Wim Opbrouck en Wim Willaert vieren 30 jaar De Dolfijntjes: ‘Onze muziek is een Disneyland voor volwassenen’

WIM WILLAERT ‘Mijn ontmoeting met Wim was levensbepalend. Sindsdien is hij mijn bloedbroeder.’ © DIEGO FRANSSENS

Dertig jaar. Het is een jubileum dat weinig muziekbands halen. Maar De Dolfijntjes, het geesteskind van acteurs Wim Opbrouck en Wim Willaert, hebben altijd gezworen dat ze doorgaan tot er eentje sterft. ‘Onze maximale onnozelheid is een bloedernstige zaak.’

Ze zitten nog te lunchen, de twee Wimmen. Vanavond zullen ze hier, in het Concertgebouw van Brugge, met de zes andere Dolfijntjes spelen voor de Brugse vrijwilligerscentrale. Ze zijn verwikkeld in een geanimeerd gesprek dat eindigt met de bulderlach van Wim Willaert. Even later wandelt hij ons voorbij. ‘Nog één sigaretje.’ De andere Wim gaat alvast zitten. Hij pakt hun nieuwe plaat vast, Verre rien, en begint die net niet te aaien, alsof het zijn pasgeboren kind betreft. ‘Ik ben er echt ontzettend trots op.’ Op de cover pronkt een schilderij van Kamagurka, ‘Durbuy-Merelbeke-Durbuy’. Een fietser die versmelt met het landschap en de lucht, en zwoegt tegen de wind. ‘Wim en ik zijn ongelofelijk geïnspireerd door Kamagurka en Herr Seele. Hun absurdisme, maar ook het filosofische daaronder, dat is simpelweg geniaal. Maar als je dit werk zou tonen aan de gemiddelde Kamagurka-kenner, zou hij niet kunnen raden van wie het is. Het is een prachtige, atypische mix van Roger Raveel en René Magritte. En fietsen is natuurlijk überhip tegenwoordig, dus wij mikken op wielertoeristen die massaal onze plaat kopen. Het ideale lokmiddel!’

Bij dezen willen we in de landelijke pers benadrukken dat De Dolfijntjes een antinaam is, net als De Rollende Stenen, De Deuren of De Kevers.

Willaert komt erbij zitten. ‘Wim verwoordt dat perfect. Wij hebben inderdaad zo’n verleden met Kama. Bij mij thuis – een echt CVP-nest – was Humo verboden. Veel te linksie-winksie. Maar mijn zus kocht die stiekem toch. En ze had ook een boekje van Kamagurka, Het ruikt hier naar onzin. Dat was mijn jeugd.’ Kamagurka is maar een van hun vele gemeenschappelijke helden. Toen de twee Wimmen elkaar ontmoetten op Studio Herman Teirlinck sloeg de vonk meteen over. ‘Het was een groot geluk bij een ongeluk’, glundert Willaert. ‘In mijn eerste jaar was ik niet geslaagd, dus moest ik dat opnieuw doen. Toen zat ik bij Wim in de klas. Ze zeggen vaak dat scholen ontmoetingsplaatsen zijn. Wel, mijn ontmoeting met Wim was levensbepalend. Sindsdien is hij mijn bloedbroeder.’

De twee hingen aan de lippen van hun muziekdocenten en wilden alles zelf ervaren: net als John Cage een piano vertimmeren met schroeven en bouten, of Le Mystère des Voix Bulgares imiteren. ‘Wij slorpten dat allemaal op en probeerden alles uit’, lacht Opbrouck. ‘Van James Brown tot Verdi en T.C. Matic. Of weet je nog, Wim, die keer toen we in Engeland iemand Puff the Magic Dragon hoorden zingen?’ Het folkliedje wordt ingezet, met diepe baritons. ‘Iemand anders vindt dat waarschijnlijk vreselijk, maar wij zijn daar verzot op.’

‘Wim en Wim, het is tijd’

Toen Opbrouck op een dag in een café twee Taiwanese accordeons op de kop kon tikken (‘6000 frank, dat was niets, zelfs voor die tijd’) waren de twee ook muzikaal helemaal vertrokken. ‘Wij zaten tot tien uur ’s avonds in de toneelschool liedjes te maken, ergens in een keldertje, tot de conciërge ons naar huis stuurde. “Wim en Wim, het is tijd.” Zo ging dat toen al. En dan speelden we op ons kot verder.’ Opbrouck speelde al sinds zijn veertiende in een groepje in Harelbeke en nam Willaert mee. ‘Wat daar toen gebeurde, zo’n klik, dat heb ik nadien nooit meer meegemaakt. Wij improviseerden soms totaal weg van een nummer, tot we vergaten waar het ooit begonnen was.’ Hun eerste optreden was op het verjaardagsfeest van een vriend, maar nadien hebben ze naar eigen zeggen ‘de hele rock-’n-roll doorlopen’. Van een trouw, braderieën, cafés, premières – ‘weet je nog die ene, Wim, van Guy Cassiers in Rotterdam? Guy Cassiers!’ – tot de befaamde biertent van Dranouter – ‘daar hadden ze nog nooit zo’n groot debiet gehad’ – en de Beursschouwburg in Brussel. ‘Dat was ons eerste grote concert.’

Repeteren deden ze jarenlang in een schooltje in Harelbeke, waar Opbrouck als kind zelf op de schoolbanken zat. ‘In de refter schoven we ’s avonds de tafels aan de kant, zodat wij daar konden spelen. Je kon er het eten van ’s middags vaak nog ruiken.’ Het is in die refter dat hun groepsnaam ontstond, vertelt Willaert. ‘Het is een beetje beschamend, maar de eerste nummers die we maakten, waren allemaal in do en fa. Maar de Dofa’tjes klonk niet zo goed. De muur van die refter was beschilderd met dolfijnen, dus de keuze was eenvoudig.’ Gespeeld plechtig buigt Opbrouck naar voren en richt zich tot de dictafoon op tafel. ‘Bij dezen willen we graag in de landelijke pers benadrukken dat het vooral om een antinaam gaat. Het is dus niet zomaar willekeurig gekozen. In die periode had je in Nederland de punkband De Heideroosjes: geweldig toch! En ook Engelstalige bands konden er wat van. De Rollende Stenen, De Deuren, De Kevers, De Apen… Wij volgden dus die trend.’

Schlagers verpunken

Ze begonnen als prille twintigers, intussen zijn ze de vijftig voorbij. ‘Dertig jaar carrière, da’s eigenlijk tijd om met pensioen te gaan’, zucht Opbrouck. ‘Maar ik citeer graag Arno: het is mijn fitness.’ Wie ooit een concert van De Dolfijntjes meemaakte, zal het beamen: de heren vertoeven een paar uur lang in extase en zwepen hun publiek ongenadig op. ‘In onze beginjaren hebben we eens een kroegentocht gedaan’, vertelt Willaert. ‘Het was de bedoeling dat het publiek van café tot café zou trekken, maar iedereen bleef bij ons plakken. We speelden vier uur aan een stuk. Onze energie leek toen eindeloos. En die energie is er nog altijd, maar vier uur zouden we nu toch niet meer halen, vrees ik.’ Ook de muziek is geëvolueerd, zegt Opbrouck. ‘In onze beginjaren speelden we vooral riffs, waarop we dan teksten door elkaar mixten, heel associatief. We begonnen te spelen en ik zong gewoon wat in mij opkwam.’

Drink nog één, drink nog één, een Bacardi-cola of een koele witte wijn.’ U hoeft niet te twijfelen aan de rijmtalenten van de heer Opbrouck: in het West-Vlaams klopt het perfect.

Veel mensen dachten dat De Dolfijntjes een coverband waren, maar ook dat moet bij dezen officieel worden rechtgezet. ‘We gebruiken wel andere nummers, maar zetten die dan op een compleet nieuw akkoordenschema’, legt Willaert uit. ‘Soms lijken dat onnozele schlagers, zoals Leve de liefde van Marva. Maar eigenlijk is die tekst heel mooi. Bij ons wordt dat een prachtig liefdeslied. Het publiek blijft dat zingen, ook als wij allang gestopt zijn.’ Van een carnavalslied een ernstige ballad maken, ze doen het wel vaker. ‘Maar de nummerkeuze is cruciaal’, zegt Opbrouck. ‘Soms sturen mensen mij nummers door: “Dit is echt iets voor De Dolfijntjes.”Maar meestal zitten ze ernaast. Het is een moeilijk evenwicht. Maar een schlager met een bloedserieuze tekst compleet verpunken: dat doen wij het liefst.’

Pizza Hawaï

De laatste jaren schrijft Opbrouck die bloedserieuze en andere teksten bijna allemaal zelf. Zoals Verre rien, het titelnummer van de nieuwe plaat. Voor u zich vergist: dit is geen Frans nummer, maar onversneden West-Vlaams, de moedertaal van de twee Wimmen. Het is een meestamper waarmee de kroeg wordt gesloten. ‘Drink nog één, drink nog één, een Bacardi-cola of een koele witte wijn.’ U hoeft niet te twijfelen aan de rijmtalenten van de heer Opbrouck: in het West-Vlaams klopt het perfect. Die rum en wijn worden overigens afgeslagen, want de zanger moet nog ver rijden, ‘verre rien’ dus. ‘Die ironie is toch fantastisch?’ lacht Willaert. ‘Het is een drinklied, dat de mensen on- getwijfeld zullen meezingen op café, maar de tekst zegt: pas op, niet te veel drinken.’

Op de plaat staan nog meer uitbundige liederen, maar ook ingetogen pareltjes. Zo is er Monique, met een tekst zo banaal en alledaags dat het pure poëzie wordt. Of Baby, dat in de hoestekst wordt omschreven als ‘de meest politieke track van het album’. Opbrouck begint te lachen. ‘Ik kreeg van onze manager Geert Decock – de “Kiknie” over wie het eerste nummer op de plaat gaat – de vraag om hoestekstjes te schrijven en daarin heb ik me wat laten gaan. Maar nu blijken journalisten die ook effectief te lezen, waardoor onze teksten ineens worden geïnterpreteerd als politieke statements. Op Baby zingen we inderdaad: “Ik wil niet leven in een wereld die vol hangt met camera’s.” Dat is vandaag misschien wel actueel.’ Willaert lacht. ‘Alleen volgt daarna meteen: “Ik eet graag een pizza Hawaï, dat is ene met ananas.”’ ‘Laat ik maar toegeven dat ik geen Bob Dylan ben: de teksten zijn voor mij niet het belangrijkste in een nummer’, grijnst Opbrouck. ‘Al stop ik er wel meer werk in dan vroeger. Baby hebben we jarenlang met één zinnetje gespeeld, waardoor het een yoga-achtige mantra werd. Maar dat werd ik toch wat beu.’

Dead Poets Society

Hun nieuwe album – nog maar het derde in dertig jaar – staat vol nummers die ze al jaren spelen maar nooit hadden op- genomen. En toch is het een lockdownplaat. Ze werd opgenomen tijdens een marathonsessie van 24 uur in de Stadsschouwburg van Kortrijk. Zonder publiek maar wel met een livestream. ‘Het was een soort Big Brother, the Dolfijntjes edition’, lacht Opbrouck. ‘Doordat die nummers al in onze vingers zaten, konden we ze vrij vlug opnemen. Op de ouderwetse manier, net als Elvis Presley, Johnny Cash of Wannes Van de Velde. Ze kenden hun songs, gingen zitten en speelden ze. Al deden wij nadien wel nog overdubs in de studio. Op deze plaat voel je de energie van een liveconcert, maar tegelijk is het zeer goed opgenomen.’

Een schlager met een bloedserieuze tekst compleet verpunken: dat doen wij het liefst.

De sfeer was fantastisch, mijmert Willaert. ‘We houden allebei heel erg van de film Dead Poets Society, waarin die jonge gasten zich terugtrekken in een grotje. Op Studio Herman Teirlinck hadden wij ook ons eigen grotje, waar niemand anders kwam. Hier hadden we datzelfde gevoel.’ Doordat alle nummers er in één etmaal werden doorgejaagd, krijgt de plaat een bijzondere dynamiek. ‘Na een uur of veertien belandde een groot deel van de band in een serieuze dip, ze lagen allemaal rondom me te slapen’, vertelt Opbrouck. ‘Toen heb ik me aan de Steinway-piano gezet en een heel timide versie van Monique gespeeld: alleen ik en de blazers. Aan die opname is nadien niets meer veranderd. Soms heb ik spijt dat ik geen roker ben, omdat mijn stem dan wat rauwer zou klinken. Maar door de vermoeidheid sloop dat er toen wel in.’ Ook hun prachtige West-Vlaamse versie van de Abba-song Knowing Me, Knowing You nam Opbrouck op in die totale stilte, maar die haalde de plaat helaas niet. ‘We hebben de rechten niet gekregen. Je mag Abba blijkbaar wel coveren, maar niet vertalen.’ In plaats daarvan belandde het al even intieme Petit Requiem op de plaat, met een knipoog naar Sandra Kims J’aime la vie.

Alibi voor waanzin

De plaat eindigt met Verre rien, dat begint als meestamper maar gaandeweg psychedelische allures krijgt. Dat laatste is mede de verdienste van topsopraan Astrid Stockman, die als special guest opdook in de studio. ‘Dat was een idee van onze producer Filip Tanghe: “Dit nummer heeft een operastem nodig!” En het klopt volledig.’ Die gelaagdheid is heel typerend voor hun muziek, vertelt Willaert. ‘We brengen ambiance, maar geen plat entertainment. Of héél plat, maar dan is het de bedoeling’, lacht hij. Opbrouck knikt. ‘Net zoals ons serieuzere werk voor film of theater is De Dolfijntjes óók cultuur. Maar dan in de uitbundige versie. Je mag onze muziek niet onderschatten. Ik heb al bepaalde nummers van De Dolfijntjes proberen te brengen met andere topmuzikanten, maar die schwung kwam er niet in. Het is verraderlijk, net zoals de muziek van Johnny Cash verraderlijk is. Iedereen denkt: drie akkoorden, makkelijk. Tot je eraan begint. Dat voel je bij ons ook: het verschuift, het verrast, er is een hoek af. We maken meezingers waar toch een bepaalde scherpte in zit. Onze maximale onnozelheid is een bloedernstige zaak.’ Willaert knikt. ‘We krijgen ons publiek altijd aan het dansen, maar de mensen huilen soms ook. Er zit best wat tristesse in. Doordat ik de tweede stem ben, kan ik goed naar het publiek kijken. Soms krijg ik tranen in de ogen als ik mensen volledig zie opgaan in de muziek. Ik ben dan ook een teer ventje.’

De komende maanden trekken de twee Wimmen weer Vlaanderen rond om op zomerfestivals en in concertzalen hun waanzinnige nummers op de wereld los te laten. Of u ze ook op de radio zult horen, valt af te wachten. ‘Tot nu toe is dat weinig gelukt. Geen idee waarom’, zegt Opbrouck. ‘Als je iets maakt, wil je natuurlijk dat zo veel mogelijk mensen het zien en horen. Met deze plaat lukt het misschien wel, wie weet. Maar wij kennen onze plaats: we zijn in eerste instantie acteurs, met zeer drukke agenda’s. Een voltijdse muziekcarrière zit er niet in. Maar het is fantastisch dat De Dolfijntjes toch blijven bestaan. Ze zijn altijd een alibi geweest voor alles wat naar waanzin ruikt. Wij organiseren en betalen ook alles zelf, zonder platenmaatschappij. Onze muziek is een cadeau aan onszelf, een soort Disneyland voor volwassenen.’ Willaert knikt. ‘Daardoor hebben we een ongelofelijke vrijheid: wij moeten helemaal niets. Onze optredens zijn wat mij betreft de leukste feestjes. Ik vergelijk ze graag met seks, of beter nog: één langgerekt orgasme van anderhalf uur. En nadien een sigaretje.’

Wim Willaert

– 1967 wordt geboren in Nieuwpoort

– 1991 richt samen met Wim Opbrouck De Dolfijntjes op

– 1992 studeert af aan Studio Herman Teirlinck

– 2004 speelt mee in de Frans-Belgische film Quand la mer monte

– 2012 wordt ‘Beste Acteur’ op het Internationaal filmfestival van Amiens voor zijn rol in Offline

– 2013 breekt op televisie door als Frank Welvaert in Eigen kweek, later volgen onder meer Bevergem en De twaalf

– 2022 speelt een hoofdrol in Nonkels

Wim Opbrouck

– 1969 wordt geboren in Kortrijk

– 1991 richt samen met Wim Willaert De Dolfijntjes op

– 1992 studeert af aan Studio Herman Teirlinck

– 1994 begint zijn carrière bij de Blauwe Maandag Compagnie, waar hij onder meer schittert in de theatermarathon Ten Oorlog

– 2000 breekt op televisie door met In de gloria, later volgen onder meer Het Eiland en De bende van Wim

– 2010 wordt artistiek directeur bij NTGent, tot 2015

– 2017 wordt presentator van Bake Off Vlaanderen

– 2021 maakt in samenwerking met ‘Te Gek’ de voorstelling Ik ben de walvis

– 2022 publiceert de novelle Hij wist het niet meer

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content