‘Mevrouw Caliban’ van Rachel Ingalls: ‘Allicht de meest feministische en minst rancuneuze Bildungsroman ooit geschreven’

© Uitgeverij Orlando
Lukas De Vos
Lukas De Vos Europakenner

‘Mevrouw Caliban is veel meer dan een campy canonwerk. Het is gewoon magistraal’, schrijft Lukas De Vos bij de heruitgave van de recent opnieuw herontdekte roman.

De British Book Marketing Council had groot gelijk toen hij in 1986 Rachel Ingalls’ derde roman Mrs. Caliban (eigenlijk meer een novelle) op de lijst zette van de twintig beste Amerikaanse naoorlogse romans. Schrijfster en uitgever verrast, critici vielen uit de lucht. Hoe hadden ze over dit meesterwerk heen kunnen kijken? Behalve John Updike. Die sprak bij de eerste uitgave al van ‘een feilloze parabel’, ‘zo vaardig en sober van stijl, zo luchtig en snaaks in zijn verbeelding’.

Dat lijkt raar, want Mevrouw Caliban is geen echt vrolijk en opwekkend verhaal. Het vertelt het (melo)dramatische leven van Dorothy Caliban, een huisvrouw die haar zoontje verliest, een misval krijgt, haar hondje ziet overrijden en ontdekt dat haar vervreemde man schuinsmarcheert met de dochter van haar beste vriendin Estelle (die eerst de minnares van haar man was). Een hele wereld die instort, maar nuchter verwerkt wordt zoals alleen een vrouw dat kan. Zelfs wanneer haar ‘monsterlijke’ kikvorsman (Larry) haar uiteindelijk verlaat en naar zijn eigen zee terugzwemt. Want gaandeweg worden de trauma’s ijkpunten in haar ontvoogding, in den beginne naïef onbewust, maar zodra ze het zelf aanlegt met dat groene amfibisch monster als vanzelfsprekende stap in haar zelfverzekerdheid. Dit is allicht de meest feministische en minst rancuneuze Bildungsroman ooit geschreven.

Dat de verbouwereerdheid over de Britse opwaardering van haar roman begrijpelijk was, is geen wonder: het verkocht niet eens 200 exemplaren, een beetje zoals Kafka zijn hele leven mocht ondervinden. Maar keer op keer wordt het boek, na alweer een commerciële sof, herontdekt. Waaraan kan dat te danken zijn?

Daar zijn, denk ik, vier redenen voor: de soepele vermenging van werkelijkheid en verbeelding; de herkenbaarheid van topoi en omgeving; de geniale aansluiting bij de kitsch en de eenvoudige verwoording: en aanvaarding van het verleden als troostende herinnering.

De toon is van bij het begin gezet. Dorothy’s echtgenoot Fred vertrekt naar zijn werk, zoals de man in elk verhaal van de vijftiger jaren zijn brood gaat verdienen terwijl zijn vrouw het huis onderhoudt. Alleen is hij drie dingen vergeten: zijn krant, zijn paraplu, de afscheidskus. In die volgorde, en het derde doet niet terzake, dat vergeet hij echt. Want de echtelieden slapen en leven apart, geknakt als ze zijn door hun tegenslagen. En door hun eigen zwakheden om daarmee om te gaan. Hij komt steeds later thuis, geen afscheidszoen is een formaliteit: ‘Die affaire van hem met dat meisje van pr was precies zo begonnen, met overwerken op kantoor’. Maar ze negeren beiden de signalen, hij door gebrek aan medeleven, zij door inschikkelijkheid. Hij ziet het niet, zij wil het niet zien.

Tot vreemde dingen tot haar doordringen. Berichten over een zeemonster, ‘Aquarius de Monsterman’, die uit het Oceanografisch Instituut is ontsnapt en twee oppassers heeft vermoord. Alleen Dorothy hoort die boodschappen op haar ‘oude radio’; maar ze heeft het te druk met het uitwisselen van spaghettisausrecepten met Estelle. De omslag in haar leven komt er nochtans aan, het inzicht is nabij als ze in een grootwarenhuis rondkuiert: ‘Een enorme pop kwam aanlopen’, een kaasverkoopster: ‘Het (!) was vrouwelijk gekleed in een soort majorettepak en droeg een dienblad aan een band om haar nek’. Meer is niet nodig om er het beeld van de vrouw in die jaren te herkennen vanuit de mannelijke blik en begeerte: opgetut, sexy, onderdanig, aan de halsband. Pin-ups.

‘Tot een reusachtig kikkerachtig wezen van twee meter haar huis binnendrong, stokstijf bleef staan en haar met licht gebogen rug recht aankeek’. Wat ze kan opvangen door hem bleekselder te geven. ‘Ik heb hulp nodig’, zegt de kikker, die Larry heet. Meteen ontwikkelt Dorothy zich tot een behulpzame, verstandige, aandachtige beschermengel van het monster, dat zich attent en warmbloedig toont voor een amfibie. Het tekort aan seks wordt snel goedgemaakt. Of Larry een echt verschijnsel is of een nuttige inbeelding wordt nergens aangegeven, het heeft ook geen belang: Larry is niet meer dan de prikkel die Dorothy nodig heeft om zichzelf te herontdekken.

Er is niets buitenaards aan de omgeving, gewoon Californië hoewel alle verwijzingen naamloos zijn (er Is wel een belangrijk Oceanografisch Instituut in San Diego, en de thuiswateren van Larry liggen allicht om het zuidelijk schiereiland Baja heen naar de kust van Mexico). Het huis van Dorothy Is het saaiste wat je je kunt indenken; de straten, de bloemperken, de bosschages, het strand, ze blinken uit door onpersoonlijkheid. Wat Larry en Dorothy overkomt is onrustwekkend kleinburgerlijk en geschiedenisloos. Maar wat hen bindt is belangstelling, verwondering, luisterbereidheid – ook voor het onbekende, van hun eigen leefwijze tot het uitspansel. Hun bevrediging ligt in het kleinste van het kleine: zwemmen, vrijen, eten, rusten op het strand, knuffelen, praten, zwijgen. Met altijd de spanning om ontdekking (door Estelle, door Fred, door de politie, door de moordbrigade – want ja, Larry brengt logischerwijs wel wat volk om dat hem getergd, gefolterd en verkracht heeft in het Instituut) te voorkomen.

In dat opzicht is Mevrouw Caliban een kitschversie van Shakespeares stuk The Tempest en vanhet monster uit de film The Creature of the Black Lagoon (1954). Twee verworpelingen, de ene door zijn anders-zijn, door zijn afwijkende levensvorm, de ander door haar goedgelovigheid, waarom ze wordt uitgesloten uit de ‘betere kringen’. Toch is hun geschiedenis niet tragisch, hij herstelt uiteindelijk het gedane onrecht, en het besef daarvan. Larry zal uiteindelijk ontsnappen aan de jacht die op hem gemaakt wordt (al weten we niet of hij omkomt op zee, of verhinderd wordt ooit nog terug te keren, of hij dat zelf beslist, of misschien gewoon een wensdroom was), Dorothy schudt het patriarchale juk af en vindt innerlijke vrede door haar verleden te aanvaarden. Ze reduceren alle twee hun leefwereld tot het Grote Gebaar, een toneelopvoering waarin “de mislukking van de ernst”, zoals Susan Sontag schrijft, de roman een hoge graad van Camp verleent, vergelijkbaar met de Oscarwinnende film The Shape of Water (2017) van Guillermo Del Toro. Del Toro beschrijft (als hij al niet gespiekt heeft bij Ingalls) de romance tussen een groen amfibisch wezen en een stomme helpster in een wetenschappelijk laboratorium. Ook hier is de aanklacht dubbel: de wreedheid van de onthechting die de wetenschap voorwendt te beoefenen; en de miskenning door de goegemeente van wie niet past in de gekende omgeving.

Maar de klemtoon ligt altijd op het “karakter” van de (schijnbaar eenvoudige) hoofdpersonen. ‘Camp is the glorification of character‘, schrijft Sontag. ‘What the Camp eye appreciates is the unity, the force of the person‘. Het karakter wordt opgevat als een staat van aanhoudende gloed. Het wezenlijke ligt niet in de tragedie, niet in het schone of het morele, maar in het genot van het falen. Een esthetica op zichzelf, die tot in het vulgaire kan gaan. Want de enige opzet ervan is de sérieux te ontmantelen, en zo gelukkig te worden, net wat Larry én Dorothy bereiken. Het is de Caliban, de verworpen, mismaakte zoon van zeegodin Thetis in de Griekse mythologie, die bij Shakespeare vrede krijgt met zijn lot als slaaf. “Die Gedanken sind frei”, schreef al rond 1810 een Zwitsers ‘Lied der Brienzer Mädchen’. Dat ook beseffen en realiseren opent de weg naar echte vrijheid. Dan valt elk gevoel van wraak weg, en maakt plaats voor tevredenheid: het verschil tussen Caliban in Shakespeare en Caliban in de film Clash of the Titans (1981) waarin Calibos (een samentrekking van Caliban en zijn god Setebos) ten onder gaat aan afgunst en weerwraakgedachten.

Ingalls heeft haar Mevrouw Caliban ironisch gebruikt (want de naam is een anagram van Canibal, wat allicht al een satire was op Montaigne). Haar ideaal is zonder veel stemverheffing gelijkgesteld met innerlijke rust, niet door een rationele benadering, maar door de toekomst vrij te laten, en zich te richten op de aangename ervaringen uit het verleden. Dorothy wil net als Larry de verloren dromen van het verleden herwinnen. Tragedie wordt dan melancholie, mistroostigheid wordt berusting, berusting wordt een pad naar vreugde in het heden. Larry en Dorothy hebben eindelijk ieder op de eigen manier, de vrede gevonden in de eindeloze deining en het ruisen van de zee.

Dorothy heeft alle ketenen afgeworpen. ‘’s Avonds reed ze naar het strand. (…) Hij kwam nooit. Ze verliet de auto en liep het strand op en neer, uur na uur. Het water stroomde over het zand en de ene golf overlapte de andere als het breien van draden, als het gewinnen van vergelding, verraad, herinneringen, spijt. En altijd maakte het een muzikaal murmelend geluid, een taal zo duidelijk als gesproken woorden. Maar hij kwam nooit’.

Terecht, want wat of wie Larry ook was, hij was de hoeksteen  waarop met geduld en eenvoudige daden, als met eentonig tikkende priemen, haar omvorming tot bewuste vrouw gelegd werd. Het symbool van haar ontvoogding. Elke eerste steen wordt bedekt door wat uiteindelijk gebouwd wordt. En hij wordt onzichtbaar en vergeten. Mevrouw Caliban is daarom veel meer dan een campy canonwerk. Het is gewoon magistraal. Spaarzaam met woorden. Afwikkelend als breiwol die rond twee armen opgerold werd. De brij van de toekomst is voorgoed bezworen. Bijna als in Orwells 1984: ‘Everything was all right, the struggle was finished. He had won the victory over himself. He loved Big Brother‘. Met dit verschil: Dorothy leerde te houden van zichzelf. Dat is pas échte ontvoogding.

Rachel Ingalls, Mevrouw Caliban, Uitgeverij Orlando, 160 p., 21,99 euro.

Partner Content