In Humo pleitte Vlaams minister van Samenleven Bart Somers (Open VLD) ervoor diversiteit op de arbeidsmarkt te omarmen. '23 procent van het personeel in de welzijnssector is van allochtone afkomst. Als die morgen allemaal weg zijn, kunnen we onze zieken en senioren niet meer verzorgen.'

Dat cijfer is opvallend hoog. Zeker vergeleken met dat van het Vlaams Welzijnsverbond. 'Uit de jaarlijkse enquête bij onze leden, een tweehonderdtal voorzieningen in een aantal welzijnssectoren, blijkt dat slechts 3 procent van de werknemers een migratieachtergrond heeft', zegt Steven De Looze, stafmedewerker financieel beleid.

De vraag is natuurlijk: hoe breed definieer je de welzijnssector? Als we contact opnemen met de woordvoerder van Bart Somers, bezorgt hij ons een lijstje met paritaire comités die 'gelinkt zijn aan welzijn, zorg of persoonlijke ondersteunende gezinsdiensten'. Op basis van de recentste Socio-Economische Monitoring van Unia en de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg kunnen de loontrekkenden binnen die paritaire comités worden opgedeeld naar herkomst. Daaruit blijkt inderdaad dat in het Vlaams Gewest 23 procent van allochtone herkomst is.

Uitzendarbeid en de dienstenchequesector rekenen we niet tot de welzijnssectoren.

Maar het schoentje wringt bij het lijstje van paritaire comités. Naast de logische keuze voor nummers 331 ('Vlaamse welzijns- en gezondheidssector'), 330 ('gezondheidsinrichtingen en -diensten'), 319 ('opvoedings- en huisvestingsinrichtingen'), 318 ('gezins- en bejaardenhulp') en 337 ('non-profitsector') wordt ook nummer 322 opgenomen: 'uitzendarbeid en erkende ondernemingen die buurtwerken of diensten leveren'. Een belangrijk deel daarvan wordt ingenomen door de dienstenchequesector, die volgens Somers' woordvoerder terecht wordt meegerekend. 'Binnen de NACE-code (een code die de EU en haar lidstaten toekennen aan een bepaalde klasse van economische activiteiten, nvdr) valt hij onder sector Q: "menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening". Deze sector is dan ook sterk gelinkt aan de thuis- en gezinszorg. Denk aan poets- en strijkhulp, hulp bij boodschappen...'

Daar is Koen Hermans, hoogleraar sociaal werk (KU Leuven), het niet mee eens. 'Uitzendarbeid en de dienstenchequesector rekenen we niet tot de welzijnssectoren. Uiteraard verrichten die mensen vaak belangrijk werk, maar we kunnen het niet beschouwen als hulpverlening of zorg.' De opname van dat paritair comité in de berekening verstoort de cijfers sterk, omdat het in de top vijf staat van paritaire comités met het grootste aandeel personen van niet-Belgische origine.

Ook bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt paritair comité 322 niet bij de sector gerekend, zo blijkt. 'Volgens onze definitie bestaat de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector uit de voorzieningen die behoren tot de paritaire comités 318.02, 319.01 en 331, een deel van 330 en een klein deel van 329. De maatwerkbedrijven zitten in PC 327.01 (afhankelijk van de definitie).' Op basis van de Socio-Economische Monitoring kunnen we becijferen dat binnen die paritaire comités hooguit 12 procent van de loontrekkers in Vlaanderen van allochtone origine is. Als we kijken naar de cijfers voor België, is het hooguit 20 procent. Hooguit, omdat er alleen cijfers voorhanden zijn voor de volledige paritaire comités, niet voor delen ervan.

Conclusie

De '23 procent' waarnaar Bart Somers verwijst, is gebaseerd op een te ruime definitie van de welzijnssector, waarin ook uitzendarbeid en de dienstenchequesector meegeteld worden. Daarom beoordeelt Knack de stelling als eerder onwaar.

BRONNEN

Alle bronnen werden laatst geraadpleegd op 26 augustus 2020.

* Bijgewerkt op 12/10/2020 om 18:57, om bronvermeldingen en hyperlinks toe te voegen aan het artikel.

De oorspronkelijke kop 'Factcheck: '23 procent van het personeel in de welzijnssector is van allochtone afkomst'' is veranderd in 'Factcheck: Nee, in de welzijnssector is niet 23% van het personeel van allochtone afkomst'. De oorspronkelijke inleiding 'Dat vertelde Vlaams minister Bart Somers (Open VLD) onlangs in het weekblad Humo. Maar klopt dat wel?' werd ''23 procent van het personeel in de welzijnssector is van allochtone afkomst'. Dat vertelde Vlaams minister Bart Somers (Open VLD) onlangs in het weekblad Humo. Maar het klopt niet helemaal.'. Op die manier ligt de factcheck meer in lijn met hoe factchecks volgens recente wetenschappelijke inzichten optimaal impactvol worden gepresenteerd.

Krasse uitspraak, straf cijfer of dito feit in de actualiteit gezien? Stuur uw vraag met exacte bronvermelding van het citaat naar factcheck@knack.be

RMG
© RMG

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

In Humo pleitte Vlaams minister van Samenleven Bart Somers (Open VLD) ervoor diversiteit op de arbeidsmarkt te omarmen. '23 procent van het personeel in de welzijnssector is van allochtone afkomst. Als die morgen allemaal weg zijn, kunnen we onze zieken en senioren niet meer verzorgen.' Dat cijfer is opvallend hoog. Zeker vergeleken met dat van het Vlaams Welzijnsverbond. 'Uit de jaarlijkse enquête bij onze leden, een tweehonderdtal voorzieningen in een aantal welzijnssectoren, blijkt dat slechts 3 procent van de werknemers een migratieachtergrond heeft', zegt Steven De Looze, stafmedewerker financieel beleid. De vraag is natuurlijk: hoe breed definieer je de welzijnssector? Als we contact opnemen met de woordvoerder van Bart Somers, bezorgt hij ons een lijstje met paritaire comités die 'gelinkt zijn aan welzijn, zorg of persoonlijke ondersteunende gezinsdiensten'. Op basis van de recentste Socio-Economische Monitoring van Unia en de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg kunnen de loontrekkenden binnen die paritaire comités worden opgedeeld naar herkomst. Daaruit blijkt inderdaad dat in het Vlaams Gewest 23 procent van allochtone herkomst is. Maar het schoentje wringt bij het lijstje van paritaire comités. Naast de logische keuze voor nummers 331 ('Vlaamse welzijns- en gezondheidssector'), 330 ('gezondheidsinrichtingen en -diensten'), 319 ('opvoedings- en huisvestingsinrichtingen'), 318 ('gezins- en bejaardenhulp') en 337 ('non-profitsector') wordt ook nummer 322 opgenomen: 'uitzendarbeid en erkende ondernemingen die buurtwerken of diensten leveren'. Een belangrijk deel daarvan wordt ingenomen door de dienstenchequesector, die volgens Somers' woordvoerder terecht wordt meegerekend. 'Binnen de NACE-code (een code die de EU en haar lidstaten toekennen aan een bepaalde klasse van economische activiteiten, nvdr) valt hij onder sector Q: "menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening". Deze sector is dan ook sterk gelinkt aan de thuis- en gezinszorg. Denk aan poets- en strijkhulp, hulp bij boodschappen...' Daar is Koen Hermans, hoogleraar sociaal werk (KU Leuven), het niet mee eens. 'Uitzendarbeid en de dienstenchequesector rekenen we niet tot de welzijnssectoren. Uiteraard verrichten die mensen vaak belangrijk werk, maar we kunnen het niet beschouwen als hulpverlening of zorg.' De opname van dat paritair comité in de berekening verstoort de cijfers sterk, omdat het in de top vijf staat van paritaire comités met het grootste aandeel personen van niet-Belgische origine. Ook bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt paritair comité 322 niet bij de sector gerekend, zo blijkt. 'Volgens onze definitie bestaat de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector uit de voorzieningen die behoren tot de paritaire comités 318.02, 319.01 en 331, een deel van 330 en een klein deel van 329. De maatwerkbedrijven zitten in PC 327.01 (afhankelijk van de definitie).' Op basis van de Socio-Economische Monitoring kunnen we becijferen dat binnen die paritaire comités hooguit 12 procent van de loontrekkers in Vlaanderen van allochtone origine is. Als we kijken naar de cijfers voor België, is het hooguit 20 procent. Hooguit, omdat er alleen cijfers voorhanden zijn voor de volledige paritaire comités, niet voor delen ervan.