Laurens De Brucker

‘Dat ecocide opgenomen werd in het strafrecht, is minder verrassend dan het lijkt’

Laurens De Brucker Doctoraal onderzoeker KU Leuven en advocaat milieu- en energierecht

Advocaat Laurens De Brucker staat stil bij de opname van ecocide in het strafrecht, en de reacties die op dat nieuws kwamen.

Naar aanleiding van de opname van ecocide als misdrijf in het nieuwe Belgische Strafwetboek, trokken enkele flamingante advocaten en juristen onlangs sterk van leer op sociale media. Her en der regende het namelijk aantijgingen dat de federale overheid met de erkenning van ecocide zijn bevoegdheden te buiten zou gaan en de gewestelijke bevoegdheden inzake leefmilieu manifest zou miskennen.

Dienaangaande stelt zich de vraag of deze fulminerende rechtsbeoefenaars met de voormelde stellingname op een terechte nagel kloppen, dan wel of zij de bal volledig misslaan. Op het eerste gezicht lijkt het de tweede hypothese te zijn die zich manifesteert.

De Belgische bevoegdheidsverdeling is gestoeld op het exclusiviteitsbeginsel. Dit houdt in dat elke rechtssituatie in beginsel door één wetgever wordt geregeld en dat de bevoegdheden van de federale overheid en die van de gefedereerde entiteiten elkaar uitsluiten. De voormelde exclusiviteit, die ook van toepassing is in het kader van de uitoefening van bevoegdheden door de deelstaten onderling, heeft zowel een materiële als een territoriale dimensie.

Wat de strafbaarstelling van ecocide betreft, moet worden vastgesteld dat enige daarmee verband houdende bevoegdheid niet uitdrukkelijk als zodanig wordt toegewezen aan een welbepaald bevoegdheidsniveau. De vraag stelt zich dan ook onder welk bevoegdheidsdomein deze aangelegenheid moet worden ingebed.

Aangezien ecocide uitstaans heeft met het penaliseren van ongeoorloofde (of moedwillige) en doelbewuste daden die, individueel of cumulatief, grootschalige ecologische rampen veroorzaken, springt vooreerst het materieel strafrecht als bevoegdheidsdomein in het oog. Het materieel strafrecht, dat zowel de bevoegdheid omvat om de niet-naleving van wettelijke bepalingen strafbaar te stellen, als de straffen in dat verband te bepalen, valt principieel binnen de residuaire bevoegdheden van de federale overheid, zodat deze op het eerste gezicht over de nodige kompetenz beschikt.

Ecocide kan evenwel ook worden gelinkt aan natuurbehoud en (de bescherming van) het leefmilieu, zijnde bevoegdheden die, behoudens enkele aan de federale overheid voorbehouden uitzonderingen, op grond van de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen aan de gewesten werden toegewezen.

Zowel in het bevoegdheidsarsenaal van de federale overheid, als in dat van de gewesten kunnen er met andere woorden bevoegdheidstechnische aanknopingspunten worden aangetroffen.

In dergelijk geval dient de door het Grondwettelijk Hof ontwikkelde zwaartepuntsleer te worden toegepast. Deze doctrine houdt in dat wanneer een rechtsnorm aanleunt bij meerdere bevoegdheidsmateries moet worden onderzocht waar zich het werkelijke zwaartepunt van de geregelde rechtssituatie situeert.

Toegepast op ecocide, lijkt in dat verband te moeten worden vastgesteld dat het zwaartepunt van deze aangelegenheid toch eerder materieel strafrechtelijk van aard is.

Zulks blijkt vooreerst uit het gegeven dat de Commissie tot hervorming van het strafrecht in haar toelichting bij het voorstel tot de invoering van ecocide als misdrijf duidelijk aanknopingspunten zoekt in schendingen van het internationaal humanitair recht en in dat licht tot het besluit komt dat de federale overheid het competente bevoegdheidsniveau betreft.

Deze conclusie mag geenszins doen verbazen. Ook andere misdrijven met een internationale en humanitaire grondslag, zoals bijvoorbeeld de in het Statuut van Rome bepaalde misdaad van milieuoorlogsvoering, werden door de federale overheid in het verleden reeds strafbaar gesteld in het Belgische Strafwetboek.

Bovendien lijkt de mogelijkheid voor de federale overheid om ecocide als misdrijf in te voeren ook uitdrukkelijk besloten te liggen in de bevoegdheid met betrekking tot het materieel strafrecht zelf. De residuaire bevoegdheid inzake het materieel strafrecht omvat voor de federale overheid immers de mogelijkheid om strafbepalingen met een algemene draagwijdte uit te vaardigen, ongeacht of deze verband houden met aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de gemeenschappen of gewesten ressorteren.

Ten slotte lijkt ook het (gewest)grensoverschrijdende karakter van ecocide enigszins in de weg te staan aan de uitoefening van gewestelijke bevoegdheden. Het territorialiteitsbeginsel verhindert immers principieel dat de gewesten hun bevoegdheden buiten hun grondgebied aanwenden.

Hoewel ecocide aldus in zekere mate gekoppeld kan worden aan de gewestelijke bevoegdheden inzake leefmilieu en natuurbehoud, lijkt dit nieuwbakken misdrijf toch eerder aan te leunen bij de residuaire materiele strafrechtelijke bevoegdheden van de federale overheid.

In dat licht dient bijgevolg ook te moeten worden vastgesteld dat de overtuiging dat de invoering van ecocide als misdrijf een onrechtmatige bevoegdheidsoverschrijding in hoofde van de federale overheid zou omvatten, niets meer dan ongefundeerde populistische retoriek betreft, die een weergave vormt van welbepaalde politieke overtuigingen, doch geen steun vindt in de Belgische bevoegdheidsverdelende regels.

Laurens De Brucker is doctoraal onderzoeker KU Leuven Centre for Public Law, en advocaat milieu-en energierecht.

Partner Content