Voorpublicatie uit ‘Gedane zaken. Hink-stap door de Vlaamse pers’ van oud-journalist Karel Anthierens

© GF

Uit ‘Gedane zaken. Hink-stap door de Vlaamse pers’ van Karel Anthierens brengt Knack in voorpublicatie het hoofdstuk over De Zwijger (1982-1983), het culttijdschrift van Karels beroemde broer Johan Antierens.

Maar toen moest Johan zo nodig een satirisch blad beginnen. Eerst zonder mij. À la bonne heure, hij was nu groot en wijs genoeg. Maar als het waar is dat Johan goddelijk mooi schreef, dan is het even waar dat hij niet wist hoe je een blad in elkaar draait. Al vanaf het eerste nummer is dat duidelijk geworden: het blad waar 45.000 mensen op hadden ingetekend, was een pijnlijke misgreep. Het zag er niet uit. Letterlijk alles eraan was fout. Vooral de cartoons, die toch een wezenlijk deel van het blad hadden moeten zijn, waren knullige krabbels van goed menende debutanten. Johan had immers verordend dat hij met nieuw bloed wou werken en geen gevestigde namen in zijn blad wou. In het eerste nummer zat ook een forse bijlage, waarin Johan uitvoerig uit de doeken deed hoe De Zwijger tot stand was gekomen. Dat vond ik niet zo verstandig: het tweede nummer zou al meteen magerder uitvallen. Nog minder verstandig vond ik dat Johan de lezer allerlei beloften deed die het blad nooit kon waar maken. De Zwijger zou doen wat de journalisten van de traditionele bladen nalieten: niet alleen persconferenties aflopen, maar ook echt verslag uitbrengen van het parlementair werk, kritische vragen stellen, combines blootleggen, achterkamerpolitiek aan de kaak stellen. Maar waar zou hij de nodige mankracht halen? Hoewel hij tamelijk goed in de slappe was zat met een secretaresse, drie voltijdse redacteurs en een aantal vaste medewerkers, onder wie de bekende Hilde Geens de nu wijlen Raf Sauviller, Henry Coenjaerts, Jan Hertoghs, Dirk Vander Sypen (ook al wijlen) en vanaf het tweede nummer mezelf als redactiesecretaris, het zou allemaal niet volstaan om ook nog eens het politieke en parlementaire reilen en zeilen op de voet te volgen. Het Frans satirisch weekblad Le Canard enchaîné had een dertigtal journalisten in dienst en een vaste kern van nog eens evenveel freelancers. Nadat Johan zelf ook wel had ingezien dat zijn eerste nummer noch min noch meer een catastrofe was, had hij mij gevraagd hem te assisteren en hij heeft niet hoeven aandringen: het wereldje van een satirisch blad leek me ontzettend veel boeiender dan bijlagen vullen met alles wat mij hoegenaamd niet interesseerde.

Wij hadden geen spionnen in de partijhoofdkwartieren en daar waar onze eigen redacteurs hun opwachting maakten, werden wel flessen opengetrokken, maar bleven de monden dicht.

Bij De Zwijger vond ik mijn collega van bij De Nieuwe terug. Brigitte Raskin had er een column gekregen onder nom de plume Brelle door mijn zoon Frank verzonnen tijdens een brainstorm bij ons thuis. Brigitte zegt daarover dat ze er nog altijd verguld mee is: ‘De combinatie met het Franse vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord was dé, feministisch geladen, vondst van de dag.’ Dat de beginletters aan haar eigen naam waren ontleend, was mooi meegenomen. (Nadat De Zwijger ten gronde was gegaan, heb ik Brigitte voorgesteld haar column verder te zetten in Panorama.)

Langzamerhand kwam er wat rust en evenwicht in de zaak. Johan verzette zich niet meer tegen het aantrekken van bekende namen, vooral tekenaars, deels mijn ‘ontdekkingen’: Meynen, GAL, Piranha, Luc Vandevijver, Benoît, Jan Vanriet en vooral ZAK. Ook schrijvers vonden hun weg naar de redactie in de Willem De Zwijgerstaat, onder wie Herman Brusselmans en Tom Lanoye. Johan, die toen nog niet gebrouilleerd was met Hugo Claus, kreeg zelfs een voorpublicatie van diens Verdriet van België te pakken. Maar een Canard enchaîné werd het niet. Wij hadden geen mannetjes in de cenakels van de macht, geen spionnen in de partijhoofdkwartieren en daar waar onze eigen redacteurs een zeldzame keer hun opwachting maakten, werden wel flessen opengetrokken, maar bleven de monden dicht. Alleen anoniem kregen we af en toe wat informatie te pakken. Onder meer van journalisten van de toenmalige BRT met roddels uit de Reyerslaan. Maar veel opzienbarends viel ook daar niet te rapen, het enige wat echt opviel was hoe slecht die jongens (nee, nooit meisjes) van de omroep schreven. Vaste leveranciers waren Knack-journalisten Jos Grobben, met veel geroddel over het reilen en zeilen bij uitgever Roularta, waar hij het later, o ironie, nog tot directeur magazines zou schoppen, en Johan Struye. Hij, een zeldzame royalist in wiens huiskamer een foto prijkte met zijn dochter Sandre die koning Boudewijn een handje mag geven, bracht smaadschriften aan over ‘de dorre schoot’ van koningin Fabiola. Dat was pas stuitend grof, vond ik, maar ik schrok er niet van. Als chef-redacteur bij Knack had ik vaak genoeg kopij van hem op mijn tafel gekregen waarvan ik dacht: dat kan helemaal niet. Als ik hem erover aansprak, zei hij ‘ik weet toch dat je dit gaat schrappen’.

Nu, bij De Zwijger, kon er iets meer, maar niet zo heel veel. Dat maakte de sfeer op de redactie een beetje unheimlich. We waren een satirisch blad begonnen en vooral de tekenaars konden zich daar ongegeneerd in uitleven. Maar de redacteurs schreven met de rem op. Van in het begin had Johan verordend: ‘Niet met de botte bijl.’ De lezer bleef daardoor wat op zijn honger zitten en de redactie voelde zich geremd. Vooral Raf Sauviller, die heerlijk scherp kon uithalen in zijn rubriek met de toepasselijke naam ‘Razende Raf’ had last van de censuur van Johan. Ik zou hem later aantrekken bij Panorama, waaraan hij zeer verdienstelijke bijdragen zou leveren. Hij is gestorven in 2018.

Vrijbuiterij

Het hart van het blad was natuurlijk het wekelijkse hoofdartikel van Johan. Daar werd ongeduldig naar uitgekeken. En ze kregen vaak prachtige stukken voorgeschoteld. Maar … zelden haalden ze het niveau van wat hij als ‘Ooggetuige’ in Knack keer op keer op keer had neergezet. Was de vrijheid die hij nu genoot te onbeperkt? Miste hij grenzen om te overschrijden, barrières om te slechten, oekazes om te negeren? Niemand stond hem nu nog in de weg: ik niet, zoals bij Knack, waar ik hem af en toe had moeten wijzen op iets wat in Roeselare te gevoelig lag. Ook geen Verleyen meer, die hem altijd alle vrijheid had gegeven, maar zich toch en terecht verantwoordelijk voelde voor wat in zijn blad verscheen. Ook geen Rik of moeder De Nolf die niet altijd gediend waren van zijn vrijbuiterij. Maar vooral miste Johan bij De Zwijger lezers, voor het grootste deel welgestelde bourgeois, die hij tegen de haren in kon strijken. Niets van dat alles bij De Zwijger, die lezers kochten het blad omdat Johan … Johan was en hij het wat hen betreft niet bruin genoeg kon bakken. Als er geen schenen zijn om tegenaan te schoppen, is de lol er gauw af.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content