Als er iets is dat na corona niet heropgebouwd moet worden, dan is het de denkbeeldige muur tussen politiek en economie. Toen de wereld meer dan een jaar geleden stilviel, werd duidelijk hoe onmisbaar de ruggensteun van een overheid is, zeker in tijden van crisis. De Europese instellingen spelen een hoofdrol in het economisch relancebeleid. De Europese Commissie tuigde een ongezien investeringsfonds ter waarde van 750 miljard euro op, en de Europese Centrale Bank (ECB) twijfelde - anders dan in 2009 - geen moment om het groot geschut boven te halen, en de markten aan te zwengelen door miljarden aan overheids- en particuliere schulden over te kopen.

Kort na het uitbreken van de pandemie werd ook de zogenaamde ontsnappingsclausule uit het Europese Stabiliteits- en Groeipact geactiveerd. Deel van dat pact zijn de Europese begrotingsregels, die nationale overheden binden aan een aantal strenge voorwaarden. De staatsschulden van Europese lidstaten mogen niet boven 60% van het bruto binnenlands product (bbp) stijgen, en het begrotingstekort mag maximaal 3% van het bbp bedragen. Een effectief investerings- en herstelbeleid zou binnen dat kader onmogelijk zijn.

De ontsnappingsclausule geeft overheden de ruimte tot 2023 om werkgelegenheid en welvaart op peil te brengen door extra overheidsinvesteringen, zonder daarvoor op de vingers getikt te worden door de Europese Commissie. Maar wat daarna? Terug naar de heilige regels van 60 en 3%? Tot nog toe hebben die de Europese landen vooral uit elkaar gespeeld. De ontsnappingsclausule is een window of opportunity, waarin een nieuw, toekomstbestendig Europees begrotingskader uitgedacht moet worden.

Nu of nooit voor nieuwe Europese begrotingsregels.

Louise Hoon

Het economisch idee achter de begrotingsregels, is dat ze de ups en downs van de economie temperen. In goede tijden zouden ze regeringen moeten aanzetten tot het opbouwen van reserves, die ze in zware tijden kunnen inzetten om de economie te stimuleren.

In de praktijk deden ze het tegenovergestelde. Voor het uitbreken van de financiële crisis in 2008 werden de begrotingsregels nauwelijks afgedwongen. Geen haan die kraaiden naar de schulden die landen als Griekenland, Spanje en Italië opstapelden, aangezien een groot deel ervan te wijten was aan import en dure kredieten uit Europese kernlanden als Duitsland en Nederland.

Pas toen het economisch niet meer voor de wind ging, was het ieder voor zich. De schulden van Zuid-Europese landen explodeerden, financiële markten speculeerden op hun ondergang en de rente die ze moesten ophoesten steeg tot astronomische hoogten. Deze landen bungelden aan de rand van faillissement, maar schuldverlichting bleef voor de kernlanden onbespreekbaar. Enkel in ruil voor totale onderwerping aan de strenge Europese begrotingsregels, kwamen er uiteindelijk Europese steunprogramma's.

Tussen 2009 en 2021 werd bijna een vijfde van de Griekse begroting weggesneden. Die besparingen hebben economisch herstel niet alleen verhinderd, maar een tweede, diepe recessie veroorzaakt. De werkloosheid ging door het dak, en de staatschuld steeg tot nieuwe, ongeziene hoogten. Extreemrechtse en eurosceptische partijen kapitaliseerden in het Zuiden op de maatschappelijke ellende die de bezuinigingen aanrichtten en in het Noorden op een verhaal over transfers van hardwerkende, ijverige lidstaten naar luie levensgenieters.

Het debacle zaaide ook diepe politieke verdeeldheid tussen Europese regeringen, die heel binnenkort opnieuw zal opspelen. Dat valt af te lezen aan de verschillen tussen huidige staatsschulden. Voor Nederland bedraagt die 54% van het bbp, voor België meer dan het dubbele (119%) en voor Griekenland maar liefst 209%.

De rijkere landen zullen aandringen op snelle terugkeer naar de strikte begrotingsdiscipline, en besparingen en 'structurele hervormingen' eisen van anderen. Al zijn ze in de minderheid, ze staan bijzonder machtig omdat hun kredietwaardigheid cruciaal is voor de leningen die het Europees investeringsfonds spijzen.

Net als in de vorige crisis, zullen de rijke lidstaten volhouden dat begrotingsdiscipline gestoeld is op economisch inzicht en de wens om zwakkere economieën tegen te beschermen tegen hun eigen spilzucht. Maar ze plukken vooral zelf de vruchten van het kader, dat hen past als een gladgestreken maatpak en andere landen in een onmogelijk keurslijf dwingt.

Dat zit zo. De grootste Europese bedrijven vestigen hun hoofdkantoren in de kenniseconomieën, waar de goedbetaalde bureaujobs en economische groei genereren, en ook hun belastingen betalen. De vervuilende, arbeidsintensieve en infrastructuur belastende productie van diezelfde bedrijven, vindt plaats in de periferie, vanwege lage lonen en productiekosten. Die activiteiten leggen een hoge last op de leefomgeving, de publieke infrastructuur en beroepsbevolking, maar worden niet compenseert via belastingbijdragen.

Tegelijkertijd verhindert de begrotingsdiscipline overheden in de periferie te investeren in hun lokale economie en infrastructuur. Dat zou de werkgelegenheid kunnen aanzwengelen, en de lonen doen stijgen. De bezuinigingen kosten lokale bedrijven de kop, waardoor de periferie afhankelijk blijft van dure import en schulden opbouwt bij, jawel, de kernlanden. Terwijl de periferie een cruciale bijdrage levert aan de Europese welvaart, draait ze meermaals op voor de rekening ervan.

Ondertussen zijn grootmachten als China en Rusland gretig in de bres gesprongen om de scheuren in de Europese periferie met poen te lijmen. In het kapot bezuinigde Zuiden tikten ze aan spotprijzen openbare infrastructuur op de kop, met de Pireaus haven in Athene als meest ontluisterende voorbeeld. Met dit soort projecten hadden lokale overheden, ondernemingen en werknemers hun winst kunnen tellen, als ze niet versmacht waren door de Europese begrotingsregels.

Een alternatief, flexibel begrotingskader moet de perverse kloof tussen kern en periferie dichten. Met oog op de toekomst, zou het indicatoren van duurzaamheid en ongelijkheid minstens even prioritair kunnen stellen als economische groei. Een hele opgave voor 2023, maar als we de verbeeldingskracht nu niet kunnen opbrengen, wanneer dan wel?

Als er iets is dat na corona niet heropgebouwd moet worden, dan is het de denkbeeldige muur tussen politiek en economie. Toen de wereld meer dan een jaar geleden stilviel, werd duidelijk hoe onmisbaar de ruggensteun van een overheid is, zeker in tijden van crisis. De Europese instellingen spelen een hoofdrol in het economisch relancebeleid. De Europese Commissie tuigde een ongezien investeringsfonds ter waarde van 750 miljard euro op, en de Europese Centrale Bank (ECB) twijfelde - anders dan in 2009 - geen moment om het groot geschut boven te halen, en de markten aan te zwengelen door miljarden aan overheids- en particuliere schulden over te kopen. Kort na het uitbreken van de pandemie werd ook de zogenaamde ontsnappingsclausule uit het Europese Stabiliteits- en Groeipact geactiveerd. Deel van dat pact zijn de Europese begrotingsregels, die nationale overheden binden aan een aantal strenge voorwaarden. De staatsschulden van Europese lidstaten mogen niet boven 60% van het bruto binnenlands product (bbp) stijgen, en het begrotingstekort mag maximaal 3% van het bbp bedragen. Een effectief investerings- en herstelbeleid zou binnen dat kader onmogelijk zijn. De ontsnappingsclausule geeft overheden de ruimte tot 2023 om werkgelegenheid en welvaart op peil te brengen door extra overheidsinvesteringen, zonder daarvoor op de vingers getikt te worden door de Europese Commissie. Maar wat daarna? Terug naar de heilige regels van 60 en 3%? Tot nog toe hebben die de Europese landen vooral uit elkaar gespeeld. De ontsnappingsclausule is een window of opportunity, waarin een nieuw, toekomstbestendig Europees begrotingskader uitgedacht moet worden. Het economisch idee achter de begrotingsregels, is dat ze de ups en downs van de economie temperen. In goede tijden zouden ze regeringen moeten aanzetten tot het opbouwen van reserves, die ze in zware tijden kunnen inzetten om de economie te stimuleren. In de praktijk deden ze het tegenovergestelde. Voor het uitbreken van de financiële crisis in 2008 werden de begrotingsregels nauwelijks afgedwongen. Geen haan die kraaiden naar de schulden die landen als Griekenland, Spanje en Italië opstapelden, aangezien een groot deel ervan te wijten was aan import en dure kredieten uit Europese kernlanden als Duitsland en Nederland. Pas toen het economisch niet meer voor de wind ging, was het ieder voor zich. De schulden van Zuid-Europese landen explodeerden, financiële markten speculeerden op hun ondergang en de rente die ze moesten ophoesten steeg tot astronomische hoogten. Deze landen bungelden aan de rand van faillissement, maar schuldverlichting bleef voor de kernlanden onbespreekbaar. Enkel in ruil voor totale onderwerping aan de strenge Europese begrotingsregels, kwamen er uiteindelijk Europese steunprogramma's.Tussen 2009 en 2021 werd bijna een vijfde van de Griekse begroting weggesneden. Die besparingen hebben economisch herstel niet alleen verhinderd, maar een tweede, diepe recessie veroorzaakt. De werkloosheid ging door het dak, en de staatschuld steeg tot nieuwe, ongeziene hoogten. Extreemrechtse en eurosceptische partijen kapitaliseerden in het Zuiden op de maatschappelijke ellende die de bezuinigingen aanrichtten en in het Noorden op een verhaal over transfers van hardwerkende, ijverige lidstaten naar luie levensgenieters.Het debacle zaaide ook diepe politieke verdeeldheid tussen Europese regeringen, die heel binnenkort opnieuw zal opspelen. Dat valt af te lezen aan de verschillen tussen huidige staatsschulden. Voor Nederland bedraagt die 54% van het bbp, voor België meer dan het dubbele (119%) en voor Griekenland maar liefst 209%. De rijkere landen zullen aandringen op snelle terugkeer naar de strikte begrotingsdiscipline, en besparingen en 'structurele hervormingen' eisen van anderen. Al zijn ze in de minderheid, ze staan bijzonder machtig omdat hun kredietwaardigheid cruciaal is voor de leningen die het Europees investeringsfonds spijzen.Net als in de vorige crisis, zullen de rijke lidstaten volhouden dat begrotingsdiscipline gestoeld is op economisch inzicht en de wens om zwakkere economieën tegen te beschermen tegen hun eigen spilzucht. Maar ze plukken vooral zelf de vruchten van het kader, dat hen past als een gladgestreken maatpak en andere landen in een onmogelijk keurslijf dwingt. Dat zit zo. De grootste Europese bedrijven vestigen hun hoofdkantoren in de kenniseconomieën, waar de goedbetaalde bureaujobs en economische groei genereren, en ook hun belastingen betalen. De vervuilende, arbeidsintensieve en infrastructuur belastende productie van diezelfde bedrijven, vindt plaats in de periferie, vanwege lage lonen en productiekosten. Die activiteiten leggen een hoge last op de leefomgeving, de publieke infrastructuur en beroepsbevolking, maar worden niet compenseert via belastingbijdragen.Tegelijkertijd verhindert de begrotingsdiscipline overheden in de periferie te investeren in hun lokale economie en infrastructuur. Dat zou de werkgelegenheid kunnen aanzwengelen, en de lonen doen stijgen. De bezuinigingen kosten lokale bedrijven de kop, waardoor de periferie afhankelijk blijft van dure import en schulden opbouwt bij, jawel, de kernlanden. Terwijl de periferie een cruciale bijdrage levert aan de Europese welvaart, draait ze meermaals op voor de rekening ervan. Ondertussen zijn grootmachten als China en Rusland gretig in de bres gesprongen om de scheuren in de Europese periferie met poen te lijmen. In het kapot bezuinigde Zuiden tikten ze aan spotprijzen openbare infrastructuur op de kop, met de Pireaus haven in Athene als meest ontluisterende voorbeeld. Met dit soort projecten hadden lokale overheden, ondernemingen en werknemers hun winst kunnen tellen, als ze niet versmacht waren door de Europese begrotingsregels. Een alternatief, flexibel begrotingskader moet de perverse kloof tussen kern en periferie dichten. Met oog op de toekomst, zou het indicatoren van duurzaamheid en ongelijkheid minstens even prioritair kunnen stellen als economische groei. Een hele opgave voor 2023, maar als we de verbeeldingskracht nu niet kunnen opbrengen, wanneer dan wel?