Recensie ‘Artikel 13’ van Petra Spark: “bedoeld als thriller, maar eigenlijk veredelde chicklit”

© GF
Lukas De Vos
Lukas De Vos Europakenner

Petra Spark heeft gewettigde ambities, zondigt alleen nog tegen enkele voor de hand liggende compositieregels. Als ze die onder de knie krijgt, kan ze haar droom misschien waar maken: een échte schrijfster worden.

Het loopt danig fout met de uitgeverijen. Grote eerbied heb ik voor al wie een boek afwerkt, hoe genoegzaam, aandoenlijk, amateuristisch of bevlogen die eersteling ook mag zijn. Ik probeer daar mild en lankmoedig mee om te gaan, want elk manuscript bevat emmers zweet, steile verwachtingen, redeloze twijfels, en liefde voor het woord.

Als ik dan Mijnheer Patrick Swart, directeur bij WPG, hoor verklaren dat verkoopbaarheid zijn ultieme criterium is, en dat hij die handel baseert op “een algoritme” dat betrouwbare voorspellingen maakt over de te verwachten verkoop (“tot 78,3 % correct bij De Bezige Bij” !), dan breekt mijn klomp. Want wat kan hem het boek schelen? “Zo’n 80 tot 90 procent van de titels die verschijnen is niet rendabel. Dat heeft een effect op auteurs die wél succesvol zijn, want die betalen ervoor”. Het boek gereduceerd tot nevenproduct, tot spin off van zeepverkoop, zoals alle afgeleide speelgoed en puzzeltjes en posters van films of strips. En zich als lome boekhouder verschuilen achter de sterauteurs. Foei. Daar staat De Bezige Bij nu in de kleren van zijn Keizer.

Ik heb heimwee naar échte uitgevers, die met liefde, met gretigheid, met oprechte nieuwsgierigheid in plaats van met graaizucht en eurotekens in de ogen naar een boek en zijn auteur kijken.

Ik heb heimwee naar échte uitgevers, die met liefde, met gretigheid, met oprechte nieuwsgierigheid in plaats van met graaizucht en eurotekens in de ogen naar een boek en zijn auteur kijken. Geertjan Lubberhuizen van de waarachtige Bezige Bij, Emile Brugman van Atlas, Johan Polak van Polak & Van Gennep, Walter Soethoudt van Facet, ach, ze hadden allemaal een rare kronkel, maar ze hielden ten minste van letteren en hun schrijvers. Als het van heer Swart afhangt zijn dat nitwits, voorbijgestreefde naievelingen. Om de poen is het te doen.

En ik weet, debutanten leveren zelden een meesterwerk af, het is niet alle dagen dat De Avonden van Reve een trend zet. Bij de thrillers is het nog maar drie keer gebeurd dat debutanten een grote prijs meteen wegkaapten: Joke Spaey en Jan van der Cruysse (wiens vervolgroman, Bling Bling 2 De Zaventemmers net is verschenen) kregen de Poirotprijs, Bram Dehouck de Gouden Strop.

Als ik dus nu Artikel 13 van Petra Spark doorlees, springen de tekortkomingen in het oog. Ze is hoogst onzeker over haar eersteling, getuige de overmatige dankbetuigingen aan papa, mama, god en klein peerke, in het boek en op haar webstek. Niet onterecht, want ze heeft de eerste beginnersfout gemaakt die je kunt maken: een foute genrekeuze. Het boek is bedoeld als thriller, als spannende misdaadroman, maar eigenlijk is het veredelde chicklit. En dat beseft ze zelf in haar blog: “Als je pech hebt verzandt je tussen een boel verhalen die jou niet hebben gekozen omdat je zo graag wilt passen in dat rijtje detectiveschrijvers (terwijl de inkt in jouw pen eigenlijk liefdesverhalen lekt)”. Net dat euvel beoefent ze met verve en kennis van verlangens.

Nochtans heeft ze grote kwaliteiten. Een originele plot, bij voorbeeld. Het verhaal is in de toekomst geplaatst, in 2054, maar verschilt amper van de tendenzen van vandaag. De moraalpredikers van het gezonde leven hebben de macht veroverd, gezondheid is het nec plus ultra, en dat moet gepaard gaan met totale gezondheidscontrole, strafrecht voor wie dat wil ontlopen, en verbod van onveilig voedsel, rookgerief en alcohol. De totale bespiedingsmaatschappij die al in Blade Runner gestalte had gekregen. (Ik vernoem de film niet toevallig, Spark dabbelt graag in haar popcultuur met een voorliefde voor Harrison Ford als Han Solo. In Blade Runner is hij minder pedant tegenover de cyborg Rutger Hauer). Het gevolg is dat de wereld niet aan vlijt ten onder gaat, maar aan pure verveling.

Geef toe, hoe overleef je 150 jaar – want dat word je in een samenleving die niet eens zijn ouderen kan of wil opvangen (“nog tachtig jaar te gaan, en de laatste vijftig zul je doorbrengen in een verzorgingstehuis, dementerend”) – een dieet van insectenijs met honing, krekelcocktail met zalmschuim, schorpioensoep, slangenkroketjes en een sprinkhaanfondue? Inspecteur Frank Demenz (moet ik nu opspringen? Je kunt “de mens” lezen, wellicht vanwege zijn onhandelbaarheid, maar ook “dement”, want iedereen heeft wel een slag van de molen) heeft daar de oplossing voor: hij is verslaafd aan vodka. Reukoos, geurloos, niet op te sporen tenzij je in een ziekenhuis belandt.

En net dat overkomt de arme Ben Derick, die een onderhuids staafje ingeplant kreeg juist om te verdoezelen dat hij zich, zoals alle andere schuinsmarcheerders en paskwillen, zou verraden door buiten de opgelegde welzijnslijntjes te kleuren. De onderduikers komen samen in een verborgen nachtclub, de Smokey Robinson (nomen est omen, ongetwijfeld een verwijzing naar de motownzanger van de ‘Miracles’, en naar de sigaret, en naar de drang tot afzondering en vergetelheid van Robinson Crusoe). Enter the protagonists, en het grote misverstand. Crystal, getrouwd met een sullige schrijver, heeft een verhouding met de baas van de club, Nico (van nicotine). Haar dochter Melissa vervreemdt steeds meer van haar, en om dat te vermijden tracht ze haar dochter warm te maken om ook tot de club (van recalcitrante wetsovertreders, de “adepten”) toe te treden en haar een staafje in te laten planten.

Helaas draait daar het hele boek om, om de aanhaal- en afstootbewegingen van moeder en dochter. Een simpel generatieconflict. De inleiding schept nochtans hoge verwachtingen, zoals bij Philip K. Dick. De gevangenisdeur slaat achter Crystal dicht, wat is er met Melissa aan de hand? In plaats van de lokkende misdaadroman ontrolt zich evenwel een eindeloos gevecht om de dochter aan zich te binden, zelfs door haar te koppelen aan de onbetrouwbare ledenlokker Cliff, die broedt op de opening van een eigen club in Nederland. Maar liever dat nog, dan het bord voor haar kop van de regelman, want daar wordt ze alleen maar slechter van. Het wordt meteen een tranerige coming-of-age queeste, en de zelfverloochening van een moeder die tot zelfvernedering leidt: verraad en bedrog.

Petra Spark: Een debutante met teveel schroom, maar wel te volgen.

Spark laat zelfs een opening voor een vervolgroman, want de “Italiaan” (uiteraard een invloedrijke onderwereldfiguur) en de “Man zonder Naam” ontspringen de dans. Liever niet, als het weer tot onsamenhangende humeurigheid en nukkige zieleroerselen aanleiding geeft, de dialogen barsten van het herteleed en de ingehouden tranen. Wellicht moet dat voor gevoeligheid doorgaan, maar stilistisch is dat een miskleun in een thriller. Er is geen gaafheid van personages, het zijn eerder emotionele invallen die het verhaal hoekig en hobbelend vooruithelpen. Ook de seksscènes zijn overbodig, ze zeggen meer over de schrijfster en de schrijfacademie dan over de menselijke relaties. (“Is dit het maar? Vanwaar al die ophef?” Lees toch Anais Nin of Vita Sackville-West). Zo verknoei je een in se briljant scenario.

De debuutroman van Spark blijft teveel steken in de richtlijnen van de communicatietheorieën, die zij beroepshalve geleerd heeft. Spring zelf even uit de band, en laat een ander schrappen wat er teveel in staat. Dan hou je allicht een boeiend kortverhaal van 35 bladzijden over. Maar aan moed ontbreekt het Spark niet. Overigens heeft Artikel 13 van het Preventief Wetboek – 13 speelt een niet onbelangrijke rol in het boek – andere kwaliteiten: een bijzonder fraai omslag, een gedreven schrijfster die dringend aan getemd worden toe is, een te langdradige maar logische (en jammerlijk ook makkelijk voorspelbare) ontrafeling, een acuut gebrek aan spanning door te aankondigende scènes, en wat karikaturale personages.

Artikel 13 is minder somber dan de turnoefeningen van Winston Smith in 1984, maar ook minder doordacht dan de hoofse verwijdering van onaangepaste elementen in Huxley’s Island. Spark heeft gewettigde ambities, zondigt alleen nog tegen enkele voor de hand liggende compositieregels. Als ze die onder de knie krijgt, kan ze haar droom misschien waar maken: een échte schrijfster worden. Een debutante met teveel schroom, maar wel te volgen.

Petra Spark, Artikel 13. Antwerpen/Amsterdam, Houtekiet 2017, 359 blz.

Partner Content