dit is een echt coronaproject. Zijn dood was een opdoffer van jewelste, maar merkwaardig genoeg heeft het me geholpen om zijn verhaal met de nodige afstand te benaderen. Veerman was niet altijd even precies met details en tijdlijnen. Maar over de kern van de zaak bestaat geen twijfel: hij heeft de spionage van Khan ontdekt en werd vervolgens gestraft omdat hij zijn burgerplicht deed.' Kreeg u medewerking van de andere protagonist, Abdul Khan? Dirk van Delft: Nee, de verzoeken die ik hem via de Pakistaanse ambassade liet bezorgen, bleven onbeantwoord. Idem voor de e-mails die ik hem stuurde. Zijn adres vinden was een koud kunstje, het staat onder aan de columns die hij schrijft in de Engelstalige kwaliteitskrant Dawn. Khan heeft nog altijd veel invloed in Pakistan. Khans migratietraject leest als een sprookje. Indiase onderwijzerszoon groeit op in Karachi, behaalt doctoraten in Delft en Leuven, trouwt met een Nederlands-Britse diplomatendochter, en wordt geliefd als Nederlander in spe. Was dat een maskerade om zijn ware plannen te verbergen? Van Delft: Nee, hij werd zeker niet door Pakistan uitgestuurd om te spioneren. Dat hij bij FDO aan de slag kon, was toeval. Khan had in het voorjaar van 1971 bij vliegtuigbouwer Fokker gesolliciteerd, maar een aanwervingsstop gooide roet in het eten. Daarop hebben studiegenoten uit Delft hem bij FDO binnengehaald. Of hij toen al spioneerde, is twijfelachtig. Vermoedelijk is Khan er later mee begonnen, gedreven door patriottisme. Pakistan ging in die periode door een diepe malaise, vooral de afscheuring van Oost-Pakistan als Bangladesh werd slecht verteerd. Dat trauma heeft de toenmalige president Ali Bhutto ertoe aangezet om begin 1972 een militair atoomprogramma te lanceren. Was dat voor Khan het startsein? Van Delft: Khan moet vanaf dag één hebben beseft dat hij bij FDO op een ideale plek zat om zijn vaderland te helpen. Toch is hij pas echt in actie geschoten na Smiling Buddha, de eerste Indiase kernproef, op 18 mei 1974. Dat was een enorme schok voor Pakistan en voor de vurige nationalist die Khan was. Hij ging toen zijn diensten aanbieden op de Pakistaanse ambassade. De eerste reacties waren afwijzend. Pakistan mikte toen nog op een plutoniumbom, de Pakistan Atomic Energy Commission (PAEC) was al met die technologie aan de slag gegaan. De hele geschiedenis van de Pakistaanse bom is er een van rivaliteit tussen twee kampen. Khan, die het vertrouwen van Bhutto en diens opvolger Mohammed Zia-ul-Haq had gewonnen, kreeg de vrije hand om zijn eigen laboratorium op te zetten om het uranium-programma te ontwikkelen. Zonder de spionage bij FDO en Urenco had hij die strijd nooit kunnen winnen. De timing zat ook mee: Urenco had in 1974 definitief gekozen voor het Duitse G2-concept, dat superieur was gebleken aan de Nederlandse SNOR-technologie. Omdat Khan Duits sprak en kon helpen met de vertaling van handleidingen, werd hij najaar 1974 naar Almelo gedetacheerd. Daar heeft hij zijn ogen de kost gegeven. Khan liep bij FDO met een camera rond in afdelingen waar hij niets verloren had, en kon graaien in de afvalcontainer met onderdelen van prototypes. Hij liet zijn toen nog nietsvermoedende vriend Veerman de hele Urenco-fabriek fotograferen. Hoe kón zoiets in een nucleair onderzoekscentrum? Van Delft: De veiligheidscultuur bestond alleen op papier. FDO was een typisch ingenieursbedrijf, waar techneuten onder elkaar bij het koffieapparaat honderduit over hun werk en hun research kletsten. Strikt genomen viel Khan onder de need to know-regel: hij kreeg alleen toegang tot afdelingen die noodzakelijk waren voor zijn werk als metallurg. In de praktijk vond je hem vaak in het elektronicalaboratorium, waar onderzoek naar de aandrijving van de ultracentrifuges werd verricht. Veel argwaan wekte dat niet, het was bij de FDO een duiventil. Ook vertegenwoordigers van onderaannemers liepen er vrij rond. De enige die de regels wel volgde, was Frits Veerman. Voor hem waren regels heilig. Toch hebben verschillende medewerkers Khans nieuwsgierigheid gemeld bij de bedrijfstop. Van Delft: Zonder resultaat. FDO-directeur Nico Dekkers liet weten dat Abdul Khan alles mocht zien en fotokopiëren wat hij zelf voor zijn werk nodig achtte. Ook zijn directe chef, Arie Langstraat, hield hem de hand boven het hoofd. Dekkers en Langstraat waren studiegenoten uit Delft. In hun ogen was Khan one of the boys, ze zagen hem niet als een Pakistaan maar als een Nederlander in spe. Toch vraag ik me af of er niet meer aan de hand was. Toen Khan nog in Nederland zat, beschikte hij over een potje om mensen om te kopen. Heeft hij dat ingezet om Dekkers en Langstraat voor zijn karretje te spannen? Ook later, toen hij via zijn 'pipeline' onderdelen voor zijn ultracentrifuge naar Pakistan haalde, moest hij heel wat smeren. Dekkers kunnen we niet meer vragen of hij geld heeft gekregen. Langstraat leeft nog, maar weigert alle commentaar. Er zijn sterke aanwijzingen voor een andere verklaring. Khan was een pion in een geopolitiek spel: hij kreeg van de Amerikanen de vrije hand om te spioneren, want het was juist de bedoeling dat Pakistan een atoombom kon ontwikkelen zodat het evenwicht met Sovjetbondgenoot India werd hersteld. Hoe plausibel is dat? Van Delft: Cees Wiebens, een onderzoeksjournalist gespecialiseerd in inlichtingendiensten, is daar heel stellig over. Hij was goed bevriend met Howard Dane, destijds baas van het CIA-station Den Haag. 'Khan is our man', heeft die hem meermaals verteld. Oud-premier Ruud Lubbers was als minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl bevoegd voor de gang van zaken bij Urenco. Toen hij van het veiligheidslek op de hoogte werd gebracht, deed hij het af als een geval van bedrijfsspionage. Na zijn politieke carrière heeft hij in het VPRO-programma Argos een ander licht op de zaak geworpen en naar de CIA verwezen. In 1983, toen Pakistan zijn bom vrijwel klaar had, werd er alsnog een gerechtelijk onderzoek naar de spionagezaak gevoerd. De Amerikanen zouden Lubbers, die toen minister-president was, onder druk hebben gezet om Khan met rust te laten. Dat is ook gebeurd: nadat de rechtszaak op een banale procedurekwestie was gestrand, heeft het Openbaar Ministerie niet meer aangedrongen. Khan werd geholpen door zijn mentor Martin Brabers, een Delftse hoogleraar metaalkunde die later professor in Leuven werd. Brabers, een internationaal gerenommeerd corrosiespecialist die ook aan het Studiecentrum voor Kernenergie in Mol was verbonden, moet toch hebben geweten waar zijn alumnus op uit was? Van Delft: Zonder enige twijfel. Frits Veerman heeft gehoord hoe Khan met Brabers lange telefoongesprekken voerde over technische details van ultracentrifuges, zaken die buiten zijn professionele bevoegdheid vielen. Later is Brabers vaak naar Pakistan afgereisd om Khan te adviseren bij de bouw van zijn verrijkingsfabriek. Waarom hij dat deed? Brabers verklaarde dat hij het zijn plicht vond om oud-studenten te helpen, maar wellicht was hij de Pakistaanse atoomambities genegen. Khan heeft doorlopend gebruik gemaakt van zijn old boys network uit Delft. Zo was er Henk Slebos, zijn kamergenoot in Rijswijk, die na zijn studie vliegtuigbouwkunde in zaken is gegaan. Slebos heeft onder meer gezorgd voor de levering van 6500 centrifugekokers, hightechonderdelen die onder de Nederlandse wet niet zomaar uitgevoerd mochten worden. Daar werd hij natuurlijk niet armer van, maar persoonlijke vriendschap speelde zeker mee. Slebos stond bijvoorbeeld paraat toen Khan weer eens naar Brussel, de draaischijf voor zijn aankoopprogramma, vloog. Vliegen op Schiphol vond hij te riskant, ook al deed de Nederlandse justitie erg weinig moeite om hem te vinden. Het was geen geheim dat hij geregeld zijn schoonouders in Bergen-op-Zoom ging opzoeken. De export van nucleaire technologie is strikt gereguleerd, onder meer door het Non-proliferatieverdrag. Toch is Khan erin geslaagd in korte tijd een waslijst aan 'verboden' onderdelen bij elkaar te shoppen om zijn verrijkingsfabriek te bouwen. Hoe kon dat? Van Delft: In de jaren zeventig zaten er nog grote hiaten in de regelgeving, zeker wat uraniumverrijking betreft. Soms was het absurd: de export van bepaalde onderdelen werd verboden, maar als je die onderdelen in een afgewerkt geheel monteerde, dan vielen ze niet meer onder de non-proliferatieregels. Bovendien liet de controle veel te wensen over, ook al omdat non-proliferatie botste met de industriële en economische belangen van de verdragstaten. En daar heeft Khan zijn voordeel mee gedaan. Van Delft: Precies. Ook bij FDO hadden ze geld geroken. Ze wisten wel waarom ze Veerman de mond snoerden toen hij in september 1976 zijn vermoedens bij de bedrijfstop ging toelichten. Op dat moment was de verkoopdirecteur pas terug uit Pakistan, waar hij met Khan zaken had gedaan. FDO heeft onder meer machines voor geometrische controles en lektests voor Kahuta geleverd. Dat ze Veerman voor fantast uitscholden, was een sterk staatje van hypocrisie. Vlak voor zijn terugkeer naar Pakistan werd Khan bij FDO overgeplaatst naar een niet-nucleaire afdeling. Dat gebeurde op advies van de BVD, die dus ook op de hoogte was. Maar niet alleen FDO heeft flink verdiend aan Khans 'pipeline', het ging om tientallen bedrijven uit zowat alle geïndustrialiseerde landen. De omvormers voor de aandrijving van de ultracentrifuges kwamen bijvoorbeeld uit België. Waarom heeft Veerman zo lang gewacht om de klok te luiden? Van Delft: Omdat hij bang was voor represailles. Zijn eerste pogingen om alarm te slaan waren halfslachtig. Op een bepaald moment heeft hij zelfs anoniem gebeld met de secretaresse van de Nederlandse Urenco-directeur. Wellicht heeft ze haar baas nooit ingelicht, ze moet hebben gedacht dat ze een halve gare aan de lijn had. Zijn laatste twijfels zijn pas verdwenen toen Kahn hem vanuit Pakistan bleef bestoken met poeslieve brieven. Naast vriendschappelijke aardigheden stonden er altijd verzoeken in: of Frits misschien bepaalde documenten naar Islamabad kon sturen, of een technisch detail over centrifuges kon natrekken? De maat was pas helemaal vol toen Khan bleef aandringen om hem in Pakistan op te zoeken, alle kosten zouden via de ambassade worden geregeld. Nú heb ik het bewijs in handen, dacht Veerman. Maar het enige gevolg was dat hij bij FDO werd weggepest en de Staatsveiligheid op zijn dak kreeg. Ze lieten zelfs doorschemeren dat ze hem van medeplichtigheid verdachten. Speelde zijn karakter hem parten? Veerman, die als gelegenheidsfotograaf het huwelijk van een collega versloeg en daar vervolgens een rekening voor stuurde, was bij FDO niet populair. Van Delft: Klopt. Niemand heeft een poot uitgestoken toen hij naar het fotokopieerlokaal werd verbannen. Kijk, hij was niet altijd de gemakkelijkste in de omgang. Veerman verwachtte dat iedereen zich aan de regels hield, daar was hij maniakaal in. Misschien was het een vorm van autisme, maar het verklaart in elk geval waarom hij meer dan veertig jaar koppig heeft gestreden voor erkenning en financiële compensatie. Gestraft worden omdat hij zijn burgerplicht had gedaan, omdat hij de regels had gevolgd, dat was voor hem totaal onaanvaardbaar. Maar het ging hem niet alleen om persoonlijke genoegdoening. Veerman was oprecht bezorgd over de verspreiding van atoomwapens. Hij vond het verschrikkelijk dat Nederland had bijgedragen aan de onveiligheid in de wereld. Maar de overheid trad op als een vermorzelmachine, zonder compassie voor het individu. Zelfs toen de spionage al lang vaststond, toen er in binnen- en buitenland al artikels waren verschenen en er documentaires over werden gemaakt, bleef de ambtenarij hardnekkig iedere poging tot genoegdoening saboteren. De SP en GroenLinks hebben in de Tweede Kamer tevergeefs gepleit voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Vindt u dat die er alsnog moet komen? Van Delft: Ja. De feiten dateren van lang geleden, maar de geopolitieke gevolgen zijn tot vandaag voelbaar. Zo'n commissie kan getuigen onder ede ondervragen, zodat we misschien een beter zicht krijgen op de draagwijdte van de doofpotoperatie. Want dat was het helemaal: toen Veerman via zijn advocaat in 2018 eindelijk inzage kreeg in een deel van zijn BVD-dossier, bleek dat zowat alle belangrijke stukken ontbraken. Veerman is gestorven, maar zijn weduwe en kinderen zetten zijn strijd voort. Ik hoop dat mijn boek kan helpen om de zaak weer boven water te krijgen. Terwijl Frits Veerman in een bureaucratische nachtmerrie belandde, vergaarde Abdul Khan onsterfelijke roem. Niet alleen als vader van de Pakistaanse bom, maar ook als schatrijk industrieel en mecenas aan wie presidentiële ambities werden toegedicht. Van Delft: Hij is een kleurrijk personage. Je kunt kanttekeningen plaatsen bij dat vaderschap. Khan heeft de interne strijd tegen de plutoniumclub gewonnen, maar met verrijkt uranium heb je nog geen bom. Even belangrijke stappen zoals de ontwikkeling van een drager en een detonator, werden door zijn rivalen van de PAEC gezet. Toen Pakistan in 1989 zijn eerste hete kernproef uitvoerde, mocht Khan tot zijn grote frustratie alleen toekijken hoe een PAEC-medewerker de knop indrukte. Dat hij toch met de eer kon gaan lopen, komt door zijn talent voor zelfpromotie.Khan waande zich ook politiek onschendbaar. Hij begon kennis en onderdelen voor centrifuges te verkopen aan Iran, Irak, Libië en Noord-Korea. Heeft hij daarmee zijn hand overspeeld? Van Delft: Hij botste met president Pervez Musharraf, vooral na een ambitieuze deal met de Libische leider Muammar Khaddafi. Toen die aan het licht kwam, gingen de poppen aan het dansen. Met de aanslagen van 11 september 2001 vers in het geheugen en de adem van de Amerikanen in de nek, was Khan voor Musharraf een risico geworden. Hij werd verplicht om op de televisie alle schuld voor de verspreiding van atoomkennis op zich te nemen, waarna Musharraf hem plechtig gratie verleende. Het was natuurlijk één groot toneelstuk, want niemand gelooft echt dat Khan zijn nucleaire handel zonder medeweten van de politieke en militaire top heeft opgezet. Toch heeft hij een straf gekregen: Khan heeft enkele jaren onder huisarrest in een luxevilla geleefd. Hem hard aanpakken durfde Musharraf niet, daarvoor was zijn populariteit te groot - zeker onder islamisten. In opiniestukken in buitenlandse kranten laakte hij meermaals de hypocrisie van het Non-proliferatieverdrag. Terecht? Van Delft: Khan snapte niet waarom Israël de bom kennelijk wel mag hebben terwijl moslimlanden dat niet mogen. Verder wijst hij terecht op de weinig consequente toepassing van het Non-proliferatieverdrag. De kernmogendheden beloofden in 1968 niet alleen dat ze de technologie niet zouden verspreiden, ze zouden ook hun arsenaal afbouwen. Daar is niet bijster veel van in huis gekomen.