Het is halfnegen 's ochtends en de zon brandt al op de grafstenen van het Cementerio San Fernando in de Andalusische hoofdstad Sevilla. In twee rechthoekige putten vegen vijf archeologen en antropologen zorgvuldig de okerbruine aarde van de botten en schedels die uit de grond steken. De opgraving van het massagraf Pico Reja, een van de acht massagraven uit de Spaanse Burgeroorlog die de begraafplaats rijk is, gaat zijn zeventiende maand in. Het einde is nog niet in zicht. 'We hopen eind 2022 klaar te zijn', zegt archeoloog Juan Manuel Guijo Mauri, die de werken leidt.
...

Het is halfnegen 's ochtends en de zon brandt al op de grafstenen van het Cementerio San Fernando in de Andalusische hoofdstad Sevilla. In twee rechthoekige putten vegen vijf archeologen en antropologen zorgvuldig de okerbruine aarde van de botten en schedels die uit de grond steken. De opgraving van het massagraf Pico Reja, een van de acht massagraven uit de Spaanse Burgeroorlog die de begraafplaats rijk is, gaat zijn zeventiende maand in. Het einde is nog niet in zicht. 'We hopen eind 2022 klaar te zijn', zegt archeoloog Juan Manuel Guijo Mauri, die de werken leidt. Experts hadden geschat dat er zo'n 1103 slachtoffers begraven zouden liggen. 'Maar het werd snel duidelijk dat het er veel meer zijn', zegt antropologe Esther Moragas. 'Voor de burgeroorlog werd het graf ook gebruikt als laatste rustplaats voor wezen en armlastigen. We moeten dus de verschillende lichamen zien te onderscheiden. Slachtoffers zijn te herkennen aan gebroken beenderen of schotwonden in de schedel. Sommigen worden teruggevonden met vastgebonden handen. Maar het meest kenmerkende is dat alle lijken boca abajo, met het gezicht naar de aarde, werden gedumpt. Het toont een groot misprijzen voor de slachtoffers.' Pico Reja is een van de 2457 massagraven in Spanje. Het land telt na Cambodja en Burundi het grootste aantal massagraven ter wereld. Ze liggen overal: naast snelwegen, in afgelegen stukken land of, zoals in Sevilla, op een begraafplaats. Volgens schattingen zouden 85 jaar na het einde van de burgeroorlog nog steeds 114.000 Spanjaarden vermist zijn. Na de verkiezingsoverwinning van het Frente Popular, een coalitie van Spaanse linkse partijen, begin 1936 en een mislukte couppoging van de nationalisten brak op 17 juli 1936 de Spaanse Burgeroorlog uit. De broederstrijd zou in drie jaar aan zo'n half miljoen Spanjaarden het leven kosten. Het Frente Popular kon rekenen op de steun van de Internationale Brigades en de Sovjet-Unie, de nationalistische kant kreeg steun van nazi-Duitsland en fascistisch Italië. Door die internationale inmenging wordt de Spaanse Burgeroorlog beschouwd als de prelude op de Tweede Wereldoorlog. Vanuit Spaans Marokko baanden de nationalistische troepen zich een weg naar het vasteland. In gebieden ingenomen door de nationalisten werden Republikeinen, vakbondslieden en Spanjaarden van linkse gezindte vervolgd, ter dood veroordeeld en gefusilleerd. Ook na de burgeroorlog bleef de repressie tegen alles wat 'rojo' - rood - was, aanhouden. Sevilla was een van de eerste steden die, zonder veel tegenstand, in nationalistische handen vielen. Duizenden Sevillianen werden vervolgd en gefusilleerd. Een van die Sevillianen was Eugenio Rodríguez García. 'Mijn vader was achtentwintig toen hij werd opgepakt', zegt Ángel Rodríguez Franco, zijn zoon, die tweeëneenhalf jaar oud was toen zijn vader verdween. Eugenio was actief in de vakbond van de fabriek waar hij werkte, wat een afdoende reden was om vervolgd te worden. 'Toen mijn vader verdween, schuimde mijn oom, die contacten had in het stadsbestuur, alle gevangenissen af op zoek naar hem, zonder succes. Later kwamen we erachter dat hij in een doorgangskamp op een boot op de Guadalquivir zat.' Uiteindelijk werd Eugenio op de begraafplaats van Sevilla geëxecuteerd. Op zijn overlijdenscertificaat staat dat hij overleed aan 'de gevolgen van schotwonden'. Ondertussen is Ángel achtentachtig. Wekelijks komt hij naar de voortgang van de werken kijken. Vandaag schuifelt hij samen met zijn zoon en kleinzoon, die beiden de naam dragen van hun voorvader, op het kerkhof rond. 'Mijn grootvader is hier bijna de mascotte', lacht zijn kleinzoon Eugenio. Tijdens Ángels jeugd was het onderwerp 'vader' taboe. 'Mijn moeder wilde nooit praten over wat er gebeurd was, uit angst. Later wilde ook mijn echtgenote niet dat ik me met het onderwerp bezighield', vertelt Ángel. Na haar overlijden in 2014 ging hij alsnog met de hulp van zijn zoon en kleinzoon op zoek naar zijn vader. De drie zijn ervan overtuigd dat Eugenio begraven ligt in Pico Reja. De stilte over het pijnlijke verleden vormt een rode draad door de recente Spaanse geschiedenis. De burgeroorlog mondde uit in een dictatuur onder leiding van Caudillo Francisco Franco, die duurde tot zijn dood in 1975. Daarna maakte Spanje een democratische transitie door. De Spaanse monarchie, met aan het hoofd Francopoulain koning Juan Carlos de Borbón, vader van huidig koning Felipe, werd hersteld en een nieuwe grondwet uitgevaardigd. Het meest definiërende element van de overgang was het Pacto del Olvido, een overeenkomst tussen alle Spaanse politieke partijen, zowel links als rechts, die uitmondde in de amnestiewet van 1977. Het 'Pact van het vergeten' zorgt ervoor dat misdaden gepleegd onder het franquistische regime niet vervolgd kunnen worden. Dat leidde ertoe dat heel wat Francogetrouwen aan konden blijven in de hoogste machtskringen. Republikeinse gevangenen mochten de gevangenis verlaten, naar de vermisten werd niet omgekeken. Terwijl landen als Chili en Argentinië hun dictatoriale verleden in de ogen keken, verkoos Spanje algemene amnesie boven een radicale breuk met het verleden. Of zoals archeologe Concha Gonzáles het samenvat: 'Spanje heeft geen historische herinneringspolitiek, maar een vergeetpolitiek.' Die vergeetpolitiek is al jarenlang een doorn in het oog van journalist-socioloog Emilio Silva Barrera. We praten met hem op een Madrileens terras. Bij een café con leche vertelt hij over de zoektocht naar het graf van zijn grootvader, die in 1936 door de fascistoïde Falange werd omgebracht. Na studiewerk en contacten met archeologen en buurtbewoners vond hij het graf in Priaranza del Bierzo, een dorpje in de noordwestelijke provincie León. 'Heel het dorp wist van de plek, maar niemand praatte erover. Ook mijn grootmoeder praatte nooit over mijn grootvader. Er heerste een omerta.' De vondst van zijn grootvader trok de aandacht van andere zoekenden. Het betekende het startschot voor de Asociación para la Recuperación de la Memoria Histórica (ARMH), waar Silva voorzitter van is. De organisatie be- geleidt familieleden in hun zoektocht naar vermisten en voert ook zelf opgravingen uit, gefinancierd met eigen middelen. De opgravingen van slachtoffers zijn nog steeds het werk van vrijwilligersorganisaties zoals de ARMH. Met de Ley de Memoria Histórica ('wet op het historische geheugen') deed de linkse regering-Zapatero in 2007 een eerste poging om de opgravingen te subsidiëren. Vier jaar later werd de wet door de conservatieve regering-Rajoy financieel drooggelegd. Rajoy verklaarde dat er onder zijn leiderschap ' ni un euro', geen enkele euro, naar de opgravingen zou gaan. De nalatigheid van de Spaanse regering kwam haar op veroordelingen door de Verenigde Naties te staan. 'Het huidige model van privatisering van de opgravingen, die de verantwoordelijkheid uitbesteedt aan slachtoffers en verenigingen, voedt de onverschilligheid van de staatsinstellingen', klonk het in 2014 in een VN-rapport van speciaal rapporteur Pablo de Greiff. Met de nieuwe Ley de Memoria Democrática, de wet op de democratische herinnering, tracht eerste minister Pedro Sánchez alsnog de basis te leggen voor een historische herinneringspolitiek. Met de wet wil Sánchez de coördinatie van de opgravingen bij de overheid leggen. Er zal ook een DNA-bank aangelegd worden en er komt een slachtoffertelling. Verwijzingen naar Franco moeten uit het straatbeeld worden verwijderd en de Spaanse Burgeroorlog komt centraal in de Spaanse leerplannen te staan. De meest zichtbare maatregel was het verplaatsen van Franco's lichaam uit Valle de los Caídos, zijn megalomane mausoleum, even buiten Madrid. De regering wil de plek tot een 'plaats van verzoening' omvormen. De wet moet het Spaanse parlement nog passeren. Als overgangsmaatregel voorziet de Spaanse regering dit jaar in 450.000 euro aan subsidies om gemeentebesturen en organisaties bij de opgravingen te ondersteunen. De reactie van de Spaanse rechterzijde liet niet op zich wachten. De conservatieve Partido Popular beschuldigde Sánchez van politieke spelletjes. De extreemrechtse partij Vox ging nog verder en bestempelde het initiatief als 'totalitair'. Voor Silva en verschillende familieleden gaat de wet niet ver genoeg: 'Ten eerste vind ik het pervers dat organisaties met elkaar in competitie moeten gaan om subsidies voor een opgraving te kunnen verkrijgen.' Bovendien is de wet niet tegen politieke volatiliteit beschermd. 'Wat als de Partido Popular na de volgende verkiezingen opnieuw aan de macht komt? Dan kunnen ze die wet net zoals de vorige zonder fondsen zetten.' Een ander heikel punt is de politieke willekeur bij de opgravingen. 'Stadsbesturen zijn niet verplicht om massagraven te openen. Als ze er geen zin in hebben, dan hoeven ze dat niet te doen.' Dat is het geval van Purificación Gallardo Leon en haar vader Felipe Gallardo Goméz. We spreken hen in een klein appartementje in Molostés, een voorstad van Madrid. Ondanks hartproblemen en zijn gevorderde leeftijd van 94 staat de burgeroorlog hem nog helder voor de geest. Hij wijdt uit over de bombardementen, afgerukte ledematen en dode kinderen op straat. 'Zulke zaken vergeet je nooit.' De muren zijn volgestouwd met foto's van kinderen en kleinkinderen. 'Van mijn vader heb ik slechts één foto', zegt Felipe. Zijn vader Pedro Gallardo Escribano was een kruidenier en burgemeester van Valdetorres, een dorpje in de regio Extremadura. Hij werd in 1940, na het einde van de burgeroorlog, gearresteerd. 'Nadat de Falange hem had opgepakt heeft ze de volledige inboedel van onze woning opgestookt. Hij zat lange tijd vast in de gevangenis van de stad Badajoz, en werd daarna gefusilleerd.' De invloed van de burgeroorlog stopte niet bij het verlies van zijn vader. In de jaren vijftig trok hij met zijn jonge gezin naar Australië. Pas na de dood van Franco keerden ze terug naar Spanje. In 2014 begon Purificación te zoeken naar haar grootvader. Via archiefonderzoek ontdekte ze dat hij begraven ligt in een massagraf op de oude begraafplaats in Badajoz, de hoofdstad van Extremadura. Toen ze vroeg om de opgraving werd ze van het kastje naar de muur gestuurd. 'Het stadsbestuur zei me dat er geen draagvlak voor was. Bovendien zou het graf in de loop van de jaren verplaatst geweest zijn. Een leugen, ontdekte ik achteraf.' De frustratie bij Purificación is haast tastbaar. 'Mijn vader is 94, er valt geen seconde te verliezen. Het was een bewuste strategie om te wachten tot de generatie van mijn vader uitgestorven is. Het enige wat mijn vader wil, is zijn vader terugzien en hem waardig naast mijn grootmoeder begraven. Wij zoeken geen wraak of herstel, maar gewoon een beetje rechtvaardigheid. Ooit zei hij me: "Dochter, het mag morbide klinken, maar het enige wat ik wil is hem een zoen geven." Als het hem niet lukt, dan doe ik het. Ik denk er niet aan om te stoppen.' Voor Silva dient er wel reparatie te zijn. 'Misdaden tegen de mensheid verjaren niet. Als je een echte herinneringspolitiek wilt, dan moet je de daders benoemen en vervolgen. Nu praat de regering enkel over slachtoffers. Deze wet blijft binnen de contouren van het Pacto del Olvido.' Speciaal VN-rapporteur Pablo de Greiff deelt de kritiek van Silva. In het VN-rapport van 2014 maande hij de Spaanse regering aan om de Amnestiewet van 1977 te annuleren. 'Het is essentieel dat de Spaanse staat voorziet in enige vorm van gerechtigheid voor de slachtoffers', klonk het toen. 'De Spaanse samenleving heeft een enorme openstaande schuld bij de familieleden van de vermisten van de Spaanse Burgeroorlog.' Tijdens een persconferentie op het afgelopen Filmfestival van Venetië wikte Spaans cineast en nationale trots Pedro Almodóvar zijn woorden niet. Met zijn recente film Madres Paralelas leverde de regisseur een opvallend politieke film af. Hoofdpersonage Janis, vertolkt door Penélope Cruz, gaat op zoek naar het massagraf van haar grootvader, en roept daarvoor de hulp van de ARMH in. 'Zolang die schuld niet vereffend wordt, kunnen we de wonde van onze recente geschiedenis en al datgene wat gebeurd is tijdens de burgeroorlog niet hechten. Nu zijn het de kleinkinderen en achterkleinkinderen die op zoek gaan naar hun voorouders. Het heeft onze samenleving getraumatiseerd', voegde de regisseur toe. Dat geërfde trauma is merkbaar bij de familieleden van Pico Reja. De meeste kinderen van vermisten zijn ondertussen bejaard of overleden, maar het verdriet en verlies beperkt zich niet tot die generatie. Zo is er Concha León en haar broer, die nog steeds op zoek zijn naar hun grootvader. De man werd samen met zijn twee broers vermoord. Alledrie waren ze leraars. Ze vermoeden dat hij eveneens in Pico Reja ligt, maar dat zijn ze niet zeker. Concha schiet vol als ze over haar grootvader spreekt: 'Het enige wat ik wil, is hem een behoorlijke begrafenis schenken en hem naast mijn grootmoeder begraven.' Ángels kleinzoon Eugenio denkt evenmin aan opgeven. 'De wet die nu voorligt komt heel laat. De rechterzijde zegt dat deze opgravingen oude wonden openrijten. Het gaat hier over een man van 88 die zijn vader nooit heeft gekend. Die wonden zijn nooit geheeld.' Hetzelfde geluid klinkt bij Maria Luisa Hernández, een jonge zestiger, die vandaag bloemen in de kleur van de Republikeinse vlag komt hangen bij de foto van haar grootvader. De foto is aan een omheining rond het terrein vastgesjord, familieleden maakten er een geïmproviseerde herinneringsmuur van. 'Gisteren was het 85 jaar geleden dat hij werd geëxecuteerd. Van vroeg af aan voelde ik dat mijn moeder haar vader miste. Niet zozeer omdat hij er niet meer was maar wel omdat ze niet wist waar hij begraven lag. Zelf zoeken wilde of durfde ze niet. Ik heb het gevoel dat dit een hete aardappel is die ik heb geërfd. Ik wil die niet aan mijn kinderen of kleinkinderen doorgeven.' De familieleden zijn altijd welkom op de opgravingen. 'Zij zijn de spil van ons werk. In alles wat we doen, zetten we hen centraal', zegt Guijo Mauri. Het Sevilliaanse stadsbestuur steunt de opgraving financieel, maar Guijo Mauri wijst op de verdienste van de families. 'Zij zijn druk blijven uitoefenen tot het stadsbestuur niet anders meer kon dan het graf te openen.' Op de begraafplaats slaat de klok ondertussen halftwee. Om niet in veertig graden te hoeven werken eindigt de werkdag over een halfuur. Esther fotografeert de lichamelijke resten terwijl Concha de aarde zeeft. De ploeg maakt er een erezaak van zo veel mogelijk stukjes van de lichamen te recupereren. Het is monnikenwerk. Nadat alle resten zijn verzameld worden ze in een plastic bak met water gewassen, waarna ze in de zon te drogen worden gelegd. 'We moeten vermijden dat er schimmels ontstaan op de botten. Die maken een DNA-analyse onmogelijk', zegt Guijo Mauri. In een van de tenten ligt een gereconstrueerd skelet op een tafel. Tussen de ribben liggen er knopen die bij het lichaam werden gevonden, en ter hoogte van het bekken een verkleurde riemgesp. Naast de tafel, een doos met schoenzolen, de schoenmaten nog leesbaar. Na afloop van de werken maakt de ploeg bij een biertje en chips de stand van de dag op. 'Als je mensen van je eigen leeftijd opgraaft, of persoonlijke spullen vindt, kan dit werk hard binnenkomen', zegt Esther. Maar haar motivatie overheerst. 'Ik wil niet wonen in een land waar mensen zomaar kunnen verdwijnen. Ya es hora. Het is tijd.'