'Toen Constantin Brancusi (1876-1957) begin de twintigste eeuw in Parijs aankwam,' zo schrijft de Brits-Roemeense kunsthistorica Sanda Miller in haar biografie over de kunstenaar, 'besefte hij meteen dat fictie aantrekkelijker was dan feiten. In zijn beroemde witte atelier weefde hij een aura van mysterie rond zich.' Dat lukte wonderwel, zelfs in die mate dat de biografie die zijn vriend V.G. Paleolog kort na zijn dood schreef De heilige van Montparnasse zou heten. Vijftig jaar na dato is die hagiografische visie verlaten. Maar dat maakt zijn verhaal niet minder onwaarschijnlijk.
...