Najaar 2018. In boekhandel Athenaeum aan het Amsterdamse Spui trekt een rijkelijk geïllustreerd werk dat onbekend was in Vlaanderen toch mijn aandacht: Daar werd wat groots verricht van cabaretier Diederik van Vleuten. De auteur had tussen 2010 en 2012 met een gelijknamige voorstelling volle zalen getrokken en er de Prijs van de Kritiek mee gewonnen. 'Een prachtig boek', zegt de mevrouw van Athenaeum.
...

Najaar 2018. In boekhandel Athenaeum aan het Amsterdamse Spui trekt een rijkelijk geïllustreerd werk dat onbekend was in Vlaanderen toch mijn aandacht: Daar werd wat groots verricht van cabaretier Diederik van Vleuten. De auteur had tussen 2010 en 2012 met een gelijknamige voorstelling volle zalen getrokken en er de Prijs van de Kritiek mee gewonnen. 'Een prachtig boek', zegt de mevrouw van Athenaeum. Het boek is een reconstructie van de koloniale familiegeschiedenis van de Van Vleutens, thee- en rubberplanters op Java en Sumatra, de grote eilanden van wat toen Nederlands-Indië heette en vandaag Indonesië is. Ze woonden en werkten er al van in diep in de negentiende eeuw. Neef Diederik zet de familie neer als 'verlichte' kolonialen die goede relaties wilden met het Indonesisch werkvolk. Al kan de lezer niet voorbij de koloniale context: 'De werkdag liep van zes uur 's ochtends tot één uur 's middags, 360 dagen per jaar. Op de islamitische feestdagen - vijf per jaar - had het werkvolk vrij.' Op de kiekjes stralen de familieleden van geluk. Dat verandert definitief wanneer ze na de onafhankelijkheid naar Nederland verhuizen. De harde, getrokken gelaatstrekken verraden dat de postkoloniale jaren bestonden uit bittere herinneringen aan een beter bestaan. Wat fascinerend is aan het boek - en aan het grote succes ervan - is dat amper twee jaar geleden uiterst empathisch kon worden teruggeblikt op het koloniale verleden, en dat de titel, Daar werd wat groots verricht, mocht refereren aan de even bekende als beruchte woorden van Jan Pieterszoon Coen, in de zeventiende eeuw de brutale gouverneur-generaal van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC): 'Ende dispereert niet (...), daer can in Indiën wat groots verricht worden.' Een jaar later kocht ik in dezelfde boekhandel Daar werd wat gruwelijks verricht van Reggie Baay, een onthutsend relaas over de slavernij in Nederlands-Indië. Sinds vorige week pronkt in dezelfde Amsterdamse etalage Revolusi van onze landgenoot David Van Reybrouck, een vuistdik boek over de 'overgang' van Nederlands-Indië naar het onafhankelijke Indonesië. 'Indrukwekkend', was alvast het oordeel van de recensent van NRC Handelsblad. Ook in Nederland heeft de Vlaming Van Reybrouck al lang zijn strepen verdiend - niet alleen als schrijver, maar ook als publiek intellectueel. In 2013 zorgde hij voor enige controverse met de organisatie van zijn 'G1000', een burgertop die bedoeld was als een experimenteel alternatief voor de parlementaire, partijpolitieke besluitvorming. Vervolgens pleitte hij in het boek Tegen verkiezingen voor een deliberatieve democratie op basis van loting als alternatief voor de bestaande verkiezingen. Maar hoe divers de bezigheden van Van Reybrouck ook zijn, met Revolusi lijkt hij definitief de belangrijkste levende auteur van de koloniale geschiedenis der Lage Landen te worden. Het merkwaardige daarbij is dat net in deze tijd het hele koloniale debat aan even snelle als fundamentele verandering onderhevig is. In Nederland heeft Zwarte Piet bijna tot een halve burgeroorlog geleid. Zelfs in het doorgaans bravere België staat de nagedachtenis aan koning Leopold II ter discussie, en zelfs het vernieuwde AfricaMuseum in Tervuren krijgt de kritiek dat het nu al niet meer van deze tijd is. Het stopt niet bij musea en standbeelden. Het tijdschrift De Lage Landen, voorheen Ons Erfdeel, pleit ervoor om de Vlaamse bibliotheken te zuiveren van stripalbums van Jommeke, godbetert. De ooit zo brave Vlaamse verhalen zijn in diskrediet gekomen omdat wijlen Jef Nys (1927-2009) niet-Europese figuren doorgaans ouderwets-paternalistisch en dus 'fout' tekende. Ook al was het ooit humoristisch bedoeld: daarmee wordt niet meer gelachen. Het interessante is dat die evolutie ook sporen lijkt na te laten in het werk van Van Reybrouck. Kan het eigenlijk anders, voor een geëngageerd auteur die zich in zijn schrijven niet alleen laat leiden door zijn persoonlijke interesses maar ook door de maatschappelijke relevantie van zijn oeuvre? Veel begon in 2001 met De plaag. De ondertitel, Schrijvers, termieten en Zuid-Afrika, is een samenvatting van een merkwaardig relaas dat begint met een eerder academisch onderzoek naar mogelijk plagiaat van Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck (1862-1949): voor La vie des termites had hij gekopieerd uit The Soul of the White Ant van de Zuid-Afrikaanse auteur Eugène Marais (1871-1936). Het eindigt met het inzicht dat zo'n termietenheuvel model kan staan voor de hele Zuid-Afrikaanse samenleving. Daarvoor ging Van Reybrouck in Zuid-Afrika op zoek naar ooggetuigen - en ook in Revolusi zweert hij bij oral history. Het is een manier om zichzelf in zijn boeken een plaats te geven als verteller, en dus als regisseur van zijn eigen verhaal. Dat kan overkomen als een milde vorm van ijdelheid, maar het schept vooral duidelijkheid: de auteur toont zich als de sturende kracht van zijn eigen reconstructies. Toen De plaag verscheen, was er grote maatschappelijk consensus over de geschiedenis van Zuid-Afrika. Ook al was Nelson Mandela sinds 1999 geen president meer, het voormalige apartheidsregime werd algemeen veroordeeld. Het aparte aan Van Reybrouck was dat hij uitgerekend op dát beeld nuances en correcties aanbracht. Hij beschreef hoe ongemakkelijk hij zich voelde als zwarte Zuid-Afrikanen hem aanspraken met 'baas' - tijdens de apartheid moesten zwarten beleefd en nederig zijn tegen blanken, en na de apartheid dus nog altijd. Hij sprak met blanke twintigers die geen geheim maakten van hun gezindte: 'Ons is rasiste, ja.' Hun weerzin voor zwarte landgenoten - 'ons is blank en hulle is kaffers' - koppelden ze aan een voorliefde voor vlees, en een absolute afwijzing van elke vorm van vegetarisme: 'Wij eten vlees. Alleen vlees. (...) Aardappelen en groenten zijn voor mietjes.' En jonge zwarten die Van Reybrouck sprak, gedroegen zich al even weinig politiek correct. De plaag werd genomineerd voor de Librisprijs en Van Reybrouck kreeg de Debuutprijs (2002). In het begin van deze eeuw kreeg de jonge schrijver dus lof en waardering door te zoeken naar nieuwe nuances, naar waarheden die niet strookten met de bekende politieke referentiekaders. Van Reybrouck had de smaak te pakken. In 2007 was acteur Bruno Vanden Broecke de perfecte incarnatie van witte pater André Vervecken in Van Reybroucks theatermonoloog Missie. Op basis van gesprekken met talrijke missionarissen schreef de auteur een script dat ons indringend confronteerde met de verdrukking van de Congolese bevolking door haar eigen machthebbers, tot Patrice Lumumba toe, en dat vanuit het gezichtspunt van een missionaris. In interviews nam Van Reybrouck geen blad voor de mond: 'Ik stoorde me aan het beeld dat de afgelopen vijftien jaar over missionarissen is opgehangen. Dat moest absoluut gecorrigeerd worden. In de geschiedschrijving en de antropologie is men elke vorm van blanke inmenging gaan zien als een manier om westerse ideologie op te dringen aan mensen die daar niet om vroegen. Dat was misschien wel zo in 1920, maar het is allerminst nog het geval in 2007. ' Hij vond de missionaris 'eigenlijk een voorbeeld voor Vlamingen vandaag.' Hoe dan ook was er zowel in Vlaanderen als in Nederland haast niets dan lof voor Missie. Voor zijn geëngageerde literaire werk werd Van Reybrouck in 2008 gelauwerd met de Arkprijs van het Vrije Woord. En dan moest Congo (2010) nog verschijnen, nog altijd zijn magnum opus. Het tegelijk gebalde en toch anekdotische relaas van de complexe geschiedenis van zo'n reusachtig land is tot op de dag van vandaag een tour de force. Hij won zowel de Libris-geschiedenisprijs als de AKO-literatuurprijs. In de Angelsaksische wereld was de kritiek dermate lovend dat Van Reybrouck misschien wel de belangrijkste hedendaagse Vlaamse auteur werd. 'Een meesterwerk', vond The Independent. 'Relevant voor iedereen die wil weten hoe het recente verleden van invloed kan zijn op de nabije toekomst. Uitzonderlijk', schreef The New York Times. The Times Literary Supplement bestempelde het boek dan weer als ' evasive' - 'ontwijkend'. Dat was ook de kritiek van de (radicale) Vlaamse linkerzijde. In de late jaren negentig had auteur Ludo De Witte met twee vehemente maar erg overtuigende boeken - Crisis in Congo (1996) en De moord op Patrice Lumumba (1999) - de donkere kanten belicht van de Belgische politiek bij de Congolese onafhankelijkheid. Het leidde in de paars-groene jaren tot een parlementaire onderzoekscommissie en tot Belgische excuses aan Congo, zowel van premier Guy Verhofstadt (VLD) als van minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel (MR). Maar zelfs die tot dan ongeziene geste werd door de nieuwe, radicalere generatie Congokenners als onvoldoende beschouwd. Het debat was definitief aan het radicaliseren. Ook al werd Congo een internationale bestseller, toch werd Van Reybrouck met vlijmscherpe kritiek geconfronteerd. Ineens was hij té genuanceerd. Critici namen hem kwalijk dat hij in het koloniale debat niet duidelijker partij koos. De geschiedschrijving van het kolonialisme kon niet meer louter academisch en dus neutraal zijn, er kwam hoe dan ook een morele component bij. Het koloniale systeem was en is intrinsiek slecht, en dat gold dus eigenlijk ook voor 'de kolonialen', en elke schrijver dient dat op één of andere manier expliciet te maken. Toen Van Reybrouck vijf jaar geleden de voorbereidingen voor Revolusi trof, trad hij dus om meer dan één reden uit zijn comfortzone. Ten eerste is het perspectief van zo'n boek vandaag dwingender geworden dan in de tijd van De plaag, Missie of Congo: een antikoloniaal kader, het liefst expliciet, geldt zowat als een ongeschreven uitgangspunt voor een auteur uit de Lage Landen die over de Indonesische geschiedenis schrijft. Ten tweede ligt het niet voor de hand om als Belg - en zeker niet als schrijver van Congo - misschien wel het meest traumatiserende stuk van de Nederlandse geschiedenis te beoordelen, volgens de ethische standaarden van vandaag. Van Reybrouck loste veel op door de focus van zijn boek aan te scherpen. Hij schrijft geen geschiedenis van het land, zoals hij in Congo deed. Hij spitst zich toe op het streven naar en het vechten voor de onafhankelijkheid - de kolonisatie is dan de achtergrond van zijn relaas. Zijn echte verhaal beperkt zich, zoals de titel het zegt, tot de Revolusi.Dankzij de focus op de onafhankelijkheidsstrijd kan de auteur zijn narratief ook vertellen vanuit het oogpunt van de onafhankelijkheidsstrijders, van de latere president Sukarno en zijn medestanders. Dat het Nederlandse kolonialisme niet altijd een fraai verhaal was, is natuurlijk geen verrassing - al sinds de publicatie van de beroemde roman Max Havelaar (of de Koffieveilingen der Nederlandse Handelsmaatschappij) in 1860 is de Nederlandse publieke opinie zich ervan bewust dat in die zogenaamde 'gordel van Smaragd', in dat 'rijk van Insulinde' een en ander erg fout liep. Maar meer dan de meesten van zijn voorgangers maakt Van Reybrouck erg aannemelijk dat de Nederlandse goegemeente zich al meer dan honderd jaar een rad voor de ogen liet draaien door te denken dat de kolonie al bij al voorbeeldig werd bestuurd. Hoe verschillend het koloniale model in Belgisch-Congo ook was, toch springen de parallellen in het oog. Van Reybrouck plaatst zowel België als Nederland in 'de club van kleine Europese landen die ver boven hun imperiale gewichtsklasse boksten'. België omdat het Congo koloniseerde, een reusachtig gebied in Midden-Afrika dat meer dan tachtig keer zo groot was als het thuisland. Nederland omdat het, naast zijn kleinere 'westelijke' kolonies (Suriname en de Antillen) het zo mogelijk nog reusachtigere Nederlands-Indië controleerde, een kolonie die zich uitstrekte over meer dan 45 lengtegraden, een achtste van de wereldbol, drie tijdzones en meer dan 5000 kilometer. Van Reybrouck: 'Op een kaart van de Verenigde Staten gelegd, steekt het aan beide zijden bijna duizend kilometer uit.' Min of meer op een rij liggen, van west naar oost, reusachtige eilanden als Sumatra, Java, Borneo, Sulawesi en Guinea, en tussenin kleinere brokken als Bali, Lombo, Sumbawa, Flores of de Molukken. Van Reybrouck: 'Officieel telt het huidige Indonesië 13.466 eilanden, maar het kunnen er ook 16.056 zijn. Of 18.203. Niemand weet het precies.' Dat gigantische land dacht Nederland te kunnen blijven controleren met 'een bevolkingsgroep kleiner dan die van de stad Utrecht in 1950'. Achteraf gezien is het haast onwezenlijk dat het kleine Nederland er meer dan 300 jaar de baas kon blijven. Om uit te leggen hoe dat kon, maakt Van Reybrouck een meesterlijke vergelijking met de pakketboot Van der Wijck en haar drie dekken. Op dek één, bovenaan, leefde de Nederlandse elite. Op het tussendek vertoefde de Aziatische middenklasse. Op dek drie, onderaan, verdrong zich de massa. Er waren kleine, smalle ladders tussen de dekken, zodat een (uiterst) beperkte sociale promotie tot de mogelijkheden behoorde, maar uiteindelijk ging het om een zeer gesegregeerde maatschappij die zo georganiseerd werd dat de rijke opbrengsten (van olie, rubber, koffie, thee, specerijen...) naar Nederland vloeiden. Overigens is de Van der Wijck in 1936 onverwacht snel gezonken in de Javazee. Dat gold ook voor het Nederlandse koloniale model, dat in 1945 op de klippen liep zonder dat iemand in Den Haag daar erg in had - dat besef kwam er uiteindelijk pas in 1949. Tussen de eenzijdige proklamasi of onafhankelijkheidsverklaring van de Indonesische leiders Sukarno en Hatta op 17 augustus 1945 en de officiële 'soevereiniteitsoverdracht' door koningin Wilhelmina in december 1949 lagen vier jaren van bloedige strijd. Dat Van Reybrouck meer begrip opbrengt voor het geweld van de vaak piepjonge Indonesische onafhankelijkheidsstrijders - dat gebeurt nu eenmaal tijdens 'Franse Revolutieachtige' omwentelingen - dan voor het Nederlandse militaire geweld, valt bij onze noorderburen nog altijd niet gemakkelijk. Dat blijkt zelfs uit de (positieve) recensie van de ervaren Indonesiëkenner Michel Maas afgelopen weekend in de Volkskrant. Aan de ene kant legt Van Reybrouck uit hoe jonge opstandelingen Europese mannen, vrouwen en kinderen aan hun aangepunte bamboestokken regen 'zoals je vlees op een satestokje schuift', noteert Maas. Van Reybrouck noemt de techniek weliswaar 'wreed', maar legt uit dat dit 'het mythische wapen van de revolusi' was, 'het embleem van een collectieve strijd, het ultieme bewijs dat de nieuwe staat geen eliteproject was, maar de uitdrukking van een breed gedragen volksverlangen naar zelfstandigheid': overal in Indonesië groeide bamboe, iedereen die de Nederlanders wilde bekampen, hoefde zijn stokken maar te scherpen. Op de een of andere manier lijken de misdaden van de Nederlandse soldaten inderdaad erger - juist omdat de lezers dergelijk gedrag van de eigen 'jongens' niet verwachten, en misschien niet voor mogelijk houden. Van Reybrouck beschrijft in haast klinische passages hoe Nederlandse soldaten gevangenen opdroegen om 'te gaan pissen in de kali (rivier)', waarna ze hen in de rug schoten - zogezegd om een vluchtpoging te verijdelen. In brieven naar huis had een typist het over wreedheden bij ondervragingen: 'Een man aan een paal gebonden, hoofd achterover, in de zon kijkend... Over rijen liggende gevangenen lopen... Elke dag trappen en slaan... Vrouwen laten ontkleden... Veldtelefoon aan penis en oor... Urine laten lopen, weer laten oplikken...' Een andere soldaat zag 'een jongen die een schot precies in zijn aars had gekregen en dat in de onderbuik weer naar buiten kwam'. Enzovoort. Michel Maas: 'Van Reybrouck noteert het zonder verwijt, en dat maakt het alleen maar onthutsender.' Het is geen toeval dat David Van Reybrouck minder drama maakt van de wreedheden op geïnterneerde Nederlanders in de 'jappenkampen' tijdens de Tweede Wereldoorlog dan menig Nederlands auteur zou doen. Van Reybrouck verklaart die aanpak aan Knack: 'De reden daarvoor is demografisch. Er zaten 100.000 Nederlanders in de Japanse kampen. Er zaten dubbel zo veel Indische Nederlanders daarbuiten, de zogenaamde "buitenkampers". Pas nu komt er aandacht voor hen: alsof zij niet geleden zouden hebben. Zeker, er zijn weinig Europese landen waarvan 100.000 inwoners jarenlang in kampen werden opgesloten zoals dat gebeurd is in die Japanse kampen. 13.000 Nederlanders zijn toen gestorven, dat is niet niets. Toch blijft het essentieel om tegelijk te blijven kijken naar die 70 miljoen Indonesiërs. Daarvan zijn er in diezelfde periode 4 miljoen omgekomen tijdens een hongersnood waarover nooit geschreven wordt. Ik heb er bewust voor gekozen om die verhoudingen in perspectief te plaatsen.' Van Reybrouck houdt het Nederlandse publiek met Revolusi een spiegel voor waarin het niet altijd aangenaam kijken zal zijn. Af en toe overdrijft hij in zijn sympathie voor het nieuwe Indonesië. De Bandungconferentie van 1955 - het begin van de latere beweging van ongebonden landen - wordt neergezet als een providentiële gebeurtenis die zowat de as van de aarde deed verschuiven. Dat is te veel eer voor een samenkomst die weliswaar een aantal historische leiders samenbracht - Gamal Abdel Nasser (Egypte) was er, Zhou Enlai (China), Jawaharlal Nehru (India), en natuurlijk de Indonesische gastheer Sukarno zelf. Maar op de grote mondiale ontwikkelingen was de langetermijninvloed van Bandung hoogst beperkt, op z'n best. Van Reybrouck ziet dat anders. Toen Sukarno in 1965 door generaal Suharto in eigen land aan de kant werd geschoven, was dat volgens hem 'de eerste grote, door Amerika gesteunde regimewissel van de Koude Oorlog'. Nochtans waren de Amerikanen in Indonesië niet aan hun proefstuk toe. Al in 1953-1954 had president Dwight Eisenhower in Guatemala de linkse president Jacobo Arbenz Guzman laten afzetten door een militaire junta. Dat scenario herhaalde zich in 1964 in Brazilië, toen de VS een militaire coup steunde tegen president João Goulart, meteen het laatste progressieve staatshoofd in dat land tot de aantreding van Luiz Lula da Silva in 2003. Een auteur van het kaliber van Van Reybrouck zou zich door zijn enthousiasme niet moeten laten verblinden tot het punt dat hij feitelijke fouten begint te maken. Hij heeft geen overdrijvingen nodig in dit ijzersterke en bij vlagen weergaloze betoog. Maar misschien is het eigen aan een boek dat geschreven is in tijden van wokeness: dat de nuchtere geschiedschrijving af en toe verlaten wordt voor enig gedweep en dramatisering.