Boris Johnson kreeg afgelopen weekend als eerste Europese leider een telefoontje van Joe Biden, maar het brandpunt van het Amerikaanse buitenlandbeleid ligt elders. Net zoals Donald Trump en Barack Obama kijkt de nieuwe president vooral naar China, en daar zijn goede redenen voor. Maandag kwam The Wall Street Journal met het bericht dat China in coronajaar 2020 de meeste zogenaamde 'directe buitenlandse investeringen' binnenhaalde ter wereld, ongeveer twintig procent meer dan de Verenigde Staten. Dat zijn investeringen van buitenlandse bedrijven die ondernemingen in het land in kwestie opstarten of lokale bedrijven overnemen. Ze geven een indicatie van hoe aantrekkelijk een land is op de wereldmarkt. In het geval van China: aantrekkelijk, dus. Dit tussensprintje heeft Peking van Washington gewonnen.
...

Boris Johnson kreeg afgelopen weekend als eerste Europese leider een telefoontje van Joe Biden, maar het brandpunt van het Amerikaanse buitenlandbeleid ligt elders. Net zoals Donald Trump en Barack Obama kijkt de nieuwe president vooral naar China, en daar zijn goede redenen voor. Maandag kwam The Wall Street Journal met het bericht dat China in coronajaar 2020 de meeste zogenaamde 'directe buitenlandse investeringen' binnenhaalde ter wereld, ongeveer twintig procent meer dan de Verenigde Staten. Dat zijn investeringen van buitenlandse bedrijven die ondernemingen in het land in kwestie opstarten of lokale bedrijven overnemen. Ze geven een indicatie van hoe aantrekkelijk een land is op de wereldmarkt. In het geval van China: aantrekkelijk, dus. Dit tussensprintje heeft Peking van Washington gewonnen. En eigenlijk mag dat niemand meer verrassen. Toen het Internationaal Monetair Fonds China in 2014 uitriep tot de grootste economie van de wereld, moesten we volgens verontwaardigde Amerikaanse experts kritisch kijken naar de cijfers van het IMF, waarin correcties waren aangebracht voor de lage lonen en kosten in China. Maar het land bleef ook de jaren erna groeien, ook al was het trager dan voorheen. De kordate aanpak van de corona-epidemie - een voordeel van de nachtmerrie die 'dictatuur' heet - geeft president Xi Jinping nu meer wind in de zeilen. In zijn nieuwjaarstoespraak, met applaus voor de 'gewone helden' en uitspraken als 'iedereen is bijzonder', liet hij niet na aan te stippen dat China de eerste grote economie is die na de corona-uitbraak positieve groeicijfers mocht noteren. Verscheidene economen verwachten nu dat de Chinese economie de Amerikaanse zal inhalen in 2028, en het zal dan niet meer uitmaken hoe je telt. 'What doesn't kill you makes you stronger' klonk in de postcoronatoespraak van Xi minder spectaculair: 'Alleen het polijsten kan de jade fijner maken.' Maar dat wil niet zeggen dat Xi zijn macht niet wil uitbreiden. Joe Biden weet dat. Xi Jinping heeft er als volbloed alleenheerser voor gezorgd dat hij levenslang president kan blijven, maar Biden resideert ook al heel lang in het centrum van de macht. Dynastieën zijn overal, en zo komt het dat Biden Xi al in 2011 en 2012 goed leerde kennen. Ze waren toen allebei vicepresident. Biden, die als senator zijn eerste bezoek aan China aflegde in 1979, zegt vandaag dat hij in totaal al 'meer dan 20 uur' met de Chinese president heeft doorgebracht. Dat geeft meer gewicht aan zijn waarschuwing voor Xi, die hij tien jaar geleden al hard en 'onsentimenteel' noemde: 'We zullen onze handen vol hebben met die kerel.' Vandaag spreekt hij over China als een dictatuur. Angela Merkel doet dat minder, de laatste tijd. De Duitse bondskanselier trok de hele Europese Unie mee in het handelsakkoord dat we eind december, zonder ruggespraak met de Verenigde Staten, op een drafje tekenden. Zonder al te veel plichtplegingen over de rechten van de Chinese werknemer, laat staan over de concentratiekampen voor de Oeigoeren, ging de EU resoluut voor het Comprehensive Agreement on Investments, dat obstakels voor de vrijhandel uit de weg ruimt. Zelfs de bloedige repressie in Hongkong kon geen roet in het eten gooien. Het Europees Parlement moet het akkoord de komende twee jaar wel nog ratificeren, en zal daar alle tijd voor nemen. Maar dat parlement brult wel vaker erger dan het klauwt. Merkel is ervan overtuigd dat je met China beter kunt onderhandelen dan ruziemaken. Na vier jaar met een Amerikaanse bullebak in haar nek heeft ze met de Chinese deal ook een stap gezet naar een assertiever Europa, dat niet altijd wacht op de zegen van de trans-Atlantische broer. Dat is niet noodzakelijk kortzichtig. Het lijdt geen twijfel dat de EU een zakelijke relatie met China kan inzetten als hefboom om de VS onder druk te zetten. En iedereen weet dat de mensenrechten, hoe cynisch dat ook is, ook voor het hoogdravende Westen uiteindelijk niet beslissend zullen zijn. Maar moeten we toch niet iets langer discussiëren over wat we willen met China? Iets langer dan we, bijvoorbeeld, we in 2016 hebben gedebatteerd over het CETA-akkoord met Canada, wat al véél langer was dan nu? Of zijn we allang blij met een florerende Duitse auto-industrie en een bord linzen? Heeft Merkel in de Chinadeal voor Europa gekozen, of voor Volkswagen? Misschien kan Paul Magnette daar eens zijn licht over laten schijnen.