In onze contreien geldt Leuven-Vlaams als het culminatiepunt van de sixties: rebellerende studenten kregen het conservatieve establishment op de knieën. Bart De Wever ziet dat anders: Leuven-Vlaams was wel 'een mijlpaal in de geschiedenis van de Vlaamse ontvoogding', maar tegelijk ergert de N-VA-voorzitter zich aan de 'antiautoritaire kretologie' van toen. De traditionele held die offers bracht, had afgedaan: 'John Wayne viel van zijn voetstuk en "Ik, Jan Cremer" kroop erop.' Samengevat: vanaf 1968 heerste het 'identitaire nihilisme'. Journaliste Mia Doornaert was bondiger: 'Mei 68 ging over seks.'
...

In onze contreien geldt Leuven-Vlaams als het culminatiepunt van de sixties: rebellerende studenten kregen het conservatieve establishment op de knieën. Bart De Wever ziet dat anders: Leuven-Vlaams was wel 'een mijlpaal in de geschiedenis van de Vlaamse ontvoogding', maar tegelijk ergert de N-VA-voorzitter zich aan de 'antiautoritaire kretologie' van toen. De traditionele held die offers bracht, had afgedaan: 'John Wayne viel van zijn voetstuk en "Ik, Jan Cremer" kroop erop.' Samengevat: vanaf 1968 heerste het 'identitaire nihilisme'. Journaliste Mia Doornaert was bondiger: 'Mei 68 ging over seks.' Er waren rebellen, leeuwenvlaggen noch pornografen aanwezig op de historische, maar onderbelicht gebleven vergadering die op 6 juli 1968 plaatsvond in de Livornostraat 22 in Brussel. André Oleffe, de machtige voorzitter van het MOC (het Franstalige ACW), had op de toenmalige zetel van de Bankcommissie een discrete bijeenkomst belegd. Oleffe was een politicus met strategisch inzicht, die wist om te gaan met macht. Hij leerde onder meer zijn jonge kabinetsmedewerker Jean-Luc Dehaene het klappen van de zweep. In de Livornostraat verzamelde hij een kleine groep christendemocratische sleutelfiguren, die sinds 1965 getuige waren geweest van de Vlaams-Waalse broederstrijd om de katholieke universiteit in Leuven. Volgens aanwezigen verliep de vergadering in een 'hoogdravende stemming'. Oleffe was voorstander van de Franstalige aanwezigheid in Leuven. Maar zodra hij had ingezien dat die strijd verloren was, draaide hij de rollen om: 'Het standpunt van de Franstalige sectie is dat zij noodgedwongen de in het vooruitzicht gestelde operatie ondergaat', staat er te lezen in het verslag van de vergadering. De beslissing tot 'Leuven-Vlaams' viel met ander woorden niet op straat, maar in een besloten comité. Voor het eerst legden de Franstaligen, zij het omfloerst, zich neer bij Leuven-Vlaams. Wat volgde in de verklaring, was vintage Oleffe: de Franstaligen zouden alleen op hun eigen voorwaarden uit Leuven vertrekken. Dus met de nodige garanties, en vooral met geld, véél geld. Dat mocht geen probleem zijn, want de nieuwe eerste minister was de Leuvense professor Gaston Eyskens. Uiteindelijk zou op overheidskosten niet alleen een nieuwe campus maar een hele stad gebouwd worden: Louvain-la-Neuve. Daarvoor werden in Ottignies achthonderd hectaren vrijgemaakt, of haast het dubbele van de oppervlakte van het oude Leuven intra muros. Het standpunt van Oleffe en co kreeg een paar dagen later een echo in La Libre Belgique: 'De katholieken van dit land moeten het nieuwe Leuven redden. Men moet front vormen en ondanks alles eraan bouwen, met de kaken op elkaar.' De reactie van de Vlaamse Beweging bleef niet uit, toen de impact van de vergadering van de Livornostraat begon door te dringen. De invloedrijke Volksunie-senator Maurits Van Haegendoren noemde in het partijblad Wij! de overheveling van Leuven-Frans 'een provocatie voor Vlaanderen, een provocatie voor de belastingbetaler, een provocatie voor het gezond verstand'. Leuven-Vlaams leek plots meer op een zoveelste kaakslag voor Vlaanderen dan op een historische Vlaamse overwinning. Hoe kon dat gebeuren? In 1962 werd de taalgrens vastgelegd en werden nieuwe taalwetten van kracht. De aloude unitaire, tweetalige Katholieke Universiteit van Leuven lag plotseling op eentalig Vlaams grondgebied. Maar het Frans was tot de vroege jaren zestig eigenlijk de enige bestuurstaal in Leuven: veel Franstalige professoren spraken geen woord Nederlands. Zelfs de vergaderingen over de Nederlandstalige benoemingen verliepen in het Frans. Daar kwam verandering in met de 'universitaire' expansie, die hand in hand ging met de 'democratisering van het onderwijs'. De tijd van steenkool als de motor van de economische groei was stilaan voorbij, de toekomst was aan de grijze materie. Ook Antwerpen en Limburg wilden volwaardige universiteiten. De studentenaantallen boomden. In 1950 telde Leuven goed 7000 studenten, in 1960 al meer dan 14.000. De Franstaligen lobbyden voor een nieuwe faculteit geneeskunde tussen Brussel en Leuven en wilden de Leuvense kandidaturen naar Waver overhevelen. In die context gaf Michel Woitrin, de invloedrijke algemeen beheerder van de Franstalige universiteit, in november 1965 een interview aan het studentenblad L'Ergot. Woitrin schetste een beeld van een universiteit die zich zou uitstrekken over de driehoek Waver-Leuven-Brussel, en voorspelde dat die zou worden geïntegreerd ' dans un plan plus général d'aménagement du territoire du très grand Bruxelles de l'avenir'. Dus de Franstalige elites beraamden een slinkse uitbreiding van de 'zeer grote' Brusselse agglomeratie? De repliek in De Standaard volgde meteen: 'Vlaamse professoren luiden de noodklok: Leuven beraamt moord op Vlaams-Brabant. Groot-Brussel wordt nu al voorbereid.'De Vlaamse studenten konden niet achterblijven. Begin november 1962 organiseerde het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV) een mars naar Waver, waar de burgemeester de vierhonderd studenten de toegang tot het grondgebied verbood. Le Soir berichtte enigszins ongerust: ' Aux cris de 'Walen buiten', les étudiants flamands de Louvain ont marché sur Wavre. 'Walen buiten', die slogan werd door de Franstaligen als bijzonder grievend ervaren. Er verschenen davidsterren met als opschrift ' francophone' en 'non au racisme'. De boodschap was duidelijk: de Vlamingen wilden de Walen buiten, amper vijfentwintig jaar nadat ze de Joden hadden helpen uitdrijven. Zelfs ex-studentenleider Paul Goossens geeft in zijn boek 1968. Het jaar dat niet wil sterven toe dat 'Walen buiten' in de lijn lag van 'Juden Raus'. Op betogingen kreeg 'Walen buiten' al snel het gezelschap van de eerder raadselachtige slogan 'Prorektor: Vlaming en leek'. In Leuven was de prorector (in '68 nog met een 'k') altijd een Franstalige priester geweest. De ambitieuze, welbespraakte Piet De Somer rook zijn kans. De Somer was een succesvol (en rijk) viroloog en genoot aanzien als vrijmoedig katholiek. In 1966 werd hij de eerste Vlaamse rector - geen week na zijn aanstelling liet hij het voorvoegsel 'pro' vallen - en dat zou hij blijven tot zijn dood in 1985. Vandaag heet het voormalige Fochplein in het hart van Leuven het Rector De Somerplein. Die naamkeuze is pertinent: in de oorlog om Leuven-Vlaams was De Somer zowat de generaal Foch van de Vlamingen. Hij leidde en dirigeerde zijn troepen in de richting die hij voor ogen had: professoren, journalisten, en soms ook studenten. De Somers tegenspeler was studentenleider Paul Goossens. Die maakte zijn intrede op de Leuvense scène nadat de Belgische bisschoppen in mei 1966 hun 'Mandement' hadden uitgebracht: op autoritaire toon maakten ze een einde aan elk plan tot splitsing van hun katholieke universiteit. Bovendien eisten de bisschoppen in dit taalkundige dossier een soort van kerkelijke gehoorzaamheid van de Leuvense professoren en studenten. De Franstalige sectie getuigde van haar 'eerbiedige dank aan de Belgische bisschoppen voor hun heldere en vastberaden verklaring'. Katholiek Vlaanderen stond op zijn kop. In Leuven barstte de zogenaamde 'Meirevolte' los. Alleen aarzelden de Vlaamse studentenleiders om het verzet aan te voeren. Slogans roepen was één zaak, persoonlijk het gezag confronteren nog iets anders. Op een avond kreeg Goossens een megafoon in de hand geduwd. Hij betrad de pui van het Leuvense stadhuis en hoorde zichzelf de algemene staking uitroepen en de pluralistische universiteit afkondigen. 'De gevestigde studentenleiders durfden geen ordewoorden te geven. De macht lag voor het grijpen. Het was de eerste keer dat ik in het openbaar optrad. Ik wist niet eens wat een pluralistische universiteit was. 's Anderendaags stond mijn foto in een Waalse krant : 'Jean Goossens, un agitateur!"'Die beschuldiging was niet ongegrond. De Vlaamse studenten interpreteerden een bijbels vers van Mattheus ('Werp al uw kommer op de Heer') erg letterlijk en gooiden met kasseien en stenen. Voor het eerst klonk de slogan 'Suenens of Barabbas' - kardinaal Suenens was ook de grootkanselier van de universiteit - en trok men de straat op tegen 'de zeven wereldvreemde purperen', tegen de bisschoppen dus. In die gespannen sfeer trad een nieuwe generatie studentenleiders aan. KVHV-preses Paul Goossens en Ons Leven-hoofdredacteuren Walter De Bock en Ludo Martens vonden een bondgenoot in de voorzitter van het Faculteitenconvent (een voorloper van studentenkoepel Loko), Kris Merckx. Die vier waren The Beatles van Leuven-Vlaams. Piet De Somer sprak op tv over 'waarschijnlijk de beste concentratie studentenleiders die wij ooit gekend hebben'. Ex-seminarist Paul Goossens (1942) was de vedette. De gebrilde professorenzoon Walter De Bock (1946-2007) de studax. 'Both Goossens and De Bock are aggressive personalities and dynamic speakers', schreef de CIA in een memorandum over hen. Beiden vonden elkaar in latere jaren terug bij de krant De Morgen. Martens en Merckx kozen de extreemlinkse weg: ze stichtten Alle Macht aan de Arbeiders (Amada), nu de Partij van de Arbeid (PVDA). Medica-preses Kris Merckx (1944) was de lieveling van de proffen geneeskunde. In het boek Een kwarteeuw Mei 68 drukt Merckx een foto af van zichzelf, op de eerste rij bij een optreden van The Golden Gate Quartet, naast de belangrijkste hoogleraren van zijn faculteit. Merckx liet een wenkende academische carrière liggen toen hij op betogingen bordjes droeg als 'Moeder, waarom zijn wij katholiek?' Hij viel van het ene geloof in het andere: in 1970 bezocht hij in China het geboortehuis van roerganger Mao. Op de foto staat Merckx in een devote pose, alsof hij net het schrijn van een heilige heeft aanschouwd. Later stichtte hij Geneeskunde voor het Volk. Vandaag is hij provincieraadslid voor de PVDA. Ludo Martens (1946-2011) was als West-Vlaamse scholier de bezieler van de ABN-kernen geweest. In Leuven kwam hij in de ban van het zogenaamde studentensyndicalisme en richtte hij binnen het KVHV de Studenten Vakbeweging (SVB) op. Dat eindigde bruusk in februari 1967, toen hij moest opkrassen als hoofdredacteur van Ons Leven omdat hij een 'seksnummer' in elkaar had gedraaid. Martens had het thema van pedofilie en seksueel misbruik in de katholieke kerk aangesneden, ruim veertig jaar voor de val van bisschop Roger Vangheluwe en een halve eeuw voor #metoo. Noodgedwongen verhuisde hij naar Gent, waar in 1969 de zogenaamde 'Maartrevolte' uitbrak. Ook die draaide rond... seks. Die maartrevolutie was een reactie op de stugge houding van rector Jean-Jacques Bouckaert tegenover de organisatie van een 'wetenschappelijk' debat over 'de zin en onzin van pornografie'. Bouckaert: 'Dia's die kennelijk geen kunst zijn, mogen niet vertoond worden. Alleen dia's van Romeinse en Griekse, zogenaamde erotische kunstwerken.' Gent stond op zijn kop, de studenten eisten 'geen censuur' en 'vrije meningsuiting'. Het Gentse protest was geïnspireerd op de Free Speech Movement, die vanuit de Californische universiteit van Berkeley de hele VS beroerde. Ook de Leuvense studenten lieten zich al in 1966 inspireren door de gebeurtenissen in de VS. In de zomer van dat jaar ondernamen ze een zesdaagse voettocht naar de zwarte activist James Meredith. De klassieke Vlaamse Beweging steigerde tegen die Meredithmars. VU-senator Wim Jorissen waarschuwde voor 'linkse ideologen en kortzichtige marxisten'. 't Pallieterke vond het ontstellend dat de Vlaamse studenten We Shall Overcome zongen, het lied van de Civil Rights Movement die in de VS de segregatie wilde afschaffen. De klassieke Vlaamse Beweging steunde vol overgave de apartheid in Zuid-Afrika, en moest niets hebben van die linksige mentaliteit. De Vlaamse Toeristen Bond foeterde op 'het teruggrijpen van studenten en oud-studenten naar motieven uit de Amerikaanse negerstrijd'. De relaties met de klassieke Vlaamse Beweging waren al langer gespannen. In 1965 had KVHV-preses Gaby Vandromme, vandaag een lokaal N-VA-bestuurslid, in Ons Leven de klassieke flaminganten op de ziel getrapt met zijn verslag van de IJzerbedevaart: 'Het zou dus allemaal wel kunnen een voorbeeld zijn van verlicht cabaret, als de context niet zo verouderd was, en als bepaalde veruitwendigheden geen regelrechte clichés waren van het Dritte Reich.' In 1968 ging Walter De Bock op dat elan voort door samen met auteur Hugo Claus het zogenaamde 'gedicht' '11 juli 68' te schrijven: 'Vlaming, gij stikt in de sonore domheid van uw volkslied. / Gij draagt onder het masker van uw taalflamingantisme / het waterhoofd van de Vlaamse bourgeoisie.' Dat was de aanklacht van de nieuwe generatie: de Franstaligen waren het probleem niet, wel de bourgeoisie, en bij uitbreiding het klootjesvolk. 'Walen buiten' maakte plaats voor 'Bourgeois Go Home'. Die laatste slogan verraadde de invloed van de beweging tegen de Vietnamoorlog. Een breuk binnen het KVHV kon niet uitblijven. De groep rond Goossens, Martens en De Bock ging zelfstandig verder als Studentenvakbeweging (SVB). Het KVHV kreeg een nieuwe preses, de latere advocaat en CVP-politicus Jef Dauwe. SVB kreeg soms problemen met wat Guido Ghekiere, de opvolger van Dauwe als KVHV-preses, al spottend afdeed als haar 'ideologische gestamel'. Toen de troepen van het Warschaupact in 1968 een einde maakten aan de Praagse Lente, betoogde het KVHV voor de Russische ambassade om het Russische imperialisme aan te klagen. SVB veroordeelde die inval ook wel, maar had tegelijk kritiek op 'bepaalde tendensen in Tsjecho-Slowakije die tot de instelling van een nieuwe elite en van een nieuw soort kapitalisme moesten leiden'. Met andere woorden: deels hadden de Tsjecho-Slovaken om die inval gevráágd, toch wel. Een andere belangrijke inspiratiebron voor de nieuwe Leuvense generatie was Provo. Provo was in 1965 in Amsterdam ontstaan als geesteskind van 'antirookmagiër' Robert Jasper Grootveld (1932-2009). Er is veel voor te zeggen dat Provo een van de meest disruptieve fenomenen van de jaren zestig is geweest. Provo was voor het milieu en tegen de consumptiemaatschappij. Provo was bovendien anarchistisch en geweldloos en provoceerde met een heidens genoegen de autoriteiten. De Leuvense historicus Louis Vos, zelf ex-68'er, noemde het de stille kracht van Provo: 'Provo tartte het gezag met in wezen pietluttige provocaties, die door panikerende regenten als staatsgevaarlijk werden ingeschat.' Bij het huwelijk van prinses Beatrix met de Duitse prins Claus von Amsberg in 1966 gooiden de provo's een rookbom naar de koninklijke koets. Ze richtte geen schade aan, maar de actie leverde spectaculaire beelden op. Dat zaaide verwarring bij het gezag, en zorgde voor radicalisering bij de jeugd. Ook in Vlaanderen. In Leuven verscheen in 1966 het gestencilde Provoblad HET: ' HET slaapt bij Mao, HET kakt bij Johnson en bij Castro en zuipt met Suenens.' HET provoceerde ook in eigen rangen en schamperde op 'dominee Goossens en zijn Oktoberrevolutie'. Later gaven Leuvense provo's, met Ludo Martens in de rangen, het blad Nul uit. Dat stond voor 'Nederlandse Universiteit Leuven Nu', maar ook voor het antibegrip nul. 'De hele inboedel van de keuken in Vlaanderen is samen te vatten als nul.' De linkse studenten namen niet alleen de ludieke acties over van Provo, maar ook de politieke agenda: aandacht voor basisdemocratie en voor nieuwe, zachte thema's als milieu en veilig verkeer. Provo had ook rechtstreeks invloed op de wijze waarop de studenten hun eis voor Leuven-Vlaams kracht bijzetten. Het blijven aparte foto's: de beelden van de Leuvense studenten die bij het begin van het academiejaar 1966-1967 massaal de traditionele academische stoet met professoren in toga de rug keren. Het was een provocatie zonder weerga, maar voor de Leuvense politie was het moeilijk optreden tegen de geweldloze, symbolische actie. Toch waren de Leuvense studenten een stuk potiger dan de Amsterdamse provo's. In januari 1968 besloten ze tot de actie over te gaan nadat de Franstalige sectie haar plannen voor Leuven had voorgesteld. Die kwamen neer op: 'Ook al is Leuven een Vlaamse stad, toch mogen wij onze zin doen.' Goossens: 'Ik zei: de tijd van discussie is voorbij. Nu gaan we er met de blote vuist tegenaan. Met zijn dertigen vielen we het rectoraat binnen. We hebben er het hele hebben en houden van monseigneur Guido Maertens, vicerector voor studentenaangelegenheden, naar buiten gegooid en in brand gestoken. 's Avonds was dat op televisie te zien, terwijl wij als een gideonsbende door Leuven trokken en op de ruiten tikten van de universitaire instellingen.' Voor glazenmakers braken gouden weken aan, voor de Leuvense studenten hun 'Januarirevolte'. Op 16 januari 1968 werden 325 studenten opgepakt. De volgende dag gingen de Vlaamse studenten in staking. Later die maand zouden ook de Vlaamse professoren staken, een unicum in de geschiedenis van de Alma Mater. Studentenleiders Paul Goossens (SVB) en Jef Dauwe (KVHV) vlogen in de cel. Dauwe kwam na een paar dagen vrij, Goossens bleef in de gevangenis. Op volksvergaderingen - nu met de eis 'Goossens Vrij' - stonden nieuwlinkse en meer klassiek-Vlaamse studentenvertegenwoordigers schouder aan schouder. Paul Raskin (broer van VU-senator en historicus Evrard Raskin) van de Vlaams-Nationale Studenten Unie richtte zijn pijlen niet op de Walen maar op de bisschoppen: 'De bisschoppelijke verordening is een handvest van het unitaire, franskiljonse, kapitalistische België. De kerk in Vlaanderen is een Belgische kerk, gesneden op Belgische structuren en denkgewoonten, die elke Vlaamse ontvoogding afremmen.' Tegelijk deed SVB'er (en later SP.A-politicus) Michiel Vandenbussche voor geen enkele militante flamingant onder: 'Wij zijn alle gematigdheid kotsbeu. Wij gaan in het verzet. Indien er geen oplossing komt, zullen we deze universiteit afbreken.' In die periode verscheen het strijdblad Revolte, met als ondertitel 'Illegaal dagblad'. Nummer drie heette zelfs: 'Illegaal dagblad, nog illegaler dan de vorige keren.' De kop: 'Moet Leuven branden?' Verder: een gedetailleerde handleiding om molotovcocktails te maken ('Giet een bierfles vol benzine. In een reep maakt men een paar knopen. Steek de vod in de met benzine gevulde fles.') En er wérd met molotovcocktails gegooid. Het kantoor van Woitrin werd ermee bestookt. Op 21 januari 1968 brandde een auditorium uit en werden er ook brandbommen gegooid naar een Franstalig studentenhuis. Daarop nam De Somer eigenhandig de exemplaren van het laatste nummer van Revolte in beslag. Maar het elan kreeg hij er niet uit. Op 24 januari 1968 kwam het tot een open oorlog tussen de studenten en duizend rijkswachters. 675 studenten werden opgepakt. Maar de actie was geslaagd: diezelfde avond kwam Paul Goossens vrij. Stormachtig toegejuicht, bepleitte hij solidariteit van Vlaamse studenten en Waalse arbeiders. De volgende dag reisden hij en tientallen andere SVB'ers in bussen af naar Herstal en Seraing. Daar werd Paul Goossens opnieuw gearresteerd. Op 7 februari 1968 liet CVP-Kamerlid Jan Verroken de regering-Vanden Boeynants vallen over de kwestie-Leuven. In De Standaard jubelde hoofdredacteur Manu Ruys: voor de eerste keer in de Belgische geschiedenis viel de regering 'op een louter Vlaamse eis door een eensgezinde Vlaamse rechterzijde'. Maanden vóór mei 1968 was de strijd van de Leuvense studenten kennelijk al gestreden. Al waarschuwde Paul Goossens de volksvergadering in studentenrestaurant Alma II nog: 'Waakzaamheid blijft geboden! De overwinning is nog niet behaald! Wij blijven vechten tot de overheveling van Leuven-Frans naar het hart van Wallonië een feit is!' Daarvoor was het dus wachten tot 6 juli 1968, tot de fameuze vergadering in de Livornostraat. Is het daarom dat N-VA-voorzitter Bart De Wever zo minnetjes doet over de erfenis van Goossens en consorten: 'Het probleem aan mei '68 is niet dat het veel heeft losgemaakt, maar dat het daarna niks terug heeft vastgemaakt'? Als De Wever een oprechte historische analyse zou maken, zou hij inderdaad kunnen vaststellen dat de linkerzijde in 1968 Vlaamsgezinder was dan vandaag. Maar hij zou ook moeten toegeven dat de Vlaamse Beweging toen veel progressiever was dan nu.