Publicist Johan Vandenbroucke waagt zich aan een van Jeroen Brouwers favoriete genres: het in memoriam

Jeroen Brouwers: ‘Rook zijn wij, die al vervliegt voordat de wolken zijn bereikt.’ © Saskia Vanderstichele

Boekhandelaar en publicist Johan Vandenbroucke kent het oeuvre van Jeroen Brouwers door en door. Voor Knack neemt hij afscheid van de schrijver, en van zijn vriend.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Op zijn sterfbed ziet de schrijver zijn leven als de voorbijwaaierende bladzijden van een boek: zijn leven in de vorm van woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken, boekdelen…’

Het staat op bladzijde 29 van De zondvloed, Jeroen Brouwers’ roman uit 1988.

Zou het? Zou het echt, Jeroen?

Daar op dat ongemakkelijke ziekenhuisbed in Maastricht, vorige woensdag, toen het al onafwendbaar was en hij, al jaren in ademnood, zijn laatste vergeefse adem uitstootte?

Jeroen Brouwers is gestorven, de grootste en invloedrijkste nog levende Nederlandstalige schrijver, op woensdag 12 mei, zo rond het middaguur. Het nieuws raakte uren later bekend en zorgde voor de gebruikelijke storm van reacties, herdenkingsberichten, getuigenissen, meningen en herinneringen. De in memoriams zijn intussen verschenen, soms met journalistieke haastigheid bijeengesprokkeld, Wikipedia- en andere onnauwkeurigheden incluis, elders gedegen portretten met oprechte getuigenissen. Ik heb ze allemaal gelezen, zoals Brouwers dat zelf gedaan zou hebben, soms instemmend, dan weer wrevelig van irritatie.

Evengoed is de schrijver dood.

De connaisseur heeft de laatste zin al herkend uit het Brouwersrepertoire. Het is ook de titel van een essay in een door hem samengestelde bundel schrijversnecrologieën. Daarin staat: ‘Allereerste voorwaarde en zwaarste eis is, dat een in memoriam persoonlijk is, – dat het blijk geeft van persoonlijk gevoelde rouw en verslagenheid daarover.’

Hij beschouwde het als een plicht collega’s die hij gekend had piëteitsvol te herdenken. Niemand beheerste het genre beter, niemand heeft het de laatste eeuw passioneler beoefend. Om de gestorvene te gedenken en hulde te brengen. Laatste plicht is de titel van een door Demian uit- gegeven boek over zijn oudste vriend: ‘Voordat het weldra ook voor mij zover is, acht ik het een van mijn laatste plichten over Hans Roest te schrijven. Uit dierbare herinnering.’

Er is me geen schrijver bekend die bij lezers meer passie en zelfs fanatisme opwekt, soms zelf tot het obsessieve toe.

Johan Vandenbroucke

Jeroen Brouwers en ik hadden elkaar meer dan dertig jaar geleden leren kennen en waren in de loop der jaren innig bevriend geraakt. Je kunt vriendschappen niet vergelijken, maar laat me toe het zo te stellen: ik heb in mijn leven geen warmere, meer genereuze en gulle vriend gekend. Zoals ik in mijn leven nooit zo’n genadeloos eerlijk analyserend en integer mens heb ontmoet.

Zo, dat is opnieuw geboekstaafd, en ik zal ervan blijven getuigen.

Als literatuurjournalist heb ik vaak over zijn werk geschreven, en in 2005 publiceerde ik het boek Jeroen Brouwers – Het verhaal van een oeuvre. De eerste versie verscheen ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag, en tien jaar later, 2015, voor zijn vijfenzeventigste verjaardag, verscheen een tweede, uitgebreidere editie, waarin ook de toen voorbije periode beschreven werd.

Er is me geen schrijver bekend in ons taalgebied die zo veel jongere auteurs heeft beïnvloed. Zijn belang voor de huidige generatie is veel groter dan die van, noem maar, Hugo Claus of de door Brouwers bewonderde Harry Mulisch. De lijst van auteurs voor wie hij een beslissende rol speelde in hun ontwikkeling als schrijver bevat te veel namen om op te sommen in één alinea. Van de generatie van Tom Lanoye, over Benno Barnard, Ronald Giphart, Dimitri Verhulst, Stefan Brijs tot youngsters als Merijn de Boer en Y. M. Dangre.

Er is me ook geen schrijver bekend die bij lezers, de Brouwers-adepten, meer passie en zelfs fanatisme opwekt, soms zelf tot het obsessieve toe. Nooit heb ik fanatiekere lezers ontmoet dan Brouwers- liefhebbers, die al eens het gevoel koesteren dat zij alleen de schrijver volkomen begrijpen. Op een voorleesavond was ik eens, ongewild luistervinkend, getuige van een uitbarstend conflict bij een jong stelletje. Reden: de vermeende depreciatie van de partner voor een Brouwersboek, wat resulteerde in geschreeuw en gehuil: ‘Als je dat niet goed vindt, begrijp je niks van me.’

Zo ver kan de fascinatie voor Brouwers-fascinatie gaan. Soms leidt het tot onversneden verliefdheidsverklaringen. De zojuist niet vermelde Brouwers-adept Christophe Vekeman getuigde in een essay dat hij als overmoedige jongeling, lange tijd voordat hij de schrijver in het echt ontmoette, bedacht dat Brouwers hem bij een ontmoeting meteen ‘moeiteloos als een zielsgenoot zou herkennen’ en hem ‘vervolgens algauw, vooruit maar, zou adopteren’.

‘Hoe groter de schrijver, hoe krankzinniger zijn fans’, schrijft hij verder.

Waarom dit soort fanatisme voor het werk van Brouwers? Niet alleen door de superieure stijl, maar vooral door de autobiografische toon van zijn werk (vooral in de jaren tachtig). De schijnbaar volstrekt autobiografische toon, die overigens alleen maar authentiek lijkt, omdat het boek gekunsteld is. Niet de inhoud van zijn oeuvre is autobiografisch, verklaarde Brouwers, maar ‘de manier van denken, verwoorden, ordenen, chaossen bestrijden, vormgeven’.

Johan Vandenbroucke
Johan Vandenbroucke © National

Ook ik was zo’n fanatieke jonge Brouwers-adept. Achttien was ik toen ik als lezer een dreun kreeg als van een inslaande meteoriet bij het lezen van zijn polemische roman Het verzonkene (1980), de eerste versie (later knipte Brouwers de polemische fragmenten weg, zodat het boek naadlozer aansloot bij de twee andere Indië-romans, Bezonken rood en De zondvloed ).

Opeens had ik een schrijver ontdekt van wie ik meteen álles wilde lezen, met een obsessieve gretigheid eigen aan de leeftijd. Sindsdien werd mijn bestaan vervuld van het oeuvre van een auteur voor wie ik al snel een welhaast afgodische verering koesterde.

De overmoed is verdwenen, de fascinatie is gebleven, en eigenlijk nooit minder geworden.

Het begon met een brief, ons persoonlijke contact, zo’n typisch would-be- schrijversepistel. Een verliteratuurd verhaal, vermomd als brief gedateerd op 30 april 1988, zijn verjaardag, vol verwijzingen naar zijn werk, over hoe zijn boeken een rol hadden gespeeld in mijn leven.

Tot mijn onpeilbare ontroering kreeg ik na een week een antwoord, waarvan de eerste zin, luidde: ‘Ik zou u een lange brief moeten schrijven en ook wel willen schrijven, maar ik zie daartoe de eerstkomende tijd geen gelegenheid. Ik schrijf momenteel de laatste bladzijden van mijn Zondvloed, een mammoetroman van 650 bladzijden, waar ik 7 jaar aan heb zitten breien.’

Mijn brief had hem ontroerd en meegesleept, al gewaagde hij ook van een zekere gêne: ‘ik ben verlegen door het feit dat ik in uw leven een soort protagonistenrol blijk te vervullen, louter vanwege mijn geschriften. Het is een griezelig besef, hoe een schrijver klaarblijkelijk het denken en zelfs in zekere zin het leven van sommige van zijn lezers kan beïnvloeden. Uit uw briefverhaal blijkt dat er nogal wat overeenkomsten zijn tussen u en mij.’

Hoe lief geformuleerd, denk ik nu zoveel jaren later, alsof hij niet als geen ander wist hoe het werkt. In een interview verklaart hij later eens: ‘Enerzijds moet je de suggestie geven dat het allemaal zo authentiek mogelijk is. Maar het paste ook in dat verhaaltje. Ik hoef jou toch niet te vertellen, dat daar veel kunstenaarsgegoochel bij zit.’

Nadat zijn Zondvloed voltooid zou zijn, en hij wat rustiger was, hoopte hij opnieuw contact op te nemen. Vele maanden later kwam het tot een afspraak voor een interview. Op zijn suggestie werd daarmee gewacht tot de intussen aangekondigde roman Zomervlucht (1990) was verschenen – wist ik toen veel hoe de media werkten.

Het was mijn eerste gepubliceerde schrijversinterview, het verscheen in Knack, het kerstnummer van 1990. Daarna bleef Brouwers mijn leven in behoorlijke mate mee bepalen. Hij heeft me als literator én als mens mee gevormd. Dat ik schrijf – of in mijn geval ooit geschreven heb – komt door Brouwers. En dat ik denk zoals ik denk, komt ook door hem. Door zijn stilistisch meesterschap blijft het levensbeschouwelijke aspect van zijn werk meestal wat onderbelicht.

Vrienden werden we pas later. Ik herinner me uitbundige, met alcohol besprenkelde ontmoetingen in de jaren negentig, toen als medewerkers van de boekenbijlage van De Morgen. Ik herinner me hilarische kroegnachten, homerische discussies, oeverloos geroddel, soms hevig van mening verschillend, onder de walmen van sigarettenrook.

En ja, alcohol. Bij God en Zutendaal, ik heb hem er nooit in zien spuwen. Het was me een onverdeeld genoegen. Maar de mythe blijkt sterker dan de mens. Intussen dronk hij al langer dan tien jaar geen druppel alcohol meer. Ja, koffie dronk hij, en water, of godlof melk. Sinds een drietal jaar was hij ook gestopt met zijn bijna levenslange rookverslaving.

Het is een griezelig besef, hoe een schrijver klaarblijkelijk het denken en zelfs in zekere zin het leven van sommige van zijn lezers kan beïnvloeden.

Johan Vandenbroucke

Het gebeurde weleens dat onze gesprekken gelardeerd werden met citaten uit het oeuvre. Soms waren ze zelfs essentieel om het gesprek vaart te geven. Informeerde hij bijvoorbeeld naar relatiegedoe, dan kon ik antwoorden: ‘Ach, je weet: vrouwen, je moet er enorm slim voor wezen.’ (uit Zonsopgangen boven zee)

Ik was niet de enige die al eens een Brouwersquote gebruikte in zijn bijzijn. Ik heb het Dimitri Verhulst ook nog horen doen, en A.F.Th. van der Heijden, die tijdens een etentje Jeroen epateerde met fragmenten uit de polemiek De Nieuwe Revisor: ‘‘Kome er opnieuw: schoonheid. Kome er opnieuw: properheid. ‘ Met als laatste regels: ‘Schoonheid wil ik, vooral geestelijke schoonheid, schoonheid van denken, schoonheid van mentaliteit. Dat is mijn kunstzinnige boodschap, die ook een politieke boodschap is.’

In 2008 werd ik boekverkoper. Met zijn goedkeuring werden de twee winkels – Mechelen en Roeselare – naar zijn roman genoemd: Boekhandel De Zondvloed. Hij betreurde dat ik de journalistiek verliet, maar hij werd meteen ook een enthousiaste medestander van de boekenzaak, die hij tijdens de jaren dat hij nog ter been was geregeld kwam bezoeken. We bleven intensief contact onderhouden. Hij leerde mailen en zelfs korte berichtjes getuigden van onmiskenbaar schrijfplezier. Een willekeurig citaat: ‘Ik werk verwoed aan Het hout, iedere dag een bladzijtje. Het wordt weer veel te dik. En begin me nu écht zorgen te maken over mijn huis. Maar de sneeuw van afgelopen weken is goddank gesmolten en het bos is weer groen. Wij blijven prontig overeind.’

Hij leefde bijna twintig jaar in toegevoegde tijd. In de jaren tachtig had hij zijn eigen levensverwachting inschattend beweerd dat ‘het brouwersdom’ nooit veel ouder werd dan zestig jaar. Chagrijnig was hij nooit in de omgang, wel kon hij virtuoos kankeren en had hij een kotshekel aan publieke optredens. En hij kon ongemeen grappig zijn, ook een aspect in zijn werk dat onderbelicht blijft.

Over de naderende dood sprak hij vaak, bijvoorbeeld in een interview uit 2010, naar aanleiding van Hamerstukken, zijn verzamelde polemieken. Zoals de meeste vraaggesprekken de laatste jaren leek het op een afscheidsinterview: ‘Het heeft mijn tijd geduurd. Het is voorbij. Dus, eerst hebben we nog het feest bij Demian, dan in het najaar hebben we het feest in jouw boekhandel in Mechelen, met de nieuwe roman ( Bittere bloemen), en dan aan het einde van het jaar mijn begrafenis. Dat zijn toch drie feesten om naar uit te kijken. Dat is toch mooi? Kun je die dikke boeken op mijn graf leggen.’

Na de laatste roman, Cliënt E. Busken, was het oeuvre afgerond. ‘Het is op, ‘ zei hij telkens weer bij iedere ontmoeting, ‘ik heb geen puf meer.’ En bezoek na bezoek merkte ik dat hij fysiek steeds slechter werd, terwijl hij tot op het laatste mentaal gevat en ad rem bleef.

Op maandag 2 mei bezocht ik hem de laatste keer. Hij leek brozer dan ooit, en het praten lukte moeilijker dan ooit. Te weinig lucht. Voortdurend had hij het benauwd, en moest het zuurstofapparaat bijgesteld worden, een heel gedoe met draadjes en slangetjes. Hij wilde me nog iets laten zien in zijn archief, dat hij aan het ordenen was, en hij wilde dat ik naar een oude vriend belde met zijn groeten. Om dat telefoonnummer te geven, bladerde hij in een oudmodisch telefoonboekje en liet me de doorgestreepte namen zien. Dat maakte hem weemoedig, zei hij.

Chagrijnig was hij nooit in de omgang, wel kon hij virtuoos kankeren en had hij een kotshekel aan publieke optredens.

Johan Vandenbroucke

Het is het laatste wat we elkaar zeiden, afgezien van een groet tijdens de afscheidsomhelzing. Ik reed neerslachtig naar huis, dikke brokken weemoed wegslikkend bij gedachten aan de vitale, warme, uitbundige Jeroen van vroeger.

Twee dagen later werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Zijn echtgenote, Gwennie, belde dat onze volgende afspraak moest worden uitgesteld. Weer twee dagen later bleek de situatie slecht te evolueren, en nog een dag later ging het opeens over ‘comfortzorg’ en ‘palliatieve sedatie’. Na dat laatste telefoongesprek zat ik urenlang te staren en te huilen. Aan een naaste verklapte ik dat Jeroen stervende was, een kwestie van dagen, misschien uren. Het laatste klopte, woensdagmiddag was het voorbij.

Het was een lange fysieke aftakeling voor een nog alerte geest. Al tien jaar sprak hij over zijn ‘laatste teksten’, beseffend dat er hem nog slechts ‘een bemeten stuk tijd’ was toebedeeld. Hij werkte aan het ‘afzomen’ van zijn oeuvre, verklaarde hij al in interviews vanaf 2014.

Illusies over de eeuwigheidswaarde van zijn oeuvre koesterde hij niet. ‘Wat rest er van ons werk?’ schreef hij al in Een nieuw requiem (2009):

‘Vergeefsheid, – als pulver uit de crematoriumoven sijpelt het tussen onze verknekelde vingers door. Rook zijn wij, die al vervliegt voordat de wolken zijn bereikt. Niets gebeurt of het gebeurt voor niets.’

‘Alleen mijn sterven zal ik niet hebben beschreven.’ Met die quote begint de rouwbrief, en de rouwkaart eindigt met een citaat uit De Exelse testamenten: ‘Ik zou van al mijn geschriften te zamen, ook de mislukte, waarvoor ik mij schaam, een papieren gedenkteken willen maken, dat nog, ergens, in een landschap waar het altijd herfst is en alle dingen zijn omhangen met rag, te bezichtigen is als ik al lang ben begraven. Van dat gedenkteken zal men moeten kunnen zeggen: dit is het leven van Jeroen Brouwers. Men zal ervan zeggen: het zat al vol kreukels en scheuren toen het werd opgericht, maar die zin over die compote en die vliegen en dat rottend fruit is heel niet onaardig.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content