Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) kan 240 miljard euro van zijn 410 miljard euro uitkeren aan Spanje en Italië voor de financiering van hun medische noden. Daarnaast komt de Europese Investeringsbank (EIB) nog eens tussen voor 300 miljard met steun aan de ondernemingen. Hoe dat geld ooit moet terug betaald worden, is blijkbaar bijzaak.

Al die maatregelen gaan beide landen, op zijn best, in de ravijn laten hangen en ze niet laten neerstorten. In het kader van de Europese solidariteit en de harde woorden die in Rome en Madrid vielen over de toekomst van de Europese Unie wordt er op die manier nog eens geld naar het zuiden gebracht. Een cruciale vraag is de volgende: wanneer gaan die zuiderse landen eens solidair zijn met het noorden en hun begrotingen in orde brengen en hun publieke sector beter beheren?

Een centrale rol in dit alles is weggelegd voor de Nederlandse minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA), die op de rem bleef staan en ook de eurobonds kon tegenhouden. Duitsland is er ook tegen dat alle eurolanden gezamenlijk gaan lenen, zodat Italië en Spanje tegen een goedkoper tarief kunnen lenen, maar Nederland tegen een duurder tarief moet lenen. Maar de Duitsers zijn best tevreden dat Nederland daarover, samen met Finland en Oostenrijk, het hoge woord voerde.

De discussie over die eurobonds heeft trouwens ook al voor spanningen gezorgd in onze Belgische politiek. Als wij kiezen voor de eurobonds blazen we alle bruggen op met het beter draaiende deel van de EU, het noorden. De welvaart van dit oude continent gaat niet onmiddellijk in het zuiden te zoeken zijn. De discussie over die eurobonds loopt ook knal door dit zo moeilijk te besturen land.

Het financieel probleem van de Europese Unie ziet men zeer goed in de financiering van de Europese begroting. De zes oorspronkelijke leden (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) betalen vandaag nog altijd 57 procent van die begroting en de 15 leden van 1995 (de zes oorspronkelijke plus Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Spanje, Portugal, Oostenrijk, Finland en Zweden) betalen - anno 2020 - liefst 90 procent van dit budget. Met andere woorden, de ongelimiteerde uitbreidingen van de EU van deze eeuw (met Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië), waarmee het aantal EU-lidstaten op 27 kwam, hebben alleen maar veel geld gekost.

Eurobonds? België heeft er alle belang bij om de band te behouden met de noordelijke landen.

Eind 2019 bedroeg het Belgische bbp volgens Eurostat zowat 473 miljard euro. Dat komt overeen met het bedrag van onze overheidsschuld of een verhouding van 100 procent. Als dit bbp als gevolg van de coronacrisis zakt met 10 procent, dan komen uit op ongeveer 425 miljard euro. De verhouding ten aanzien van de schuld wordt dan wel 112 procent.

Die schuld gaat immens stijgen als gevolg van de tientallen miljarden die geleend worden door de overheden in dit land. Het voordeel is nog wel dat de rente laag staat, maar de ratingbureaus staan klaar om dit land onder het vergrootglas te leggen. Als men leent tot een bedrag van 540 miljard (plus 67 miljard), wat waarschijnlijk nog te weinig is, dan wordt de schuldgraad liefst 127 procent van het bbp (540 miljard schuld tegenover 425 miljard bbp).

Met andere woorden, het wordt voor vele landen een onmogelijke opdracht om die schuldgraad nog te dragen. Vandaar het nieuwe idee om de Europese Centrale Bank (ECB) een deel van de schulden te laten overnemen.

De aandelen van de nationale banken in het kapitaal van de ECB lijkt me een zeer objectief gegeven om een monetaire financiering vanuit de ECB te lanceren om die nationale schulden aan te pakken. Die aandelen in het ECB-kapitaal worden elke vijf jaar herzien en zijn deels gebaseerd op het aantal inwoners en voor de andere helft op het bbp.

Corona-moeras

Ook de niet-eurolanden moeten nu intreden in het ECB-kapitaal. Zij zijn goed voor 10,8 miljard euro en hun centrale banken hebben een gezamenlijk aandeel van 30,39 procent in de ECB, met als voornaamste de Bank of England (14,34 procent), Bank Polski (5,21 procent) en de Sveriges Riksbank (2,52 procent. De 19 eurolanden hebben nu samen een aandeel van 69,61 procent in het ECB-kapitaal. Dus moeten we het aandeel van de 19 eurolanden van 69,61 procent naar 100 procent te brengen. Dat geeft dan voor België een verhoging van 2,53 naar 3,62 procent. De Bundesbank gaat dan van 18,37 naar 26,35 procent.

De nieuwe verdeling van deze eurolanden in het ECB-kapitaal zou dan de volgende zijn:

  • Bundesbank: 26,35%
  • Banque de France: 20,39%
  • Banca d Italia : 16,93%
  • Banco de Espana : 11,96%
  • DNB: 5,82%
  • NBB: 3,62%
  • Osterreichische NB: 2,91%
  • Bank of Greece: 2,47%
  • Banco de Portugal: 2,34%
  • Finlands Bank: 1,81%
  • Bank of Ireland: 1,67%
  • Slowakije: 1,43%
  • Lithuania: 0,57%
  • Slovenië: 0,47%
  • Letland: 0,38%
  • Luxemburg: 0,31%
  • Estland: 0,27%
  • Cyprus: 0,20%
  • Malta: 0,10%

Stel dat men een bedrag van 1.500 miljard euro neemt, ongeveer 10 procent van het totale bbp van de 19 eurolanden. Dit is een aannemelijk bedrag en dat zou dan verdeeld kunnen worden over de 19 eurolanden à rato van de bovenvermelde verdeelsleutel. De Bondsrepubliek krijgt dan het meest met 592 miljard euro, Frankrijk ontvangt 305 miljard, Italië 254 miljard, Spanje 179 miljard, Nederland 87 miljard, België 54 miljard, enzoverder, tot en met Malta dat 1,5 miljard euro ontvangt.

De landen met veel schuld zullen dit bedrag zeker kunnen gebruiken. Er zal wel kritiek komen over de hoge bedragen aan de Bondsrepubliek en Nederland. Ten eerste, het kan niet zijn dat die landen nu benadeeld moeten worden voor hun saneringen van de begrotingen alsook de publieke sector. Ten tweede, de verdeling volgens de aandelen van de nationale banken in het kapitaal van de ECB heeft nog nooit ter discussie gestaan. Nederland, Oostenrijk, Finland en vooral Duitsland kunnen dan sneller de economie in de Eurozone op gang trekken. Want de zuiderse landen gaan de Eurozone niet uit het Corona-moeras trekken, dat kan enkel gebeuren door de beter bestuurde landen.

Dit land heeft er alle belang bij om de band te behouden met de noordelijke landen, want eenmaal in de zuiderse club aanbeland, komt men in het vizier van de ratingbureaus en de hogere renten. In ieder geval, crisissen zijn uitdagingen en de toestand van de overheidsbegrotingen kan nu misschien leiden tot een ernstige discussie over de kerntaken van de diverse overheden.

Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) kan 240 miljard euro van zijn 410 miljard euro uitkeren aan Spanje en Italië voor de financiering van hun medische noden. Daarnaast komt de Europese Investeringsbank (EIB) nog eens tussen voor 300 miljard met steun aan de ondernemingen. Hoe dat geld ooit moet terug betaald worden, is blijkbaar bijzaak. Al die maatregelen gaan beide landen, op zijn best, in de ravijn laten hangen en ze niet laten neerstorten. In het kader van de Europese solidariteit en de harde woorden die in Rome en Madrid vielen over de toekomst van de Europese Unie wordt er op die manier nog eens geld naar het zuiden gebracht. Een cruciale vraag is de volgende: wanneer gaan die zuiderse landen eens solidair zijn met het noorden en hun begrotingen in orde brengen en hun publieke sector beter beheren? Een centrale rol in dit alles is weggelegd voor de Nederlandse minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA), die op de rem bleef staan en ook de eurobonds kon tegenhouden. Duitsland is er ook tegen dat alle eurolanden gezamenlijk gaan lenen, zodat Italië en Spanje tegen een goedkoper tarief kunnen lenen, maar Nederland tegen een duurder tarief moet lenen. Maar de Duitsers zijn best tevreden dat Nederland daarover, samen met Finland en Oostenrijk, het hoge woord voerde.De discussie over die eurobonds heeft trouwens ook al voor spanningen gezorgd in onze Belgische politiek. Als wij kiezen voor de eurobonds blazen we alle bruggen op met het beter draaiende deel van de EU, het noorden. De welvaart van dit oude continent gaat niet onmiddellijk in het zuiden te zoeken zijn. De discussie over die eurobonds loopt ook knal door dit zo moeilijk te besturen land. Het financieel probleem van de Europese Unie ziet men zeer goed in de financiering van de Europese begroting. De zes oorspronkelijke leden (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) betalen vandaag nog altijd 57 procent van die begroting en de 15 leden van 1995 (de zes oorspronkelijke plus Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Spanje, Portugal, Oostenrijk, Finland en Zweden) betalen - anno 2020 - liefst 90 procent van dit budget. Met andere woorden, de ongelimiteerde uitbreidingen van de EU van deze eeuw (met Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië), waarmee het aantal EU-lidstaten op 27 kwam, hebben alleen maar veel geld gekost. Eind 2019 bedroeg het Belgische bbp volgens Eurostat zowat 473 miljard euro. Dat komt overeen met het bedrag van onze overheidsschuld of een verhouding van 100 procent. Als dit bbp als gevolg van de coronacrisis zakt met 10 procent, dan komen uit op ongeveer 425 miljard euro. De verhouding ten aanzien van de schuld wordt dan wel 112 procent. Die schuld gaat immens stijgen als gevolg van de tientallen miljarden die geleend worden door de overheden in dit land. Het voordeel is nog wel dat de rente laag staat, maar de ratingbureaus staan klaar om dit land onder het vergrootglas te leggen. Als men leent tot een bedrag van 540 miljard (plus 67 miljard), wat waarschijnlijk nog te weinig is, dan wordt de schuldgraad liefst 127 procent van het bbp (540 miljard schuld tegenover 425 miljard bbp). Met andere woorden, het wordt voor vele landen een onmogelijke opdracht om die schuldgraad nog te dragen. Vandaar het nieuwe idee om de Europese Centrale Bank (ECB) een deel van de schulden te laten overnemen. De aandelen van de nationale banken in het kapitaal van de ECB lijkt me een zeer objectief gegeven om een monetaire financiering vanuit de ECB te lanceren om die nationale schulden aan te pakken. Die aandelen in het ECB-kapitaal worden elke vijf jaar herzien en zijn deels gebaseerd op het aantal inwoners en voor de andere helft op het bbp. Ook de niet-eurolanden moeten nu intreden in het ECB-kapitaal. Zij zijn goed voor 10,8 miljard euro en hun centrale banken hebben een gezamenlijk aandeel van 30,39 procent in de ECB, met als voornaamste de Bank of England (14,34 procent), Bank Polski (5,21 procent) en de Sveriges Riksbank (2,52 procent. De 19 eurolanden hebben nu samen een aandeel van 69,61 procent in het ECB-kapitaal. Dus moeten we het aandeel van de 19 eurolanden van 69,61 procent naar 100 procent te brengen. Dat geeft dan voor België een verhoging van 2,53 naar 3,62 procent. De Bundesbank gaat dan van 18,37 naar 26,35 procent. De nieuwe verdeling van deze eurolanden in het ECB-kapitaal zou dan de volgende zijn:Stel dat men een bedrag van 1.500 miljard euro neemt, ongeveer 10 procent van het totale bbp van de 19 eurolanden. Dit is een aannemelijk bedrag en dat zou dan verdeeld kunnen worden over de 19 eurolanden à rato van de bovenvermelde verdeelsleutel. De Bondsrepubliek krijgt dan het meest met 592 miljard euro, Frankrijk ontvangt 305 miljard, Italië 254 miljard, Spanje 179 miljard, Nederland 87 miljard, België 54 miljard, enzoverder, tot en met Malta dat 1,5 miljard euro ontvangt.De landen met veel schuld zullen dit bedrag zeker kunnen gebruiken. Er zal wel kritiek komen over de hoge bedragen aan de Bondsrepubliek en Nederland. Ten eerste, het kan niet zijn dat die landen nu benadeeld moeten worden voor hun saneringen van de begrotingen alsook de publieke sector. Ten tweede, de verdeling volgens de aandelen van de nationale banken in het kapitaal van de ECB heeft nog nooit ter discussie gestaan. Nederland, Oostenrijk, Finland en vooral Duitsland kunnen dan sneller de economie in de Eurozone op gang trekken. Want de zuiderse landen gaan de Eurozone niet uit het Corona-moeras trekken, dat kan enkel gebeuren door de beter bestuurde landen. Dit land heeft er alle belang bij om de band te behouden met de noordelijke landen, want eenmaal in de zuiderse club aanbeland, komt men in het vizier van de ratingbureaus en de hogere renten. In ieder geval, crisissen zijn uitdagingen en de toestand van de overheidsbegrotingen kan nu misschien leiden tot een ernstige discussie over de kerntaken van de diverse overheden.