De triomfen van Clara de neushoorn: bewonderd door keizers, dichters en schilders

Jean-Baptiste Oudry schilderde Clara op ware grootte. 'Zoals je nu voor het schilderij staat, stond je toen voor de echte Clara.' © Wikipedia

Zeventien jaar lang trok Clara als rondreizende attractie door Europa. Nu lokt de neushoorn uit de 18e eeuw bezoekers naar het Rijksmuseum in Amsterdam.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Douwe Jans Mout was een scheepskapitein voor de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de roemruchte Hollandse transnationale handelsonderneming. Op missie in Bengalen zag hij bij de lokale VOC-vertegenwoordiger een jong neushoornkalf rondlopen. Die hield het als huisdier en noemde het Clara. Douwe Mout was verbluft door het dier en kreeg het mee naar Nederland.

Hij zag het commerciële potentieel van zo’n dier als rondreizende attractie, want een neushoorn was iets ongeziens in Europa. Of toch zo goed als. De Romeinen hadden indertijd neushoorns (en giraffen en leeuwen en nijlpaarden en struisvogels) opgevoerd in het Colosseum en het Circus Maximus en daar spectaculair afgeslacht. Constant waren er jagersbrigades onderweg in Afrika om de aanvoer van exotische dieren te verzekeren. Maar dat was al vele eeuwen geleden. Weliswaar had in 1515 koning Manuel I van Portugal een neushoorn cadeau gekregen, eveneens uit India. Nog geen jaar later stuurde de koning hem naar paus Leo X, maar onderweg naar Rome verging het schip met man en muis, de neushoorn incluis. (Rond dit voorval fantaseerde Lawrence Norfolk in 1996 een lezenswaardige, lijvige roman, De neushoorn van de paus.)

In Parijs kwam er na de passage van Clara zelfs een coiffure à la rhinocéros in de mode.

Middeleeuws sprookje

Sinds de oudheid wisten dus weinigen in Europa hoe een neushoorn eruitzag. Ja, Albrecht Dürer had in 1515 een houtsnede gemaakt, die veelvoudig was verspreid en waarvan een exemplaar te zien is in het Rijksmuseum. Het jaartal 1515 is niet toevallig: Dürer had via omwegen een anonieme schets van koning Manuels neushoorn in handen gekregen, en vulde die aan met zijn eigen verbeelding. Het is een fascinerend werkstuk: die gerimpelde, bultige, schildpadachtige kop; dat pluizige baardje; dat harnas van pantserplaten; die poten die gevat lijken in een maliënkolder, met rivetten rond het schouderstuk. De prent is als een middeleeuws sprookje, met de neushoorn als draak en ridder tegelijk. Gijs van der Ham is samensteller van de tentoonstelling en conservator bij het Rijksmuseum: ‘Dürers houtsnede bepaalde de daaropvolgende twee eeuwen het idee dat Europeanen hadden van een neushoorn. Alle afbeeldingen grepen terug op zijn voorbeeld. Of het nu ging om een landschapsschilderij, of een boekwerk, een tapijt of een porseleinen beeldje. We laten daar in de tentoonstelling verschillende voorbeelden van zien.’

'Spiermens met grazende neushoorn' van Jan Wandelaar. Clara was 'tam en teder als een duifje'.
‘Spiermens met grazende neushoorn’ van Jan Wandelaar. Clara was ’tam en teder als een duifje’. © Rijksmuseum.nl

Dürers houtsnede bleef lang de norm, ook toen kunstenaars en natuuronderzoekers, mede door de rondreizen van Clara, eindelijk een echte neushoorn te zien kregen. Umberto Eco (in A Theory of Semiotics) verklaart die hardnekkigheid doordat Dürers neushoorn overeenstemde met de voorstellingsconventies die het publiek in die tijd had over fabeldieren.

Niet op de tentoonstelling, maar wel een leuk weetje: Salvador Dalí maakte een kolossale versie (3,6 ton) van Dürers houtsnede met het beeldhouwwerk (Rinoceronte vestido con puntillas (1956), losjes te vertalen als ‘Neushoorn in kanten lingerie’.

First we take Berlin

Conservator Van der Ham broedde al sinds 2004 op het idee voor de tentoonstelling. ‘Ik was in de boekhandel gebotst op Clara’s Grand Tour van Glynis Ridley, dat toen pas uit was. Aardig boek, dacht ik, en bij het lezen bleek dat er een hechte Hollandse connectie was. Ik vroeg me af of daar in de collectie van het Rijksmuseum sporen van te vinden waren. En jawel hoor, er waren een aantal schetsen en reclameaffiches uit die tijd. Nog eens tien jaar later bracht ik het idee van een volledige tentoonstelling rond Clara te berde, en dat werd jubelend ontvangen. En nu is die tentoonstelling er.’

Ook in het Europa van de achttiende eeuw werd Clara jubelend onthaald. Douwe Mout ging met haar jaarmarkten en kermissen af in handelscentra, vorstendommen, stadstaten en hoofdsteden. Ook in onze contreien was Clara te zien, in Antwerpen, Brussel, Gent.

De eerste grote triomf vierde Mout in Berlijn, het leidende centrum van Pruisen, waar de koning zelf, Frederik de Grote, de stal van Clara kwam bezoeken. Hij gaf Mout de toestemming om in het Pruisische koninkrijk vrij te reizen en Clara overal te tonen zonder belastingen te hoeven betalen. Dat hoge bezoek krikte Clara’s roem fors op. Nu de machtige koning zich had verwaardigd Clara’s stal te bezoeken, wilden anderen Clara natuurlijk eveneens bekijken, niet alleen in Berlijn, maar ook in al die steden waar zij daarna heenging.

Een nieuw hoogtepunt wachtte Mout en Clara in Wenen. Daar kwamen keizerin Maria Theresia en haar man, keizer Frans I, vanuit hun paleis in Schönbrunn met een groot gevolg naar de stad om Clara te bezichtigen. De keizer was zo in zijn nopjes dat hij Mout prompt in de adelstand verhief. Voortaan mocht die een adellijke achternaam voeren. Hij koos ‘Douwe Mout van der Meer’ (omdat hij bij Amsterdam een landhuis had bij een meertje) en kreeg een wapenschild waarin, raadselachtig genoeg, geen neushoorn maar een dromedaris prijkt.

Een Bijbels monster

Mouts verdienmodel doet bijzonder hedendaags aan: gedifferentieerd toegangsgeld (duurdere plaatsen, beter zicht) en merchandising om de herinnering mee naar huis te nemen: penningen, gravures en prenten, zowel in zwart-wit als ingekleurd. Het valt op dat zelfs in die prenten Dürers model doorschemert: Clara is nog altijd meer een oorlogstank dan een planteneter.

Douwe Mout deed zijn best om de beleving wat op te vijzelen. Want een leeuw kan vervaarlijk brullen, een aap kent kunstjes, een olifant kan lollige dingen doen met zijn slurf, maar een neushoorn kan eigenlijk niets. Tenzij staan, liggen, eten en zich ontlasten. Met doordachte storytelling trachtte Mout daar wat meer van te maken, en hij omschreef Clara in zijn publiciteit als het Bijbelse monster Behemoth. De Behemoth, luidens het boek Job, eet gras als een rund, heeft krachtige lendenen, en draagt zijn wapen op zijn neus (Job 10:14 ‘Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht’). De geneeskrachtige claims over Clara’s helende urine liet Douwe Mout gewetensvol onderzoeken in een Berlijns instituut, maar toen de scheikundige analyse niets opleverde, liet hij dat aspect vallen.

De vijand van de olifant

Na Berlijn en Wenen was Mouts volgende grote doelwit Parijs. Hij begaf zich naar Versailles, in de hoop op een audiëntie bij koning Lodewijk XV. Toen dat niet lukte, sloeg hij zijn kamp op in een naburige herberg, en een paar dagen later kwamen enkele hovelingen langs en, uiteindelijk, de koning zelf. Na dat koninklijke bezoek trok de karavaan van Mout naar Parijs, voorafgegaan door het gerucht dat de vorst de neushoorn had willen kopen voor zijn dierentuin, tot hij de daverende prijs hoorde die Mout ervoor vroeg.

De poster die de komst van Clara in Parijs aankondigde en te zien is in het Rijksmuseum, was al even daverend: ‘In naam van de koning en de heer luitenant-generaal van politie’ meldt die ‘dat is aangekomen, een dier waarvan tot voor kort werd aangenomen, dat zijn bestaan verzonnen was’. In de opsomming van de kenmerken van ‘het monster’ liet Mout zich weer eens goed gaan: het dier was bizar (‘de oren van een ezel, de huid bedekt met zeeschelpen, zwemt als een eend’), gigantisch (volgens de affiche 2500 kilo, en 3,6 m breed), doldriest van aard (‘de gezworen vijand van de olifant’) maar gelukkig tam ‘en teder als een duifje’ (‘als tweejarige rende ze in het huis van haar Meesters rond de tafel, als was ze een hond’).

Pieter van den Berge verbeeldde het dramatische gevecht tussen neushoorn en olifant.
Pieter van den Berge verbeeldde het dramatische gevecht tussen neushoorn en olifant. © Rijksmuseum.nl

Dat van die olifantenhaat is een verhaal apart. Naar verluidt gebruikte de neushoorn zijn hoorn bij voorkeur om olifanten de buik open te rijten. Waarna de gewonde olifant weerwraak nam door zich met zijn volle gewicht op de neushoorn te storten, en hem aldus te pletten. Die ‘wetenschap’ kwam uit de Naturalis Historia van de Romeinse militair Plinius de Oudere, die het vermoedelijk vernam van in Afrika gestationeerde legionairs. Een van-horen-zeggenverhaal, maar het kwam van een autoriteit uit de oudheid, dus moest het wel waar zijn. Tal van schilderijen, beeldjes, tekeningen en afdrukken verbeelden het dramatische moment waarop de hoorn als een dolk in de flank van de olifant verdwijnt (in de tentoonstelling het duidelijkst te zien op een gravure van Pieter van den Berge). Meer nog: koning Manuel I van Portugal had getracht zo’n slag der titanen in de steigers te zetten met zijn eigen neushoorn, maar dat was uitgedraaid op een sof. De dieren hadden wat rond elkaar gedraaid en gebriest, waarna de olifant het op een lopen zette.

Rhinomanie

Clara’s bezoek aan Parijs bracht er een ware ‘rhinomanie’ op gang. Er werd over haar gedicht en gezongen, een boot van de marine werd ‘Rhinocéros’ gedoopt, ze verscheen in porseleinen uitvoeringen en als drager van uurwerken. Er kwam zelfs een coiffure à la rhinocéros in de mode, een hoog kapsel waarin een hoorn en vogelveren waren verwerkt. Die snit sloeg blijkbaar goed aan, want tien jaar later nog verzucht Voltaire in een brief dat het eindelijk afgelopen was met neushoornkapsels in de schouwburgen. Blijkbaar belemmerden ze het zicht op de bühne. Helaas, toen later een giraffe de attractie werd in Parijs, aldus auteur Michael Allin in zijn boek Zarafa (2000), begonnen dames uit de high society ‘hun haar op te steken à la giraffe, dat wil zeggen: steil omhoog’, wat voor theaterbezoek nog erger doet vermoeden dan à la neushoorn.

Clara duikt ook op in de memoires van Casanova, wat een vermakelijke passage oplevert (al zal men het vandaag eerder ‘awkward’ noemen). Na een geanimeerd diner ‘chez lady Lambert, avec nombreuse et brillante compagnie’ (waarbij Casanova bijzonder oog heeft voor een wat naïeve, ‘sprankelende markiezin’) stijgt het hele gezelschap in de koetsen om Clara te gaan bezichtigen. ‘Toen we er aankwamen, zat daar een man die het toegangsgeld inde. Deze man was zeer kloek en donker van huid en droeg een Afrikaanse uitdossing. Het jonge ding stapte onbesuisd op hem af en vroeg: “Bent u de neushoorn, meneer?” “Gaat u maar gewoon naar binnen, mevrouw.” We bestierven het van het lachen. De markiezin, nadat ze het dier had aanschouwd, voelde zich verplicht zich te verontschuldigen bij de man, en bad hem zich niet beledigd te voelen door haar onwetendheid en haar flater.’

Clara de neushoorn, Gijs van der Ham, Nai010 Uitgevers/Publishers, 208 blz., 25 euro.
Clara de neushoorn, Gijs van der Ham, Nai010 Uitgevers/Publishers, 208 blz., 25 euro. © National

Koninginnenstuk

Aan Clara’s verblijf in Parijs dankt de tentoonstelling haar pronkstuk: een portret van Clara door de Franse dierenschilder Jean-Baptiste Oudry. Diens specialiteit lag hoofdzakelijk in de sfeer van patrijzen en jachthonden, maar met Clara overtrof hij zichzelf. Het was uiteindelijk dit monumentale werk dat erin slaagde de Dürerneushoorn te verdringen: het is Oudry’s versie die een plaats kreeg in de Histoire naturelle van natuuronderzoeker Buffon en in de encyclopedie van Diderot en d’Alembert. Van der Ham: ‘We hebben geluk gehad. Het werk van Oudry bevindt zich normaal in het Staatliches Museum in Schwerin. Daar zijn verbouwingen aan de gang, en alle kunstwerken moesten er tijdelijk weg. Anders waren we er nooit in geslaagd het te krijgen. Vervolgens was het een heel karwei om het schilderij hier binnen te krijgen. Want het meet 3 bij 4,5 meter. Oudry schilderde Clara op ware grootte. Zoals je nu voor het schilderij staat, stond je toen voor de echte Clara.’

Mettertijd kwam er sleet op Clara. Neushoorns kunnen 35 à 40 jaar worden, maar in gevangenschap halen ze die leeftijd niet. Clara was vermoeid, wat niet mag verwonderen. Jaren aan een stuk was ze van hot naar her gesleept in een houten kar, getrokken door acht paarden. Ze had vrijwel nooit vrij kunnen lopen, en was al die tijd voor eten en drinken afhankelijk geweest van mensen. Ook van Douwe Mout mogen we veronderstellen dat het jarenlange reizen zijn tol had geëist. In 1756, op tournee in Londen, verkocht hij Clara en keerde hij terug naar Nederland. Twee jaar later stierf Clara, op 20-jarige leeftijd.

Ziehier de mens

Wat is nu de moraal van deze tentoonstelling? Van der Ham: ‘Clara’s verhaal raakt aan het huidige maatschappelijke debat over hoe de mens omgaat met de natuur en met dieren in het bijzonder. In de laatste zaal keren we het perspectief om en laten we de neushoorn spreken.’

Van der Ham doelt onder meer op een geschrift van Christoph Gottlieb Richter uit 1750, die een neushoorn en een sprinkhaan een praatje laat maken in zijn reeks Die redende Thiere. Sprekende dieren die het mensdom op de hak nemen, was in die tijd een genre op zich (zie ook Lettre d’un singe, of Mémoire de l’éléphant), en Richter maakte er zijn specialiteit van. Het is om van te balen, vertelt de neushoorn aan de sprinkhaan, als mensen je de hele tijd aanraken en aangapen, en hij vervolgt: ‘Mocht ik mij ooit uit mijn slavernij losmaken en naar mijn vaderland teruggaan, dan zou ik voor mijn broeders eens een mens ten tonele willen voeren. Ik ben er zeker van dat zij zo’n wonderdier met veel meer welwillendheid zouden tegemoet treden dan de mens met een neushoorn doet.’

Clara de neushoorn. Superster van de 18e eeuw, nog tot 25/1 in het Rijksmuseum in Amsterdam

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content