Voorpublicatie ‘Achille’ van Luckas Vander Taelen: ‘Dat ik besta, heb ik aan de Eerste Wereldoorlog te danken’

Achille, Liefde en lot in tijden van oorlog, Ertsberg, 2022. © Ertsberg
Luckas Vander Taelen
Luckas Vander Taelen Journalist, historicus en voormalig politicus bij Groen

‘Ik zou nooit bestaan hebben als het Belgische leger in Mechelen geen paard had verkocht aan mijn overgrootvader.’ Luckas Vander Taelen is gefascineerd door de rol die het toeval speelt in een mensenleven. Zonder toeval had hij nooit bestaan. Zijn bijzondere ontstaansgeschiedenis vertelt hij in zijn jongste boek Achille (Ertsberg), aan de hand van brieven die zijn grootvader in de loopgraven schreef. Al schrijvend doorkruist hij de Westhoek, op zoek naar de geest van zijn pépé. Wij bieden u hier een fragment aan.

Dat ik besta, heb ik aan de Eerste Wereldoorlog te danken. Vijftien miljoen soldaten en burgers verloren er hun leven, maar ik kreeg het mijne cadeau, weliswaar veertig jaar na de wapenstilstand. Zonder dit bijzonder bloederige conflict is de kans dat ik ooit geboren zou zijn ongeveer onbestaande. Want als de jaren tussen 1914 en 1918 banale vredesjaren waren geweest, dan was mijn grootvader Achille nooit naar Engeland gegaan en had hij daar niet de vrouw van zijn leven gezien, Josephine. Die zou trouwens nooit in Engeland geweest zijn, want er zou geen reden geweest zijn om haar geboortestad Mechelen te verlaten. Net zoals Achille wellicht nooit uit Aalst zou zijn weggegaan. Hun wegen zouden elkaar nooit gekruist hebben, ze zouden niet verliefd op elkaar geworden zijn, niet getrouwd zijn en geen kinderen gehad hebben. Ze zouden nooit de ouders geweest zijn van Annie, hun dochter die dus ook nooit mijn moeder zou worden.

Zonder oorlog, exit ik dus.

Dat ik er toch ben is dus een rechtstreeks gevolg van de moordende actie van Gavrilo Princip die in Sarajevo op 28 juni 1914 een einde maakte aan het leven van Frans Ferdinand van Oostenrijk. Ook hier speelde toeval een zeer grote rol: het is omdat de chauffeur van de troonopvolger zich van weg vergiste dat Princip de fatale schoten kon lossen. Zo zette de twintigjarige zoon van een postbode, lid van het obscure subversieve genootschap De Zwarte Hand, een diabolische spiraal van allianties en ententes in gang die ook mijn grootvader in de eerste echt mondiale oorlog zou meesleuren. Hij beleefde vier lange jaren van ellende en zou er levenslange trauma’s aan overhouden, maar ook even lange camaraderie en vooral zijn Fientje, mijn grootmoeder.

Is het door de vreemde omstandigheden die zouden leiden tot haar huwelijk met Achille dat ik gefascineerd ben door de rol die het toeval speelt in een mensenleven? Ik zou mijn vrouw nooit gekend hebben als ik een andere trein naar Firenze had genomen. Onze dochter zou er nooit geweest zijn zonder mijn verstoorde reisplanning. En ik al evenmin, als het Belgisch leger in Mechelen geen paarden had verkocht aan mijn overgrootvader. Maar voor ik u dat kan uitleggen, moet ik u vertellen hoe het mijn opa Achille Gheys vergaan is in de Groote Oorlog.

(Lees verder onder de cover.)

Achille, lot en liefde in tijden van oorlog, Ertsberg, 176 p., 22.95 euro

Ik heb me daarvoor gebaseerd op de vele brieven die Achille schreef aan zijn broer Hector. Die was bij het begin van de oorlog wegens gezondheidsredenen afgekeurd voor verdere legerdienst en naar Engeland overgebracht. Daar kreeg hij dus met de post verschillende keren per week nieuws van zijn broer. Omdat hij zoveel waarde hechtte aan die brieven, schreef hij die elke dag over in een groot cahier. Dat deed hij helaas niet met de antwoorden die hij zijn broer stuurde. Ik kon dus enkel uit de brieven van Achille opmaken wat Hector hem had geantwoord. Ik heb me in dit boek strikt aan de inhoud van de brieven van mijn grootvader gehouden, tot en met de uiteraard verouderde stijl, die ik slechts hier en daar aangepast heb. Alle cursief gedrukte tekst in dit boek is van de hand van mijn grootvader. De enige dichterlijke vrijheid die me ik toegestaan heb, is het verslag van de verloven van Achille bij zijn broer Hector in Leeds, waarover hij uiteraard geen brieven schreef tijdens zijn verblijf daar. Maar terug aan het front verwijst hij er vaak naar in zijn correspondentie. Over die tijd in Leeds zijn ook andere bronnen beschikbaar, zoals een interview met Hector in een plaatselijke krant en verslagen van feestelijkheden waarbij Belgen betrokken waren. Het gesprek in het Aalsters café met de oudstrijders is gebaseerd op herinneringen die ik overhoud aan wat mijn grootvader Pepe, die stierf in 1972, toen ik veertien was, me vertelde en aan mijn grootmoeder die overleed in 1983.

*

* *

“Ze zijn daar! Ze zijn daar!”

Hij schreeuwt zich de ziel uit het lijf, net als de andere soldaten in de loopgracht. Totale chaos, iedereen loopt in paniek over de losliggende planken in de modder. De hemel is grauw, het heeft dagen aan een stuk geregend. Soldaten struikelen en komen niet meer recht, worden vertrappeld. Er is geen doorkomen meer aan, in de smalle aarden gang. Uren al liggen ze in doodsangst gebukt onder de niet-aflatende Duitse bombardementen.

Achille heeft zich tegen de wand van de loopgracht gedrukt. Hij is zo bang, dat hij niet durft te bewegen. Hij hoort hoe de Duitsers naderen boven zijn hoofd; hun bestiale aanvalskreten klinken akelig dichtbij. Hij is verlamd.

Achille houdt al een paar weken de wacht in de meest vooruitgeschoven post van het Belgisch leger, aan de Ieperlee, bij Driegrachten, tussen Diksmuide en Ieper.

Hij is tweeëntwintig, in 1915, en heeft pas kennisgemaakt met de realiteit van het IJzerfront tijdens de Eerste Wereldoorlog — die toen nog niet zo genoemd wordt, maar gewoon ‘de oorlog tegen de Duitsers’. Die liggen in hun loopgraven, heel dicht, net over de smalle rivier.

Maanden al hebben ze elkaar vanop afstand geobserveerd, beschoten en gebombardeerd. Maar nu vallen de Duitsers aan. Hij kan ze ruiken.

Alle geluid valt weg voor Achille, alsof hij zich in een gewatteerde ruimte bevindt. Hij sluit zijn ogen. Hij zakt weg uit deze realiteit, hij denkt aan zijn broer Hector, die veilig is in Engeland, in Leeds bij de vriendelijke familie Gummerson. Hij roept om zijn moeder, die vergeefs op hem wacht in het bezette Aalst.

Als engelen des doods springen de Duitsers tussen de Belgische soldaten en beginnen lijf-aan-lijfgevechten. Achille wil zich verdedigen, maar een Duitser heeft zijn bajonet in zijn onderbuik geplant. In een dwaze reflex probeert hij zijn darmen terug te duwen waar ze thuishoren. Hij voelt zijn eigen warme bloed. Dan valt hij neer in de modder van de loopgracht. Het laatste wat hij ziet, is een rat die even bang is als hij en hem recht in de ogen kijkt.

‘Achille! Achille! Word wakker!’ Achille ligt in zijn bed in zijn huis in Aalst in 1969 en kijkt in de ogen van zijn vrouw. De Duitsers en de rat zijn weg. Fientje is gewend aan zijn angstaanvallen. Ze zegt hem dat het niets is, dat de oorlog voorbij is. Mijn grootvader valt snikkend in haar armen en tast naar zijn buik.

De oorlog is lang geleden, maar zit nog altijd in het hoofd van Achille, net zoals de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline dat beschrijft in zijn Guerre: ‘De oorlog zit opgesloten in mijn kop.’ Hoe ouder hij wordt, hoe meer hij verstrikt raakt in herinneringen. Hij is een eind in de zeventig, maar in zijn nachtmerrie was hij weer die jongeman van 22. Net als toen trilt hij van angst voor een onzichtbare dreiging. Het bed van de oude Achille in pyjama in zijn huis in Aalst is zijn eeuwige loopgracht.

*

* *

Vier jaar later zegt mijn moeder: ‘Pepe ligt op sterven.’

 Hij ligt alleen in zijn bed in de slaapkamer. Ik ben veertien en bij hem met mijn grootmoeder.

Ik weet niet goed wat ik tegen hem moet zeggen. Er heerst een ongemakkelijk stilte, die enkel verstoord wordt door een luid tikkende klok. Pepe begint met veel enthousiasme een verhaal te vertellen. ‘Daarnet in de winkel moest ik een groot pak maken en ik was zelf bijna mee ingepakt.’

Hij moet hard lachen. De winkel van mijn grootouders is al meer dan tien jaar gesloten.

‘Hij klapt in en uit…’, fluistert Bobonne in mijn oor. Daarmee bedoelt ze dat haar man van zijn verstand is. Bobonne, dat is de naam die ik aan mijn grootmoeder geef. Fientje heet ze eigenlijk, ze is van Mechelen. Ze heeft heel haar leven in Aalst gewoond sinds ze in 1920 getrouwd is met Pepeken, maar Aalsters heeft ze nooit willen spreken. Ik denk dat ze tegen haar zin naar Aalst is gekomen. Ze was liever in Engeland gebleven. Daar heeft Pepe haar voor het eerst gezien, toen hij tijdens de oorlog op verlof mocht gaan.

Hij was meteen verliefd op haar en zij vond hem ook wel iets hebben, die knappe jongeman in uniform.  toevallig. 

 Nu weet hij niet meer wie zij is of wie ik ben. Ik kijk naar buiten.

Bobonne is weggegaan. Ik draai mijn hoofd om. De klok is opgehouden met tikken en er hangt een ander licht in de kamer. Ik hoor mijn grootvader zeggen: ‘Kom, we zijn weg!’ Hij ligt niet meer in zijn bed. Hij staat recht en glimlacht; hij heeft zijn legeruniform aan. Hij ziet eruit zoals op de foto’s van hem die op mijn moeders kamer hangen..

De jaren die mijn grootvader verloren heeft, heb ik erbij gekregen. Ik zie mijn handen: het zijn die van een man van 64.

Ik stap naar mijn grootvader, maar hij ligt weer in zijn bed, nu als een oude man. Ik zie mezelf in de spiegel: ik ben een jonge soldaat uit de Eerste Wereldoorlog.

Ik grijp zijn hand die hij naar me uitsteekt. Mijn grootvader blaast zijn laatste adem uit. Ik sluit mijn ogen.

 ‘Je sprak weer tegen iemand, vannacht’, zegt mijn vrouw me bij het ontbijt. Ik vertel haar dat ik de reïncarnatie van mijn grootvader was en dat hij het was die tegen mij sprak.

Zij kent het oorlogsverhaal van mijn Pepe en weet dat ik brieven heb van hem die hij aan het front naar zijn broer stuurde. Ik zeg al jaren dat ik daar iets mee wil gaan doen.

‘Je begint te lijken op je grootvader; die had ook last van nachtmerries’, zegt mijn vrouw. ‘En wat zei hij dan wel tegen je?’

‘Dat we samen weg moesten gaan.’

‘Misschien moet je dat dan ook doen. Ga wat fietsen rond de Ijzer. Dan maak je me niet meer wakker met die stemmen in je hoofd.’

Ik doe mijn ogen dicht en ik ben weer in dat donkere Aalsters café vol sigarettenrook, tussen de vrienden van mijn grootvader die net als hij vier jaar gevochten hadden in de Westhoek en het nadien zo moeilijk hadden om gewoon te worden aan een banaal leven. Veteranen die stilaan verbitterd geworden zijn, omdat hun oorlog langzaam in de vergetelheid wegzakt. Enkel hun decoraties herinneren er nog aan. Ze zijn elk op hun manier Rambo’s avant la lettre. Ik zit met een glas cola naast mijn grootvader in café ‘Henri IV’, geduldig te luisteren naar wat ik al zo vaak gehoord heb.

‘Mijn broer, uw nonkel Hector, die was twee jaar ouder dan ik. Hij was in het leger van voor dat spel begonnen is. Hij was al soldaat in 1913. Hector, die heeft gevochten als de Duitsers hier binnengevallen zijn, in België, in 1914, wij waren neutraal, maar de Moffen trokken zich daar niets van aan. Nonkel Hector heeft het fort van Antwerpen verdedigd totterdood; hij had al een zwakke gezondheid voor de oorlog en dat heeft er niet goed aan gedaan. Hij was er zo slecht aan toe, dat hij niet meer mocht vechten en afgekeurd werd als het leger achter de IJzer zat. Hij kon niet meer naar huis, want de Duitsers zaten overal, ook in Aalst. Hij is dan maar naar Engeland gegaan, naar het noorden, in Leeds. Daar zaten veel Belgen.

Mama was in alle staten als Hector in het leger was. Ze zag alles zwart in, door haar grote moederliefde. Ze was gekalmeerd als Hector vertrokken was naar Engeland. Nog altijd ongerust, want hij was ziek, maar niet meer in levensgevaar.

En dan zeg ik haar dat ik ook in het leger wil, bij de troep zoals wij zeggen. Een grote generaal had alle jonge mannen opgeroepen om ons vaderland tegen de Duitsers te verdedigen. Onze koning Albert, die had aan de Vlamingen gezegd dat deze oorlog hetzelfde was als de Slag der Gulden Sporen! Ik moet niet gaan, want ik ben eigenlijk te jong, maar iedereen wil toch voor ons land gaan vechten. Dat zeg ik tegen mijn moeder en zij begint te wenen.

Wij trekken op met al mijn vrienden. Mijn vader verstaat dat en hij troost mijn ma, hij ziet me vertrekken en zegt haar dat wij toch ons plicht moeten doen.’

Een halve eeuw later verban ik mezelf naar de Belgische Far West, de Westhoek, rond de IJzer, waar mijn grootvader vier jaar aan het front zat en er eigenlijk nooit is weggeraakt. In zijn hoofd heeft hij zijn leven lang die tijd herbeleefd. Als ik iets van hem wil begrijpen, moet ik naar die streek.

Achille, Lot en liefde in tijden van oorlog van Luckas Vander Taelen verscheen recent bij Uitgeverij Ertsberg.

Partner Content